Joseph Marie Antoine Hubert (Joseph) Luns (Rotterdam, 28 augustus 1911 – Brussel, 17 juli 2002) was een Nederlands diplomaat en politicus. Tussen 1952 en 1971 diende hij in acht Nederlandse kabinetten als minister, de eerste vier jaar als minister zonder portefeuille en vanaf 1956 als minister van Buitenlandse Zaken. Van 1971 tot 1984 was hij secretaris-generaal van de NAVO.

Luns groeide op in achtereenvolgens Rotterdam, Vught en Amsterdam. Hij studeerde in Leiden en Amsterdam, en na zijn studietijd werd hij toegelaten tot de diplomatieke dienst. Als attaché zat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bern, Lissabon en Londen. Na de oprichting van de Verenigde Naties werd hij de Nederlandse gezant bij deze organisatie. In 1952 werd hij minister in het kabinet-Drees II. Vier jaar later werd hij minister van Buitenlandse Zaken, een positie die hij tot 1971 bekleedde. Tijdens deze periode was hij intensief betrokken bij de Europese integratie. Ook gaf hij jarenlang vorm aan het Nederlandse Nieuw-Guineabeleid dat de buitenlandse politiek van Nederland begin jaren 60 domineerde. Tijdens zijn ministerschap had Luns internationaal een naam opgebouwd als effectief minister en onderhandelaar, die zelfs de internationale betekenis van Nederland oversteeg. (2010): Luns, een politieke biografie, blz. 460. In zijn periode als secretaris-generaal van de NAVO zette hij zich in voor verbeterde trans-Atlantische betrekkingen en ontwapeningspolitiek. Na zijn pensioen bleef hij in Brussel wonen, waar hij in 2002 op bijna 91-jarige leeftijd overleed.

Het beleid van Luns kan het best gekenmerkt worden als realpolitik. Luns werd door zijn politieke tegenstanders neergezet als een conservatief en reactionair politicus., blz. 9-10. Historicus Martin Bossenbroek omschrijft Luns als "geen idealist, maar een realistische machtspoliticus en als zodanig een succesvol onderhandelaar, een conservatieve nationalist, 'maar niet reactionair'." (2016): Fout in de Koude Oorlog, Nederland in tweestrijd 1945–1989, blz. 12. Bossenbroek beschrijft hem verder als iemand die ruimtes vulde met zijn air, anekdotes, zijn lengte van 1,95 meter en ongezouten meningen., blz. 25.

Familie De familie Luns kwam oorspronkelijk uit het Westfaalse Helmern, waar de oudst bekende voorvader landbouwer was. Aan het einde van de 18e eeuw verhuisde Johann Theodor Meindolph Luns naar Amsterdam. Zijn nazaten waren kleine ondernemers die werkzaam waren als producenten van alcoholische dranken. De grootvader van Joseph Luns, Theodorus Johannes Bernardus, trad niet in hun voetsporen en ging werken voor een Amsterdamse bank. In de jaren 80 van de 19e eeuw werd hij door de bank uitgezonden naar Parijs, waar zijn twee kinderen Huib, de vader van Joseph, en François werden geboren., blz. 25.

Huib Luns ging in 1908 in Rotterdam werken als hoofdleraar aan de Academie in Decoratieve Kunst en Kunstnijverheid. Hij wist als schilder enige faam te verwerven en woonde ook enige tijd in Brussel. In april 1909 trouwde hij met de twintigjarige Harriët Louvrier., blz. 25–26. De familie van haar moeder was in 1871 uit de Elzas naar het Belgische Tongeren gevlucht, toen die regio na de Frans-Duitse Oorlog in Duitse handen kwam., blz. 27. Het echtpaar Luns kreeg zes kinderen: Theo (1910), Joseph (1911), Huib (1913), Georges (1915), Frank (1917) en Elisabeth (1928).

Biografie thumb|Kinderportret van Joseph Luns geschilderd door zijn vader

Jeugd Joseph Luns werd op 28 augustus 1911 aan de Spoorsingel te Rotterdam geboren., blz. 24. Het gezin vertrok in 1918 naar Vught, toen Huib Luns werd aangesteld als directeur van de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in 's-Hertogenbosch. Joseph Luns ging in Vught naar de katholieke Petrusschool, waar hij een klasgenoot was van Karel van Rijckevorsel., blz. 29. In huize Luns was er veel interesse in de Franse cultuur en politiek, want Huib Luns sympathiseerde sterk met de zaak van de Action Française en was een aanhanger van Paul Déroulède en Henri Rochefort., blz. 28.

Het gezin Luns verhuisde in 1922 naar Amsterdam en vestigde zich aan de Valeriusstraat, nabij het Vondelpark. In de hoofdstad werd Joseph Luns onderwezen op het rooms-katholieke Sint Ignatiusgymnasium. Hier bleef hij in de tweede klas zitten en sloot hij een levenslange vriendschap met zijn klasgenoot Pieter Blaisse., blz. 30–31. In 1927 werd Luns in het katholieke internaat Instituut Saint-Louis te Brussel geplaatst. Daar blonk hij uit in Franse literatuur en aardrijkskunde, maar behaalde hij slechte resultaten voor wiskunde en natuurkunde., blz. 32. Na het behalen van zijn diploma meldde hij zich aan bij de officiersopleiding van het Koninklijk Instituut voor de Marine, maar werd niet toegelaten omdat hij drie dagen te laat was geboren., blz. 33. Vervolgens liep hij onder meer enige tijd stage bij de scheepvaartfirma Van Es & Van Ommeren. In maart 1931 werd Luns opgeroepen voor militaire dienst. Hij werd in Den Helder opgeleid tot zeemilicien en in Amsterdam tot seiner. Luns werd gestationeerd bij de kustwacht van De Wassenaarse Slag, waar hij een halfjaar diende., blz. 34.

Studie Luns meldde zich na zijn diensttijd aan voor de studie rechten, aanvankelijk op de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, maar eind november 1932 schreef hij zich in in Leiden. Hij volgde onder andere colleges bij Julius Christiaan van Oven. Hoewel hij in Leiden was gaan studeren, speelde zijn studentenleven zich voornamelijk af in Amsterdam. Zo had hij zich in september 1933 ingeschreven als lid bij het Amsterdams Studenten Corps (ASC)., blz. 35. Luns sprak zich na de muiterij op De Zeven Provinciën in het studentenblad Propria Cures sterk uit over het Nederlandse defensiebeleid. De toedracht van de muiterij weet hij aan het socialisme., blz. 37–38. Als freelancejournalist schreef hij voor verschillende bladen artikelen over de Nederlandse marine., blz. 41.

Begin jaren 30 was Joseph Luns ervan overtuigd dat de wereld op een grote internationale crisis afstevende. Hij was voorstander van een sterke en gerespecteerde overheid en was een radicaal tegenstander van bewegingen die de maatschappelijke orde wilden veranderen, zoals het socialisme. Dit zou een van de redenen zijn waarom Joseph samen met zijn broer in mei/juni 1933 lid werd van de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging (NSB)., blz. 42.

thumb|Minister Jacob Patijn maakte het mede mogelijk dat Luns ging werken voor de diplomatieke dienst, waar hij secretaris van Patijn werd. In 1935 werd Luns verkozen tot rector van het ASC, en nadat hij het stokje had overgedragen aan zijn opvolger stortte hij zich op zijn afstuderen. In 1938 vertrok hij naar Londen om een halfjaar te studeren aan de London School of Economics. In Londen probeerde hij een plek te verwerven bij de diplomatieke dienst, waartoe hij uiteindelijk door minister Jacob Patijn werd toegelaten. In juni van dat jaar vertrok hij naar Berlijn voor een zomercursus aan het Deutsches Institut für Ausländer van de Humboldtuniversiteit om zich daar voor te bereiden op zijn attaché-examen., blz. 53.

Diplomatieke dienst Luns begon in oktober 1938 bij de diplomatieke dienst, waar hij op dat moment het jongste lid was. Hij werkte er als particuliere secretaris van de minister., blz. 57–58. Over de werkzaamheden die hij voor de dienst verrichtte na zijn huwelijksreis is weinig bekend. Wel maakte hij deel uit van de entourage van koningin Wilhelmina bij haar staatsbezoek aan België in mei 1939., blz. 60.

Attaché in Bern, Lissabon en Londen In december 1939 kreeg Luns een plek in het Nederlands gezantschap te Bern, waar hij ging werken onder Johan Bosch van Rosenthal. Luns was de enige medewerker van de Nederlandse gezant en was om die reden voornamelijk bezig met het ontcijferen en coderen van geheime telegrammen., blz. 61. De Tweede Wereldoorlog maakte van het gezantschap in Bern een belangrijke post door de diplomatieke positie die het neutrale Zwitserland innam, en na de Franse capitulatie werd Bern tevens een belangrijke post voor de Nederlandse regering in ballingschap. Ook kwamen er in Zwitserland veel gevluchte Nederlandse joden aan en de eerste Engelandvaarders. Samen met generaal Aleid Gerhard van Tricht werkte Luns mee aan hun tocht naar Engeland., blz. 64.

Na het ontslag van Johann Gottlieb Sillem als speciaal gezant te Lissabon kwam er een wisseling van de wacht in Portugal en werd Luns overgeplaatst naar de Portugese hoofdstad. Hier was hij opnieuw belast met het ontcijferen en coderen van geheime telegrammen. Ook verstrekte hij Portugese visa aan Engelandvaarders op doorreis. Na de Nederlandse bezetting van Portugees-Timor verslechterde de relatie tussen de Nederlandse regering en Portugal, maar dankzij Britse bemiddeling mocht het Nederlandse gezantschap in het land blijven. Toen de voorzitter van de Italiaanse Fascistische Grote Raad, Dino Grandi, in Portugal aankwam, was Luns een van eerste diplomaten die hiervan op de hoogte was en wist hij een persoonlijk onderhoud met de man te krijgen, waardoor hij alle ins en outs te weten kwam van de val van Mussolini., blz. 67.

In november 1943 maakte Luns de overstap naar de afdeling Diplomatieke Zaken van het ministerie in Londen. Twee maanden later keerde hij voor vijf maanden terug naar Lissabon en uiteindelijk verwierf hij in oktober 1944 een plek op de Nederlandse ambassade in Londen. Hier werkte Luns autonoom onder ambassadeur Edgar Michiels van Verduynen. Luns was in Londen ook gedelegeerde bij het Intergovernmental Committee on Refugees en in mei 1945 werd hij bovendien belast met Duitse aangelegenheden. Hij bleef na de oorlog werkzaam bij de ambassade in Londen. In 1948 nam Luns samen met Michiels en Hirschfeld deel aan de Zesmogendhedenconferentie in Londen., blz. 69. Omdat Luns als een waardevol lid van de ambassade werd beschouwd, verzette Michiels zich lange tijd tegen een overplaatsing van Luns, maar in mei 1949 besloot minister Dirk Stikker hem te plaatsen bij de permanente vertegenwoordiging van de Verenigde Naties in New York.

Gezant bij de VN Bij de Verenigde Naties werd hij de tweede man, naast Johan Willem Marius Snouck Hurgronje. Aan deze overplaatsing was een beloning verbonden, namelijk de verlening van de persoonlijke titel van ambassaderaad. Luns verkreeg die op 20 september 1949., blz. 71. In 1950 werd Snouck Hurgronje vervangen door Daniel Johannes von Balluseck, met wie Luns een goede werkrelatie kreeg. Het Nederlandse gezantschap begon dat jaar met een lobby om een zetel te bemachtigen in de Veiligheidsraad. Von Balluseck en Luns vergaarden hiervoor snel voldoende steun., blz. 82.

Von Balluseck en Luns woonden gezamenlijk de sessies van de Veiligheidsraad bij, die toen nog plaatsvonden in het tijdelijk hoofdkantoor in Lake Success nabij New York. In april 1951 stelde de raad een ontwapeningscommissie in waarvan Luns voorzitter werd. In het najaar trad hij in de Veiligheidsraad op als woordvoerder bij de behandeling van het Brits-Iraanse oliegeschil, waarbij hij namens Nederland aan de kant van de Britten stond., blz. 84. Hij kreeg in juli van dat jaar een auto-ongeluk op de Grand Central Parkway, wat hem een flinke hersenschudding, een tijdelijk verlamd linkerbeen en continue rugklachten opleverde., blz. 87.

Ministerschap thumb|Het kabinet-Drees II voorafgaand aan zijn eerste ministerraadsvergadering. Luns zit links vooraan naast zijn collega Johan Willem Beyen.

Minister zonder portefeuille