De Democratische Republiek Georgië (DRG; Georgisch: , ) was de eerste republiek van Georgië, die bestond van mei 1918 tot februari 1921, met hoofdstad Tbilisi (Tiflis). De republiek werd opgericht in de nasleep van de Russische Revolutie van 1917 en werd bestuurd door de Sociaaldemocratische Partij van Georgië.
Het Duitse Keizerrijk steunde Georgië door de stationering van troepen, maar na het einde van de Eerste Wereldoorlog hadden de Britten tot juli 1920 het mandaat over het zuidwesten van Georgië. Internationale erkenning van de republiek kwam langzaam op gang door een weifelende houding van de geallieerden. Het Rode Leger veroverde Georgië in februari 1921, waarna de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek werd uitgeroepen en werd ingelijfd in de Sovjet-Unie.
De republiek staat voor Georgiërs symbool voor de strijd voor onafhankelijkheid en het culturele lijfsbehoud tegen verschillende vijanden in de regio en wordt herinnerd als een pluriforme democratie met respect voor mensenrechten. Georgië was een van de eerste landen in Europa met vrouwenkiesrecht en nam een voor die tijd uitgesproken progressieve grondwet aan.
Achtergrond miniatuur|Ilia Tsjavtsjavadze, aanjager van het Georgisch nationaal en cultureel zelfbewustzijn. Georgië werd in de eerste helft van de 19e eeuw gaandeweg door het Russische Rijk ingelijfd. Vanaf de jaren 1870 kwam onder de intelligentsia een Georgisch nationaal en cultureel zelfbewustzijn op. Mede daardoor kon Georgië zich na de Russische Revolutie van Rusland losmaken.
Cultureel zelfbewustzijn Schrijver en journalist Ilia Tsjavtsjavadze was een van de voornaamste inspirators van het groeiende Georgische zelfbewustzijn. Hij gaf vanaf 1877 Iveria uit, een politiek-literaire krant die een platform was voor de intellectuele strijd tegen de Russische overheersing en de russificatie van Georgië. De groep rond Tsjavtsjavadze stond bekend als Pirveli Dasi ('Eerste Groep'). Later ontstond Meore Dasi ('Tweede Groep') die een radicalere koers koos. Geen van beide bewegingen streefde naar onafhankelijkheid, wel naar een progressief Rusland waar universele mensenrechten gerespecteerd zouden worden, evenals lokale talen, culturen en tradities.
Onder invloed van Tsjavtsjavadze kwam een nieuwe generatie schrijvers op, met Iakob Gogebasjvili als gezaghebbende exponent. Hij legde zich toe op het Georgisch taalonderwijs voor kinderen en stelde dat Georgië enkel weer zelfrespect kon krijgen door herwaardering van de Georgische taal. Het Georgisch nationalisme werd verder aangejaagd door de repressieve wind die in de jaren 1880 onder tsaar Alexander III waaide, waarbij taal-, religieuze en andere burgerrechten werden beknot en dissidentie tegen het regime werd onderdrukt.
Opkomst sociaaldemocratie De vrijheidsidealen kregen een politiek element onder invloed van 'Het Kapitaal' van Karl Marx, dat bij een jongere generatie Georgische intellectuelen beklijfde. Dit leidde in 1892 tot de oprichting van Mesame Dasi ('Derde Groep') op initiatief van schrijver Egnate Ninosjvili. Dit was de eerste sociaaldemocratische partij in de Kaukasus, die later transformeerde in de Sociaaldemocratische Partij van Georgië. Op de eerste bijeenkomst in Kvirila waren hoofdrolspelers van de toekomstige Georgische republiek aanwezig, onder wie Noë Zjordania en Nikoloz Tsjcheidze.
Na afloop schreef Zjordania het partijmanifest 'Economische Vooruitgang en het Nationale Vraagstuk', dat een uitgebreide uiteenzetting was van de marxistische economische doctrine toegepast op Georgische omstandigheden. Hij kon zich de opmars van het socialisme niet voorstellen zonder een overgang van feodalisme naar kapitalisme. Dat was een breuk met de opvatting van andere Georgische socialisten, die van mening waren dat de fase van kapitalisme kon worden overgeslagen. Het manifest werd in februari 1893 op de tweede bijeenkomst in Tbilisi unaniem aangenomen, waarmee de basis werd gelegd voor de mensjewistische sociaaldemocratie in Georgië.
Het socialistische activisme schoot wortel in de mijnbouwsteden Tkiboeli en Tsjiatoera, gebieden met een grote concentratie van arbeiders. Verschillende hoofdrolspelers weken uit naar het buitenland uit vrees voor arrestatie. Zjordania vluchtte naar Europa waar hij in vier jaar tijd een uitgebreid netwerk opbouwde.
Goeriaanse Republiek miniatuur|Volkstribunaal in Ozoergeti, Goeria (1905). In 1902 vond in de West-Georgische provincie Goeria een boerenopstand plaats, waarna de Goeriaanse Republiek werd uitgeroepen. De rebellie tegen het feodale landbeleid begon in het dorp Nigoiti om de graasrechten van boeren en werd gesteund door de sociaaldemocraten. De provincie kende een geschiedenis van verzet tegen de Russische machthebbers. In 1841 had er ook al een anti-Russische opstand plaatsgevonden.
Na de revolutie van 1905 werd de rebellie in Goeria neergeslagen, maar desondanks werd de provincie de bakermat van de Georgische mensjewieken. Het was het voorland van de Georgische onafhankelijkheid een decennium later. Historicus Jones beargumenteerde dat de sociaaldemocraten de privatisering van land steunden om een burgerlijke revolutie op het platteland te bevorderen. Ze vormden daarmee het eerste prototype van de op boeren gebaseerde nationale bevrijdingsbewegingen die vanaf 1917 centraal kwamen te staan in Lenins eigen anti-koloniale beleid.
Revoluties miniatuur|Regionale Kaukasische sovjet (mei 1917). Onder leiding van Zjordania werd in 1916 in Lantsjchoeti een conferentie van de Sociaaldemocratische Partij gehouden, waar besloten werd dat Georgië de onafhankelijkheid zou kunnen verklaren op het moment dat Rusland verslagen zou worden in de Eerste Wereldoorlog. Na de Februarirevolutie van 1917 verdampte het tsaristische bestuur in Transkaukasië en ontstond er een politiek vacuüm. De bestuurlijke bevoegdheden kwamen in handen van het Speciaal Transkaukasisch Comité (Ozakom) van de Russische Voorlopige Regering.
De volksvertegenwoordigingen (sovjet) in Georgië waren in handen van de Sociaaldemocratische Partij, die de Voorlopige Regering in Petrograd (Sint-Petersburg) steunde. De Georgische mensjewieken hadden invloed in het Russisch bestuur: Nikoloz Tsjcheidze was voorzitter van de sovjet van Petrograd en Irakli Tsereteli was een prominent minister in de Voorlopige Regering. Beide gremia eisten de jurisdictie over heel Rusland op. Lev Trotski en de bolsjewieken koesterden achterdocht jegens de Georgiërs in het Russische bestuur en vreesden dat ze de revolutie naar hun hand zouden zetten.
Zjordania werd in 1917 verkozen tot voorzitter van de sovjet van Tbilisi en speelde in die hoedanigheid een leidende rol in de consolidering van de mensjewistische macht in Georgië. De bolsjewistische Oktoberrevolutie in 1917 veranderde de situatie dermate dat Zjordania, die in Petrograd was, ervan overtuigd raakte dat de mensjewieken niet in staat zouden zijn om de macht in Rusland te verwerven. Hij keerde naar Georgië terug en kwam tot de conclusie dat het land zijn eigen weg moest gaan.
Afscheiding miniatuur|De Nationale Raad van Georgië op de dag van de onafhankelijkheidsverklaring (26 mei 1918). De Transkaukasische door mensjewieken gecontroleerde sovjets erkenden de post-revolutionaire regering van Vladimir Lenin niet. De anarchie nam toe in de regio en er ontstonden chronische voedseltekorten. Tienduizenden deserterende bolsjewistische soldaten die op de terugweg waren van het Kaukasisch front bedreigden Tbilisi en veroorzaakten muiterijen in Gori en Koetaisi. De Georgische, Armeense en Azerbeidzjaanse politici zagen zich hierdoor genoodzaakt een verenigde regionale autoriteit op te richten, het Transkaukasisch Commissariaat geleid door de Georgiër Evgeni Gegetsjkori.
De aanpak van de acute problemen in Georgië oversteeg de mandaten van de bestaande gremia. Op 3 november 1917 (O.S.) werd daarom besloten het Nationaal Congres van Georgië op te richten dat hier verdere besluiten over moest nemen. Dit orgaan hield van 19 tot 22 november 1917 zijn eerste bijeenkomst en werd voorgezeten door Zjordania. Aan het congres namen 329 gedelegeerden deel die door een mandaatcommissie waren geselecteerd. Zij vertegenwoordigden de verschillende politieke gremia in Georgië, evenals vakbonden, het leger, ondernemingen, culturele instellingen, de pers, de adel en etnische minderheden.
miniatuur|Noë Zjordania leidde Georgië naar de onafhankelijkheid. Op basis van een rapport van Zjordania werd door het Nationaal Congres een resolutie aangenomen die opriep tot "volledig zelfbestuur van het grondgebied van Georgië met een eigen wetgevende vergadering over lokale kwesties". Ook werd besloten tot de oprichting van de wetgevende Nationale Raad van Georgië. De leden van dit parlementaire orgaan werden tijdens het Nationaal Congres gekozen en waren van verschillende politieke partijen en etnische achtergrond. Zjordania werd gekozen tot de voorzitter van zowel de raad als het presidium ervan.
De wapenstilstand van Erzincan van 18 december 1917 tussen het Ottomaanse Rijk en het Transkaukasisch Commissariaat moest rust brengen in de Oost-Anatolische gebieden waar zowel Rusland als de Ottomanen aanspraak op maakten. Dit kon niet voorkomen dat Enver Pasja's leger in februari 1918 een groot gebied heroverde. De Vrede van Brest-Litovsk tussen de centrale mogendheden en de Ottomanen betekende een flink verlies van territorium voor Georgië. Het verdrag maakte de herovering van historisch Georgisch gebied in de voorgaande eeuw ongedaan en werd derhalve niet erkend door de Georgiërs.
Intussen werd de autocefaliteit van de Georgisch-Orthodoxe Kerk hersteld en werd in januari 1918 de Universiteit van Tbilisi opgericht, een Georgischtalige instelling en de eerste universiteit in de Kaukasus. Op 23 februari 1918 werd de wetgevende Transkaukasische Sejm opgericht, die net als het Transkaukasisch Commissariaat in Tbilisi zetelde. Twee maanden later werd door de Georgische voorzitter van de Sejm Nikoloz Tsjcheidze de Transkaukasische Democratische Federatieve Republiek uitgeroepen, die Georgië, Armenië en Azerbeidzjan verenigde. De regering hiervan werd geleid door de Georgiër Akaki Tsjchenkeli. Verdeeldheid over met name Ottomaans Turkije verscheurde de federatie in korte tijd, wat blootgelegd werd tijdens de vredesbesprekingen die op 11 mei 1918 in Batoemi van start gingen.
De Armeniërs en Georgiërs wilden dat de Ottomanen hun opmars naar het noorden en oosten zouden stoppen en zich zouden houden aan de afgesproken grens in het Verdrag van Brest-Litovsk. De Ottomanen hadden via dat verdrag de provincies Batoemi, Ardahan en Kars al toegekend gekregen die met de Vrede van San Stefano in 1878 nog onder Russisch gezag waren gekomen. De Azerbeidzjanen wilden juist meer Ottomaanse invloed in de regio. Na vijf weken viel de Transkaukasische republiek uit elkaar toen de Georgiërs eruit stapten en zich onafhankelijk verklaarden.
Onafhankelijkheid miniatuur|Akte van onafhankelijkheid, ondertekend door de 88 leden van de Nationale Raad van Georgië. Voorzitter Noë Zjordania van het presidium van de Nationale Raad van Georgië riep op 26 mei 1918 de Democratische Republiek Georgië uit, waarna de akte van onafhankelijkheid ondertekend werd door alle 88 leden van de Nationale Raad van Georgië. De akte verklaarde het Georgische volk soeverein en volwaardig onafhankelijk in een neutrale 'democratische republiek'. Tevens beloofde het de burgerrechten en politieke rechten van al haar burgers gelijkelijk te waarborgen, ongeacht hun etniciteit, geloof, sociale status en geslacht en werd een grondwetgevende vergadering aangekondigd. Binnen enkele dagen werd een regering gevormd, die in de eerste maand geleid werd door Noë Ramisjvili, waarna Zjordania premier werd.
Duits protectoraat