Salomé (ca. 65 v.Chr. - ca. 10 n.Chr.) was de enige zuster van de Idumese koning Herodes de Grote. Zij is een oudtante van de bekendere Salomé, de dochter van Herodias. Zij zette door intriges haar broer aan om haar twee echtgenoten, zijn echtgenote en zijn twee zonen terecht te stellen.
Huwelijk en strijd tegen Mariamne frame|Detail uit de stamboom van de Herodiaanse dynastie Salomé was de dochter van de Edomiet Antipatros en Kypros, een Nabatese. Ze had vier broers: Phasaël, Herodes, Jozef en Pheroras.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XIV 121; Bellum Iudaicum I 181. Daar Herodes de lang regerende familie van de Hasmoneeën van de macht had verdrongen en bij het joodse volk niet geliefd was, vreesde hij zijn hele leven voor complotten tegen zijn heerschappij. Hij huwde weliswaar in 37 v.Chr., om zijn prestige te verhogen, de Hasmonese Mariamne, die hem ook twee zonen Alexandros en Aristobulos baarde, doch hij bleef wantrouwig en liet tijdens zijn regering vele familieleden ombrengen, waarin Salomé een belangrijk aandeel zou hebben gehad.
Eerst huwde Salomé met haar oom Joseph, de broer van Antipatros.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 81; XV 254; Bellum Iudaicum I 441. Toen Herodes naar Laodikeia reisde, om de triumvir Marcus Antonius te zien, om zich voor de hem verweten moord op de Hasmonese Aristobulos te rechtvaardigen, stelde hij Joseph als zijn plaatsvervanger aan en droeg hem ook op om toe te zien op Mariamne. Salomé koesterde wrok tegen Mariamne, omdat ze haar wegens haar nederige afkomst minachtend behandelde. Ze wilde ook haar echtgenoot uit de weg ruimen en beschuldigde hem daarom, toen Herodes in 35 v.Chr. met succes uit Laodikeia terugkeerde van echtbreuk met Mariamne. Herodes vergaf Mariamne, maar Salomés echtgenoot Joseph wordt zonder verhoor geëxecuteerd.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 81-87; Bellum Iudaicum I 441; I 443.
Vervolgens trouwde Salomé nu met de vooraanstaande Edomees Kostobaros, die werd bevorderd tot stadhouder van Idumea en Gaza.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 254; Bellum Iudaicum I 486. Ze was haar echtgenoot aanvankelijk toegewijd. Toen hij werd beschuldigd van verraderlijke onderhandelingen met de Ptolemaeïsche koningin Cleopatra VII, pleitte ze met succes voor hem bij haar vertoornde broer.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 258. Herodes, die zich als trouwe bondgenoot van Marcus Antonius na diens nederlaag in de slag bij Actium in een netelige situatie bevond, droeg de regering over aan zijn broer Pheroras en bracht Salomé en zijn kinderen onder in de burcht Masada, alvorens hij ter begroeting van de zegerijke Octavianus, naar wie hij wenste over te lopen, in 30 v.Chr. naar Rhodos reisde.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 183f. Nadat Octavianus hem in zijn heerschappij had bevestigd, kwam zijn relatie met Mariamne na zijn terugkeer steeds meer onder spanning te staan. Dit greep Salomé aan voor een intrige. In haar opdracht vertelde een schenker van Herodes deze op vertrouwelijke wijze, dat Mariamne hem een liefdes- en gifdrank had gestuurd. Daarom en wegens verdere geruchten over Mariamnes vermeende ontrouw vertoornd, liet Herodes onder druk van Salomé zijn echtgenote in 29 v.Chr. executeren.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 213; XV 223-231.
Ook met haar tweede gemaal Kostobaros kreeg Salomé ruzie: ze wenste zich - in strijd met de Joodse wet - van hem te laten scheiden en beschuldigde hem ten slotte bij haar broer, dat hij tegen deze complotten zou smeden. Ter ondersteuning van haar aanklacht vertelde ze Herodes, dat haar echtgenoot al tien jaar lang de zoon van een Baba hielp zich te verbergen, die ooit tegen de Joodse koning was opgetreden en sindsdien door deze werd gezocht. Met de bij de Joden geachte zonen van Baba plande Kostobaros nu een staatsgreep. Na de ontdekking van deze zonen liet Herodes ze in 28/27 v.Chr. samen met Kostobaros executeren.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XV 259-266
Salomé bracht meerdere dochters ter wereld (o. a. Berenike) alsook een zoon, Antipatros.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 22; XVII 230; XVIII 130; Bellum Iudaicum I 566; II 26.
Later leerde Salomé tijdens een gastmaal van Herodes een welgesteld man genaamd Syllaios, de stadhouder van de Nabatese koning Obodas III, kennen en beiden raakten op elkaar verliefd. Ze zouden ook een onbetamelijke betrekking zijn aangegaan. Iets later vroeg Syllaios bij de Joodse koning om de hand van zijn zuster, die daar graag toe was bereid. Daar de Arabische vorst niet tot het jodendom wilde overgaan, zich dus niet wilde laten besnijden, kwam het huwelijk niet tot stand.
Pheroras en enkele hofdames verweten Salomé tomeloos gedrag.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 220-226; Bellum Iudaicum I 487; I 534; I 566. Nu zou Salomé een van de vertrouwelingen van haar broer genaamd Alexas tot derde gemaal nemen en willigde dit uiteindelijk in onder invloed van haar vriendin, de Romeinse keizerin Livia, om het niet bij haar broer te verspelen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 10; Bellum Iudaicum I 566.
Intriges tegen de zonen van Mariamne Herodes liet zijn zonen bij Mariamne uit Rome terughalen, om zich met hen te verzoenen en liet in 17 v.Chr. Alexandros trouwen met de Cappadocische koningsdochter Glaphyra alsook Aristobulos met Berenike, de dochter van Salomé en Kostobaros. Desondanks haatte Salomé (naar men zegt) de zonen van Mariamne net als ze eens hun moeder had gehaat. Ze vreesde namelijk, daar zij de aanstichtster voor de moord op Mariamne was geweest, voor de wraak van de vermoedelijke troonopvolger, wanneer deze eenmaal aan de macht zou komen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 8; XVI 11; XVII 12; XVIII 133; Bellum Iudaicum I 446; I 552. Ze liet de prinsen zelfs door haar dochter Berenike uithoren, die ze ook van haar echtgenoot vervreemdde. Berenike vertelde Salomé, dat Alexandros en Aristobulos hun vader wegens diens executiebevel voor Mariamne haatten en dat ze, eenmaal aan de macht gekomen, vrouwelijke verwanten van Herodes, die kleren van hun moeder droegen, wilden in zakken laten steken en gevangenzetten. Salomé meldde dit meteen aan haar broer, die zich weliswaar hieraan ergerde, maar toch niets tegen zijn zonen ondernam. (cf. Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 201-205.) Flavius). Een diepe afkeer koesterde Salomé ook tegen de trotse Glaphyra, omdat deze zich zoals eens Mariamne op haar voorname afkomst beroemde en spotte met de bescheiden afstamming van de leden van de Herodianen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 193; Bellum Iudaicum I 475-479.
Ondersteund door haar broer Pheroras hitste Salomé Herodes, toen hij in 14 v.Chr. van zijn verblijf bij Agrippa terugkeerde, weer tegen zijn zonen bij Mariamne op, die vaak hadden gezegd de terechtstelling van hun moeder te willen wreken.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 66-73; Bellum Iudaicum I 483; I 545. Pheroras vertelde echter anderzijds aan Alexandros, dat hij door Salomé van de grote liefde van Herodes voor Glaphyra had gehoord. Derhalve werd Alexandros zoals gepland tegen zijn vader opgehitst en deed verbitterd zijn beklag bij hem. De onschuldige Herodes riep echter zijn broer Pheroras ter verantwoording en bedreigde hem.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 206-212. Om zich te rechtvaardigen, beweerde Pheroras, deze lasterpraatjes tegen Herodes van hun zuster te hebben vernomen. Hoewel Salomé dit meteen met levendige lichaamstaal bestreed, kon ze de verdenking niet meer kwijtspelen en haalde zich ook de toorn van Herodes op haar hals.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 213-219.
De eeuwige ophitsende redevoeringen tegen Mariamne haar zonen en mogelijk dat trotse optreden bleken uiteindelijk toch te werken. Herodes liet Alexandros in een kerker opsluiten, daar hij in een complot van zijn zonen tegen hem geloofde. Alexandros schreef in zijn vertwijfeling, dat hij werkelijk een samenzwering tegen zijn vader op touw had gezet, maar dat Pheroras en Salomé in zijn plannen zouden zijn ingewijd; ook zei hij dat Salomé hem tot een buitenechtelijke verhouding had gedwongen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVI 256; Bellum Iudaicum I 498. Voor zijn tweede aanhouding beweerde Aristobulos, dat Salomé voor Syllaios tegen haar broer had gespionneerd.Flavius Josephus, Bellum Iudaicum I 534f. Doch beide zonen van Mariamne konden zich niet redden, terwijl ze hun vijandin Salomé op voorvermelde wijze zochten te beschuldigen. In plaats daarvan besloot de zus van Herodes mee over de terechtstelling door wurging van de prinsen in 7 v.Chr. in Sebaste. Flavius Josephus, Bellum Iudaicum I 538.
Vernietiging van Antipatros Later hadden Pheroras en de oudste koningszoon Antipatros een goede verstandhouding met elkaar, waarin Salomé een gevaar voor haar broer zag. Om niet de toorn van de koning te verwekken, streden Pheroras en Antipatros nu in het openbaar klaarblijkelijk met elkaar, maar bleven in het geheim vrienden. Salomé doorzag hun spel en berichtte Herodes van geheime bijeenkomsten en een vermeend complot van beide mannen. Ook dat de Farizeeërs Herodes’ val en de overgang van het koningschap op Pheroras hadden voorspeld, meldde Salomé aan haar broer, die vervolgens leidende Farizeeërs en andere betrokken personen liet terechtstellen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 36ff.; XVII 44; Bellum Iudaicum I 569-573. Weer nam Salomé deel aan het rechtsgeding tegen Antipatros, onder leiding van de Romeinse stadhouder van Syrië, Publius Quinctilius Varus.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 93. De aangeklaagde prins werd in het bijzonder door het net toentertijd publiek geworden feit belast, dat hij een brief aan keizerin Livia had laten vervalsen en als vermeende verzender Salomé had willen doen uitschijnen, om haar van hoogverraad te beschuldigen en zo haar ondergang te kunnen bewerkstelligen.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 137-142; Bellum Iudaicum I 641-644. Antipatros werd in 4 v.Chr. terechtgesteld.
Leven na Herodes’ dood miniatuur|Het Joodse land na Herodes de GroteFlavius Toen Herodes op sterven lag zou hij zijn zuster en haar man Alexas opgedragen hebben, onmiddellijk na zijn heengaan de in de hippodroom te Jericho opgesloten voornaamste Joden te laten vermoorden, opdat zijn dood in een hem als koning waardige lijkklacht goed werd betreurd; want de Joden zouden zich al bij zijn dood verheugen en zonder deze slachting slechts met hem spotten.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 175-179; Bellum Iudaicum I 660. Salomé en haar gemaal voerden de moord niet uit.Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae XVII 193f.; Bellum Iudaicum I 666. Dit bericht van Josephus werd door het huidige onderzoek algemeen als ahistorisch of als later verzinsel van Salomé gezien, om zich bij de door de stervende Herodes werkelijk in de hippodroom gevangengenomen aanzienlijke Joden geliefd te maken.