thumb|IJzendijke in 1649 door J. Blaeu thumb|IJzendijke - de Markt IJzendijke (Zeeuws: Iezndieke) is een stad in de gemeente Sluis, gelegen in het westen van Zeeuws-Vlaanderen in de Nederlandse provincie Zeeland en telt inwoners (). Tot april 1970 was IJzendijke een zelfstandige gemeente, waarna het tot 2003 deel uitmaakte van de gemeente Oostburg.

Geschiedenis Het oorspronkelijke IJzendijke lag aan de oever van de Braakman. Het was in de middeleeuwen - door de bloei van de Vlaamse linnen- en wolhandel - een welvarend handelsplaatsje en havenstadje, dat zelfs rond 1280 behoorde tot de Londense Hanze. De opbloeiende lakenweverijen in Vlaanderen verkochten hun producten namelijk overwegend in Engeland en vervoerden hun handelswaar via de havens van Brugge, Damme, Sluis, Aardenburg en IJzendijke. De handelaren exporteerden ook Rijnwijnen en brachten wol, tin, lood, huiden en bont uit Engeland mee terug. Het plaatsje verkreeg in 1303 stadsrechten en wordt nog steeds een stad genoemd.

Naast diverse kloosters was er in IJzendijke ook een hospitaal gevestigd. 'Hospitaal', afgeleid van het Latijnse 'hospitium', betekent 'gasthuis'. In de middeleeuwen werd een hospitaal gesticht om voor korte tijd onderdak te bieden aan passanten of lieden in nood. Normaliter werden er ook zieken opgenomen, zodat het hospitaal van lieverlede een ziekenhuis werd. Van dit Sint Jan's Hospitaal, door de Johannieter-orde gesticht, zijn de huisregels van 24 februari 1354 bewaard gebleven. Het is goed mogelijk dat dit hospitaal op dat moment nog als pesthuis fungeerde.

Kort na 1360 werd oud-IJzendijke bij diverse gelegenheden ernstig door de zee bedreigd. Het gebied rond de Braakman overstroomde allereerst op 9 oktober 1374 bij de Eerste Dionysiusvloed en vervolgens op 8 oktober 1375. Hierdoor ontstond ter plaatse de Zuudzee. Rond deze nieuw gevormde Zuudzee werden in de daaropvolgende jaren allerlei polders herdijkt en nieuwe parochies ingericht, maar vervolgens overspoelde de zee op 19 november 1404, bij de zogeheten Eerste Sint-Elisabethsvloed, het gehele gebied opnieuw. De landtong, waarop de stadjes IJzendijke en Hughevliet lagen, die in 1374 gespaard was gebleven, werd nu eveneens door de golven verzwolgen. (Daarentegen trof de Tweede Sint-Elisabethsvloed van 19 november 1421, die elders in Zeeland en Holland dood en verderf zaaide, het westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen niet.)

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd door de Spaanse hertog van Parma aan de noordwestkant van het vroegere stadje een schans met vier bolwerken aangelegd. Maar in 1604 verdreef Prins Maurits de Spanjaarden. De verdedigingswerken werden vervolgens onder leiding van de vestingbouwers Simon Stevin en Menno van Coehoorn uitgebreid tot een vrijwel oninneembare vesting van de Staatse troepen tegen de Spanjaarden.Jan Hutsebaut & Piet Lombaerde, Bastions zonder grenzen. Damme, Sluis, IJzendijke. (Sterck & De Vreese 2020).

Van 1610 tot 1616 was Joost van Laren (1586-1653) Nederlands-Hervormd predikant van de vesting. Het is aannemelijk dat hij de 'bouw-dominee' was van de in 1612 in gebruik genomen protestantse kerk. Later in de zeventiende eeuw was onder anderen Wilhelminus Comantius (ca. 1586-1653) predikant te IJzendijke. Het kerkgebouw, dat oorspronkelijk achthoekig van vorm was, werd tussen 1656 en 1659 uitgebouwd volgens plan van bouwmeester Sebastiaan de Roy uit Hulst en de plaatselijke timmerman Jan Willemsen. In 1792 werd een ontwerp gemaakt voor een nieuw glas-in-loodraam voor de kerk, waarop de heraldieke wapenen van dominee François Moens en zijn vrouw Anna d' Orville afgebeeld werden.

De vesting IJzendijke bood in de zeventiende en achttiende eeuw dapper weerstand tegen diverse bestormingen. Maar in de jaren 1747-1748 en 1794-1814 was IJzendijke in Franse handen. Napoleon beloonde zijn legeraanvoerders vaak met landgoederen; gevolg hiervan was dat in de laatstgenoemde periode een deel van de grond in Zeeuws-Vlaanderen eigendom werd van de Franse en Waalse adel. Ook na 1814 bleef een aanzienlijk deel van de grond in Franse en Waalse handen.

Na 1814 hief de Nederlandse regering de vesting IJzendijke grotendeels op. Tijdens de Belgische Opstand in 1830-1831 was zij voor de laatste maal uitgerust met manschappen, wapens en munitie. Op de ochtend van 2 augustus 1831 om 6 uur 's ochtends hield de opperbevelhebber van de Nederlandse troepen in Zeeuws-Vlaanderen, kolonel van de Infanterie Joseph Ledel (1779-1835) in IJzendijke krijgsberaad met de officieren van zijn troepen, waarna om 8 uur vanuit IJzendijke de aanval op de Belgische troepen bij de sluizen aan de Kapitalen Dam en op die bij de schansen bij het Verlaat geopend werd. Een compagnie van de 9e Afdeling Infanterie onder kapitein Schwarz en een compagnie schutters onder kapitein Deinema verdreven de Belgen op beide locaties. Tot 12 augustus daaropvolgend bleef het onrustig in Zeeuws-Vlaanderen wegens wederzijdse vijandelijkheden, maar daarna werd de gewapende vrede in West-Zeeuws-Vlaanderen hersteld.

Tussen 1841 en 1843 werden de laatste vestingwerken afgebroken, maar in de twintigste eeuw werd een klein gedeelte van de voormalige vesting gerestaureerd. De huidige Veste is hier het bewijs van.

Nederland, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) officieel neutraal was gebleven, werd na het beëindigen van de oorlogshandelingen geconfronteerd met het feit dat in ieder geval de Engelse en de Belgische regeringen Nederland van een 'pro-Duitse' houding tijdens de oorlog betichtten en herstelbetalingen eisten. Delen van Zuid-Limburg én Zeeuws-Vlaanderen in totaliteit zouden aan België toegewezen moeten worden bij de vredesonderhandelingen. Koningin Wilhelmina ging voor in het verzet tegen deze Belgische annexatieplannen, waarbij in Zeeuws-Vlaanderen een zeer strijdlustig 'Anti-Annexatie Comité' werd opgericht, onder voorzitterschap van de uit Aardenburg afkomstige dominee J.N. Pattist. Deze was voordien van 16 juli 1911 tot 15 maart 1914 predikant van de Hervormde Gemeente in IJzendijke geweest. Toen op 9 september 1919 in Hotel La Porte d' Or van J.C. Aerts op de Markt in IJzendijke een feestmaal werd aangericht door het IJzendijkse lid van dit comité, J.Th. Hendrikse, voor zijn medeleden, (waarbij uitsluitend orangistische spijzen op de menukaart stonden, zoals Koninginnensoep, Scheldevis met Oranjesaus en Anti-annexistische Patrijzen), was Pattist dan ook aanwezig.

Om de Nederlandse bezwaren tegen annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg internationaal onder de aandacht te brengen, werd zelfs in opdracht van de Nederlandse regering een film-documentaire vervaardigd, bestemd voor vertoning in het buitenland. Deze film werd in 1919 geregisseerd door Willy Mullens (Alberts Frères) voor Haghe Film in Den Haag. De deeltitel over Zeeuws-Vlaanderen is bekend als 'Glorieus bezoek aan Zeeuwsch-Vlaanderen van H.M. de Koningin ',Glorieus bezoek aan Zeeuwsch-Vlaanderen van H.M. de Koningin EYE Film Instituut Nederland waarvan geen kopie is bewaard gebleven (dit in tegenstelling tot het deel over Zuid-Limburg en het bezoek van Koningin Wilhelmina aan Maastricht op 1 maart 1919).

Koningin Wilhelmina bracht aldus op 5 maart 1919, maar ook op 16 september 1921 en op 8 augustus 1924 werkbezoeken aan de streek om de Nederlandse verbondenheid en haar betrokkenheid tot uiting te brengen. De krant Het Centrum schrijft over het bezoek in 1921 het volgende: "De auto's reden in flinke gang naar het oude stadje IJzendijke. Direct werd doorgereden naar het ruime marktplein waar heel de gemeente scheen saamgestroomd. Bij de woning van het echtpaar Cuelenaere heette de burgemeester, de heer A.E. Hendrikse, de vorstelijke familie welkom. In de woning werd een collectie oud porselein en zilverwerk bezichtigd, waarvan het genoemde echtpaar een museum heeft aangelegd. (...)". De boot waarmee de koninklijke familie de bezoeken in 1921 en 1924 bracht, de Hydrograaf, is heden ten dage bekend van de jaarlijkse landelijke intocht van Sinterklaas als de Pakjesboot 12.

Het laatste krijgsgeweld waar IJzendijke mee te maken kreeg is van jonger datum, namelijk van oktober 1944. Door de strijd om de Westerschelde tussen Duitsers en geallieerden (Operatie Switchback) kwam IJzendijke in de frontlinie te liggen. De schade was enorm, waaronder een zware explosie bij de geallieerden. Het oorspronkelijke karakter van het plaatsje is weer zoveel als mogelijk was in oude luister hersteld.

Bijnaam thumb|De Witte Juffer De bijnaam voor IJzendijke is Petit Paris. Waar die bijnaam vandaan komt is onzeker.

Er wordt verteld dat het vreemdelingen bij hun bezoek aan de paardenmarkten of de foor (kermis) altijd opviel hoeveel cafés IJzendijke had. De bijnaam zou dan verwezen hebben naar de gezellige - bijna Franse - uitgaanssfeer. Uit een artikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11 september 1912 blijkt overigens dat Zeeuws-Vlaanderen als geheel gemiddeld één café op 45 inwoners kende. In de gemeenten Hontenisse en Sint Jansteen was dat 1 op 35; in Eede, IJzendijke, Koewacht en Zuiddorpe 1 op 30; in Overslag, Philippine en Westdorpe 1 op 25 en in Sas van Gent 1 op 20 inwoners. IJzendijke had dus percentueel evenveel cafés als Eede, Koewacht en Zuiddorpe en percentueel minder cafés dan Overslag, Philippine en Westdorpe en veel minder dan Sas van Gent. Deze cijfers maken de hierboven genoemde verklaring van de bijnaam Petit Paris onwaarschijnlijk.

Een logischere verklaring voor de bijnaam is het gegeven dat zoveel bierhuizen, cafés, logementen, staminees, herbergen en hotels in IJzendijke Franse namen hadden, bijvoorbeeld La Porte d' Or, La Grande Place, Du Commerce, La Belle Vue en Café d' Anvers.

Mogelijk ook dat de aanwezigheid van een Franstalig internaat voor meisjes uit de betere kringen in de Koninginnestraat de (dan in oorsprong spottend bedoelde) bijnaam opgeleverd heeft. Dit rooms-katholieke internaat werd door de Franciscanessen van Dongen geleid, een van oorsprong Franstalige kloosterorde. Het is aannemelijk dat zowel met die francofone nonnen als met die Franssprekende 'chique' internen regelmatig de draak gestoken zal zijn.

Verreweg het meest voor de hand ligt echter de verklaring dat in IJzendijke verhoudingsgewijs veel inwoners de Franse taal beheersten, vanwege de gangbare communicatie tussen de Franse en Waalse adellijke landeigenaren en hun pachters.

Wapen en vlag

Het wapen van IJzendijke is vastgelegd op 31 juli 1817 en is geheel van vair, de heraldische weergave van eekhoorntjes-bont. Het schild is gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee parels en ter weerszijden gehouden door een engeltje van natuurlijke kleur, het rechtse houdende een doek van goud om zich heen geslagen, het linkse een doek van purper, het geheel staande op een grond van sinopel (groen).

Aan de gevel van het pand Markt 8, waar in de zeventiende eeuw stadsherberg De Witte Roos gevestigd was, is het wapen te zien, direct boven een afbeelding van een witte roos, die dus verwijst naar de vroegere naam van het pand. Bijzonder van het wapen van IJzendijke is dat er geen enkele voorstelling op het schild staat; het is alleen maar een egaal vlak met eekhoorntjesbont. Het wapenschild is (waarschijnlijk toevalligerwijze) identiek aan het schild van het - in de zeventiende eeuw uitgestorven - geslacht Van Boschhuysen.

De vlag, bestaande uit elf horizontale banen in de kleuren blauw en wit, de kleuren van het wapen, werd door de gemeenteraad vastgesteld op 1 oktober 1959.

Stoomtram Dat rond 1890 ook in Zeeuws-Vlaanderen het ondernemerschap hoogtij vierde, bewijst de geschiedenis van de IJzendijksche Stoomtramweg Maatschappij (IJzSM), die met de door haar geëxploiteerde tramlijn Schoondijke - Veldzicht de verbinding vormde tussen: de tramlijn IJzendijke - Drieschouwen van de Zeeuwsch-Vlaamsche Tramweg-Maatschappij (ZVTM); de tramlijn Veldzicht / Watervliet – Eeklo van de Belgische Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen (NMVB);