Victor Marie Hugo (Besançon, 26 februari 1802 – Parijs, 22 mei 1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman en wordt beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Franse romantische auteurs van de 19e eeuw. Hij schreef romans, gedichten, toneelstukken, essays en politieke toespraken en liet ook een uitgebreide briefwisseling na.
Victor Hugo werd sterk beïnvloed door François René de Chateaubriand. Hugo publiceerde zijn eerste dichtbundel in 1822.
miniatuur|links|Geboortehuis van Victor Hugo te Besançon.
Biografie Jeugd Victor Hugo werd geboren te Besançon (Franche-Comté) in 1802 als derde zoon van Joseph Léopold Sigisbert Hugo (1773-1828), een Franse generaal onder het keizerrijk van Napoleon afkomstig uit Lotharingen, en Sophie Trébuchet, oorspronkelijk afkomstig uit Nantes. Door het beroep van zijn vader kende Hugo een moeilijke kindertijd en werd hij door het garnizoensleven meegesleurd van stad tot stad. Hugo verbleef onder andere in Parijs, in het oude klooster des Feuillantines, in Napels, waar zijn vader gedurende een tijd gouverneur van een provincie was, en in Spanje (1811-1812), waar zijn vader drie provincies bestuurde. Er was bovendien een slechte verstandhouding tussen Hugo’s ouders, die er op politiek en religieus vlak verschillende meningen op nahielden. Hugo's vader was een atheïstische republikein voor wie Napoleon een held was; Hugo's moeder was een katholieke royaliste. Deze moeilijkheden zorgden voor een breuk tussen Hugo’s ouders. Hugo's moeder leefde vanaf 1813 gescheiden van haar man en ging met haar zoon in Parijs wonen. Op aanraden van zijn vader ging Hugo naar het Lycée Louis-le-Grand, maar het was vooral zijn moeder die vanaf dan een grote invloed had op zijn opvoeding en die van zijn twee broers, Abel en Eugène. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in Hugo’s vroege werk thema’s als "geloof" en "monarchie" veelvuldig aan bod komen. Hugo maakte zijn roeping als schrijver al vrij vroeg bekend toen hij op veertienjarige leeftijd in zijn dagboek schreef: "Je veux être Chateaubriand ou rien." (Vert.: Ik wil Chateaubriand zijn of niets.)
Eerste literaire stappen Chateaubriand had een grote invloed op Hugo’s eerste literaire werken, net als op vele van Hugo’s tijdgenoten. Chateaubriand kan gezien worden als een van de grondleggers van de Romantiek in Frankrijk en was een van de belangrijkste schrijvers van het begin van de negentiende eeuw. In meer dan een opzicht trad Hugo in Chateaubriands voetstappen. Hugo werd de vaandeldrager van de Romantiek in Frankrijk, engageerde zich op politiek vlak als republikein en werd verbannen omwille van zijn politieke gedachtegoed.
miniatuur|links|Victor Hugo als jongeman
Op vijftienjarige leeftijd kreeg hij reeds erkenning voor zijn poëzie, van de Académie française. In 1820 richtte hij met zijn broers het literair tijdschrift Le Conservateur littéraireLe Conservateur littéraire op Open Library.org op, waarmee hij al vroeg de literaire aandacht op zich vestigde. Datzelfde jaar won hij ook de wedstrijd van de Académie des Jeux Floraux te Toulouse, waarvan hij ook het jaar daarop laureaat was. Onder andere door deze successen gaf Hugo zijn wiskundestudies op en stortte hij zich helemaal op zijn literaire carrière. In 1822 verscheen zijn eerste dichtbundel, getiteld Odes. In dat decennium zouden nog meerdere dichtbundels volgen. In 1824 verscheen de bundel Nouvelles Odes et Poésies diverses, die hem een koninklijke toelage van Lodewijk XVIII opleverde. Het was echter de bundel uit 1826, Odes et Ballades, die hem grote bekendheid gaf. De bundel zou in 1828 in zijn definitieve vorm verschijnen. Hugo werkte mee aan La Muse française en deelde de affiniteit met de monarchie en het christendom van die groep. In 1827 nam hij deel aan Le Cénacle, een literaire kring rond de schrijver Charles Nodier die samenkwam in de Bibliothèque de l'Arsenal en die beschouwd kan worden als de wieg van de Franse Romantiek. Deze groep oefende grote invloed uit op Hugo’s literaire ontwikkeling. Hij ontmoette er onder anderen Chateaubriand, Théophile Gautier, Alfred de Musset en Alfred de Vigny. De deelname aan deze groep betekende ook dat hij overging naar het liberale kamp.
In deze periode trouwde Hugo in 1822 met Adèle Foucher, op wie hij sinds 1819 verliefd was. Dit was echter zeer tegen de zin van zijn ouders en door zijn nauwe band met zijn moeder wachtte hij tot na haar dood (in 1821) om met zijn jeugdliefde te huwen. Het huwelijk wekte ook jaloezie op bij zijn broer Eugène, die geleidelijk ten prooi zou vallen aan krankzinnigheid. Het paar kreeg vijf kinderen: Léopold in 1823, die enkele maanden na zijn geboorte overleed, Léopoldine in 1824, Charles in 1826, François-Victor in 1828 en Adèle in 1830. Van deze vijf kinderen zou alleen de laatste haar vader overleven, hoewel zij door haar labiele mentale gezondheid vaak in verpleeginrichtingen verbleef.
In het jaar na zijn huwelijk publiceerde Hugo zijn eerste roman, de griezelroman Han d’Islande. Zijn tweede roman, Bug-Jargal, volgde drie jaar later.
Leider van de romantische beweging Vanaf het einde van de jaren 20 van de negentiende eeuw kan Hugo worden beschouwd als de leider van het romantische Cénacle. Hij werd ook in die hoedanigheid aangevallen en verguisd door de aanhangers van het academisme. Bovendien kwam Hugo ook in aanvaring met de censuur door de gedurfdheid van een aantal van zijn toneelstukken. Zo werd zijn drama uit 1829, Marion de Lorme, aanvankelijk door de censuur verboden omwille van het weinig flatterende beeld dat werd geschilderd van de Franse monarchie. In 1827 publiceerde hij het nooit opgevoerde versdrama Cromwell, dat eerder bekendheid verwierf door zijn voorwoord waarin Hugo de klassieke regels aanviel, waaronder de eenheid van tijd en die van plaats. Het voorwoord genoot aldus de reputatie van manifest van de romantische beweging.
miniatuur|links|"De slag van Hernani"
De grote ophef kwam er bij de première van Hugo’s toneelstuk Hernani in 1830, dat vandaag de dag grotendeels vergeten is, behalve als basis van de gelijknamige opera van Verdi. Hernani kan beschouwd worden als een belangrijke etappe in de geschiedenis van het Franse toneel. De tweede voorstelling staat bekend als 'la bataille d’Hernani' (de veldslag van Hernani). Hugo had al voordien zijn toneelstuk vers voor vers moeten verdedigen voor de koninklijke censuur en er waren al fragmenten uitgelekt in de pers, bedoeld om het werk en de auteur belachelijk te maken. Op de avond van de tweede voorstelling had Hugo een groot deel van zijn vrienden uitgenodigd (Balzac, Gautier, de Nerval, …) om de vertegenwoordigers van het klassieke theater te counteren. Het toneelstuk bracht bijna opstanden teweeg tussen de tegenover elkaar staande kampen: classicisten versus romantici, republikeinen versus royalisten, liberalen versus conformisten. In de theaterzaal was de slag gewonnen door Hugo’s aanhang, maar de pers kraakte het stuk af. De volgende voorstellingen waren nog steeds vrij onrustig, maar het stuk boekte elke keer volle zalen. Hugo was erin geslaagd om de romantische vernieuwing, die tot dan toe vooral ingewijden in de salons had begeesterd, voor de mensen op het toneel te brengen.
thumb|Juliette Drouet, Hugo's muze en minnares
Hugo’s volgende stuk was Le roi s’amuse (1832), dat na een voorstelling door de censuur verboden werd omwille van de openlijke spot op de Franse adel. Het toneelstuk werd echter een succes in geschreven vorm. Hugo was door het speelverbod echter zodanig in zijn wiek geschoten dat hij zijn volgende toneelstuk, Lucrèce Borgia, in amper twee weken schreef. Dit stuk werd voor het eerst opgevoerd in 1833 en was een groot succes. Mademoiselle George, een voormalige maîtresse van Napoleon, speelde de hoofdrol. Een andere rol werd vertolkt door de actrice Juliette Drouet.
Drouet werd zijn muze en minnares en, hoewel Hugo meerdere romantische escapades had tijdens zijn leven, werd deze relatie zelfs door zijn vrouw als vrij speciaal erkend en getolereerd. Drouet kreeg de kans om in Hugo’s toneelstuk Marie Tudor (1833) de rol van Lady Jane Grey te vertolken, maar werd na de eerste opvoering te licht bevonden en vervangen. Ze stopte daarop met acteren en wijdde de rest van haar leven (tot aan haar dood in 1883) aan haar minnaar als onbezoldigd secretaresse en reisgezellin (onder andere naar Bretagne, Normandië, het Noorderdepartement en Duitsland). Hugo's relatie met Juliette Drouet was een reactie op de overspelige relatie van zijn vrouw met Charles Augustin Sainte-Beuve.
In 1835 ging Hugo’s toneelstuk Angelo succesvol in première. In november 1838 was het de beurt aan Ruy Blas. Dat stuk was het eerste dat werd gespeeld in het Théâtre de la Renaissance, de nieuwe schouwburg die door de Hertog van Orléans (een broer van koning Louis-Philippe en bewonderaar van Hugo’s werk) was opgericht om nieuwe stukken ten tonele te kunnen brengen. Hoewel het wordt beschouwd als een van Hugo’s beste stukken, werd het destijds maar op matig enthousiasme onthaald. Daarna zou het duren tot 1843 tot Hugo opnieuw een stuk zou produceren. Les Burgraves liep 33 avonden, maar verloor publiek aan een concurrerend toneelstuk. Het zou het laatste stuk zijn dat Hugo schreef. Hij zou nog een kort versdrama schrijven in 1869, Torquemada, maar dit was nooit bedoeld om opgevoerd te worden en werd pas enkele jaren voor zijn dood uitgegeven in 1882. Toch zou Hugo een blijvende interesse hebben voor het drama, zoals blijkt uit een essay uit 1864 over William Shakespeare, wiens stijl hij zocht te evenaren.
Fictie thumb|Quasimodo hangt aan een waterspuwer van de Notre-Dame; illustratie van Alfred Barbou uit de originele versie van De klokkenluider van de Notre Dame. In deze lange periode produceerde Hugo natuurlijk meer dan enkel theater. Hugo’s eerste volwaardige roman, Le dernier jour d'un condamné (De laatste dag van een veroordeelde), verscheen in 1829 en toonde al het sociale geweten dat later in vele van zijn werken zou doorschemeren. Het werk zou latere schrijvers zoals Albert Camus, Charles Dickens en Fjodor Dostojevski beïnvloeden. In 1831 verscheen Hugo’s eerste grote roman: Notre-Dame de Paris (De klokkenluider van de Notre Dame). Het werk was zo succesvol dat het al gauw in verschillende Europese talen werd vertaald. Het was gedeeltelijk de bedoeling om de stad Parijs ertoe aan te zetten de verwaarloosde Notre Dame-kathedraal te restaureren. Het boek gaf ook aanleiding tot een hernieuwde interesse voor pre-renaissancistische gebouwen, waardoor deze actief zouden worden beschermd.
In 1834 verscheen de documentaire novelle Claude Gueux, waarin het verhaal wordt verteld van een echt bestaande moordenaar die wordt terechtgesteld in Frankrijk. Dit korte verhaal zou later door Hugo worden beschouwd als een voorloper van zijn immense werk over sociale ongelijkheid, Les Misérables. De eerste stappen naar deze roman werden waarschijnlijk al gezet rond 1830, maar het zou duren tot 1862 voor het boek volledig af was en gepubliceerd kon worden.
Politiek leven Tijdens zijn opvoeding had zijn royalistische moeder een grote invloed gehad op Victor Hugo. Geleidelijk aan liet hij zich echter overtuigen door de waarden van de democratie. (J’ai grandi (Ik ben gegroeid) schrijft hij hierover in een van zijn gedichten, bij wijze van zelflegitimatie.) Hugo was een aanhanger geworden van de liberale en humanitaire democratie.