miniatuur|Bibliothèque nationale de France Ms. Lat. 9768, deel van fol 12v met het begin van de Latijnse raamtekst: Ergo xvi .... De Eed van Straatsburg (Frans Serments de Strasbourg, Latijn: Sacramenta Argentariae) is de plechtige bevestiging van een alliantie tussen de halfbroers Lodewijk de Duitser en Karel de Kale tegen hun (half)broer en keizer Lotharius om de macht over het grondgebied van hun vader, Lodewijk de Vrome. De eed werd door henzelf en de aanvoerders van hun legers uitgesproken op 14 februari 842 en opgetekend in een werk van Nithard. De eden zijn in een Romaanse (oud-Franse) en Teudisca (Rijnfrankische) taal gezworen en worden beschouwd als een van de vroegste getuigen van het gebruik van volkstaal (het vernaculair) in officiële documenten in plaats van Latijn. Ze zijn teruggevonden in een kopie van een werk van de geschiedschrijver Nithard, dat twee eeuwen jonger is.

De achtergrond De oorsprong van het conflict lag bij keizer Lodewijk de Vrome, vader van de drie rivaliserende zonen. Lodewijk wilde de eenheid van zijn rijk tot elke prijs bewaren, in strijd met het Frankische gewoonterecht volgens hetwelk ieder mannelijk kind recht had op een deel van de bezittingen van zijn vader. Lodewijk vaardigde daarom in 817 de Ordinatio Imperii uit als oplossing voor dit probleem: daarin bepaalde hij dat Lotharius keizer en opperkoning zou worden, met zijn twee broers Lodewijk de Duitser en Pepijn van Aquitanië als onderkoningen.

Lodewijk de Vrome bemoeilijkte echter zelf de aanvaarding van deze regeling door in 823 een vierde zoon te verwekken: Karel de Kale,Hij werd de ‘Kale’ genoemd omdat hij origineel volgens de Ordinatio Imperii geen land bezat. die hij ook in zijn erfenis moest laten delen. Lodewijk de Duitser en Pepijn van Aquitanië ambieerden de positie van onderkoning toch al niet, en met een vierde erfgenaam erbij zouden zij nog minder krijgen.

De situatie werd enigszins vereenvoudigd doordat Pepijn in 838 twee jaar vóór zijn vader kwam te overlijden, waarmee het aantal erfgenamen werd teruggebracht tot drie. Deze verwierpen de Ordinatio Imperii van hun vader en werkten op 30 mei 839 in het Akkoord van Worms een nieuwe erfregeling uit; elk ging daarna zijn toekomstige landen betrekken. Nadat Lodewijk de Vrome in 840 was gestorven, eiste Lotharius als oudste zoon evenwel alsnog de uitvoering van de Ordinatio Imperii. De twee anderen weigerden, waarna Lotharius met hen de militaire strijd aanbond, maar in 841 in het Bourgondische Fontenoy-en-Puisaye verslagen werd. Hij bleef echter gevaarlijk voor de overwinnaars Lodewijk de Duitser en Karel de Kale, die nu hun onderlinge geschillen vergaten en op 14 februari 842 in Straatsburg, plechtig ten overstaan van hun verenigde legers een eed zwoeren waarin ze beloofden om elkaar blijvend bij te staan, waarna voor Lotharius het pleit verloren was. Deze plechtige belofte kennen we nu als de Eed van Straatsburg.

De Eed van Straatsburg is de rechtstreekse aanleiding voor de broers met elkaar te gaan onderhandelen over de verdeling van het grondgebied wat resulteerde in het Verdrag van Verdun van 843, waardoor Karel de Grotes grote Frankische Rijk werd gesplitst in het West-, het Midden- en het Oost-Frankische Rijk.

De eed miniatuur|250px|Uittreksel uit de Eed van Straatsburg Zoals hierboven gezegd werden de teksten overgeleverd door Nithard, een kleinzoon van Karel de Grote, in zijn De dissensionibus filiorum Hludovici Pii libri quatuor en werden teruggevonden in een kopie van zijn kroniek (slechts 18 folia) geschreven in de tiende of de elfde eeuw, dus bijna twee eeuwen jonger dan het origineel.Bibliothèque nationale de France Ms. Lat. 9768; het handschrift bevat naast de tekst van Nithardus de annalen van Flodoardus Remensis. Nithard was een bevoorrechte getuige want hij was waarschijnlijk zelf bij het afleggen van de eed aanwezig.Nithard, Histoire des fils de Louis le Pieux, ed. van Ph. Lauer, Parijs 1926, p. 100-108.

Verloop van de eedaflegging Nithard had het over een eed in de Romana lingua en een in Teudisca lingua. Zowel Karel en zijn leger als Lodewijk en zijn leger waren Franken en spraken dus Frankische dialecten, het ene al meer beïnvloed door het Latijn dan het andere. Eerst sprak Lodewijk, de oudste van beide broers, zijn eigen troepen toe in de Teudisca lingua om de context te schetsen, waarop Karel hetzelfde deed in de Romana lingua naar zijn troepen toe. Daarop sprak Lodewijk de Duitser, de monarch van Oostfrancië, het huidige Duitsland zijn eed uit in de Romana lingua om zich verstaanbaar te maken bij de mannen van zijn halfbroer Karel de Kale. Die legde op zijn beurt de eed af in de Teudisca Lingua om verstaanbaar te zijn voor de andere partij. Daarna legden de beide legers beurtelings een eed af in hun eigen taal om de belofte van hun leider te bevestigen.Mirande Green ed., The celtic World, Routtledge 1995, p. 713-714.

De tekst De transcripties zijn aangepast. De afkortingen werden uitgewerkt en leestekens en werden toegevoegd.Voor een diplomatisch afschrift zie: Foerster and Koschwitz (1902, cols. 45–48), voor de originelen zie Folio 12v en Folio 13r van BnF, Cod. Lat. 9768.