Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) was het Nederlandse leger in de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Het vormde van 1814 tot 1830 een onderdeel van het Nederlandse leger en heeft officieel als zelfstandig leger bestaan van 1830 tot 1950. Het Nederlands-Indische leger ressorteerde onder het ministerie van Koloniën en bestond uit beroepsmilitairen die zowel binnen als buiten Nederlands-Indië geworven werden. Het KNIL heeft tussen 1814 en 1914 vele militaire veldslagen en expedities uitgevoerd die uiteindelijk resulteerden in de verovering van het gebied dat nu de Republiek Indonesië vormt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het KNIL samen met de Koninklijke Marine de Nederlandse inbreng in de geallieerde verdediging van het gebied tegen de Japanse invasie. Tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog was het KNIL onderdeel van de Nederlandse troepenmacht. Na de overdracht van de bestuurlijke bevoegdheden aan de nieuwe republiek werd het koloniale leger ontbonden.

Voorgeschiedenis Nederlanders in de Indische Archipel Zowel over land als over zee werd er al vanaf de oudheid gehandeld in specerijen tussen Azië, Afrika en Europa. Nadat de Portugezen als eerste Europeanen, door Bartolomeu Dias, een scheepsroute vonden langs Kaap de Goede Hoop, kwamen de Nederlanders er snel achteraan. Bestaande Aziatische handelsroutes werden overgenomen en concurrenten uitgeschakeld door de aanschaf en installatie van kanonnen met superieure vuurkracht aan boord van de Europese schepen. Na een aantal voor Nederlandse kooplieden succesvolle reizen, werden verschillende Nederlandse scheepvaartondernemingen (toen: compagnieën) in 1602 samengevoegd tot de Vereenigde Oostindische Compagnie, die zo binnen de Lage Landen als enige partij alle handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop tot aan de Straat van Magellaan in handen had. De VOC streefde naar een monopolie in de handel in nootmuskaat, foelie en kruidnagelen. Deze geliefde specerijen groeiden alleen in de Zuid-Molukken. Om dat doel te bereiken besloot Jan Pieterszoon Coen in 1621 om een groot deel van de bevolking van de Molukse Banda-eilanden te vermoorden en de rest te verdrijven. De ontvolkte eilanden werden vervolgens bevolkt met slaven, die uitsluitend aan de compagnie leverden. Omdat de Nederlanden oorlog voerden met Spanje, dat een unie vormde met Portugal, voerde de Compagnie ook aanvallen uit op alle overzeese Portugese nederzettingen. thumb|left|Kasteel van Batavia Coen veroverde in 1619 Jakarta en vestigde daar de nieuwe hoofdplaats van de Compagnie in Indië, Batavia. Voortdurend breidde de invloed van de VOC zich uit en in 1640 waren vele handelsposten en nederzettingen van de Portugezen in de Archipel veroverd en overgenomen door de Compagnie. Tegen het eind van de 17e eeuw werd er definitief vrede gesloten met het Sultanaat Bantam en kwamen de omliggende gebieden van Batavia, op zowel de eilanden Java als Sumatra in handen van de VOC. In de 18e eeuw werden meerdere Javaanse koninkrijken onderworpen aan de VOC met behoud van de feodale structuur. Verschillende oorlogen en het in stand houden van de gebieden was uiteindelijk economisch niet houdbaar en aan het eind van de 18e eeuw werd de VOC opgeheven. Hierop kwamen al deze gebieden direct in handen van de Nederlandse staat.

Na de Franse verovering van Nederland en de daaropvolgende gevechten met onder meer Engeland, kwamen de Indische bezittingen kortstondig onder Frans-Nederlands bestuur, vervolgens Engels bestuur om uiteindelijk na het definitieve verlies van Napoleon weer bij Nederland te behoren. Onder toezicht van de gouverneur-generaal, werd het plaatselijke bestuur opgedragen aan residenten en inheemse regenten en verdere ambtenaren. Java werd in drie arrondissementen verdeeld met als hoofdplaatsen Batavia, Semarang en Soerabaja en in drie militaire afdelingen. De 21 residenties en assistent-residenties waren weer in regentschappen verdeeld; de Vorstenlanden (Soerakarta of Solo en Jogjakarta) waren onderworpen aan het Nederlands-Indisch gouvernement, maar werden geregeerd door eigen vorsten. Zowel de vorsten, andere heersers als ook vele lokale bewoners weigerden zich vaak te onderwerpen aan de Nederlandse staat die daarop haar militaire aanwezigheid liet toenemen wat resulteerde in een koloniaal leger.

Het Nederlands Indische leger Samenstelling en grootte thumb|Landschap met KNIL-soldaten (ca. 1860) Het Nederlands-Indisch leger was de koloniale strijdmacht van de Nederlandse staat vanaf het ontstaan van de kolonie Nederlands-Indië in 1814. Alhoewel deze Indische strijdmacht aanvankelijk ook te beschouwen is als onderdeel van het Nederlandse leger, was de afstand tussen Nederland en kolonie dusdanig ver dat alle besluiten lokaal genomen werden. De ontwikkeling tot een zelfstandig leger voltrok zich bij de officiële formatie, vastgesteld bij Besluit van gouverneur-generaal Van den Bosch van 4 december 1830 nummer 1, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 10 maart 1832 nummer 93 en 94. De formatie van het leger, die ook andere nationaliteiten telde, was gebaseerd op een reorganisatie van de strijdkrachten in Indië na afloop van de Java-oorlog. Het leger telde in 1830 603 Europese officieren, 37 inheemse officieren, 12.905 onderofficieren en minderen, waarvan 5.699 Europeanen en 7.206 inheemsen. De krijgsmacht werd in 1836 door koning Willem I begiftigd met het predicaat Koninklijk, maar dat zou tot 1932 nauwelijks worden gebruikt. Rond 1850 was de sterkte van het Nederlands-Indische leger bepaald op 27.000 man, van wie ongeveer 10.000 Europeaan was. Afrikaanse troepen (Orang Blanda Itam) waren geronseld aan de Afrikaanse west-kust, met name Guinea. Naarmate de contracten verliepen, nam het aantal Afrikaanse soldaten bij het Indische leger af. In de regel waren er per bataljon één of twee Nederlandse compagnieën, één of twee Ambonese dan wel Inlandse en één Afrikaanse compagnie(ën). De inlandse troepen (ter onderscheid van de Ambonese) waren gerekruteerd op Java of de andere eilanden; het leger was daardoor zeer divers en bestond uit gemengde brigades. Veel soldaten spraken verschillende talen of dialecten en hadden verschillende religies. Het waren hoofdzakelijk moslims, hindoes en christenen). Nederlandse officieren hadden de taak uit deze diversiteit een effectief functionerend militair apparaat te formeren. Intern leidde dat vaak tot discussies, zoals over de positie van inheemse officieren en of het acceptabel was dat zij Europese minderen commandeerden. Pas zeer laat werden alle wapens opengesteld voor alle landaarden; de hogere rangen bleven evenwel overwegend Europees.Vilan van de Loo (2022), Een eervol bestaan. De geschiedenis van het KNIL, 1814-1950, Prometheus, Amsterdam

Ter illustratie de groei van het Nederlands-Indische leger in de periode 1830-1930: JaarAantalJaarAantal1830 13.5451840 19.9941871 28.0961880 31.9811882 29.8171915 35.8841922 36.5771925 33.2661926 32.5001927 36.5001929 38.3181930 36.922

Gedurende de negentiende eeuw werd het Indische leger ingezet tegen verschillende onlusten, ongeregeldheden en opstanden en vocht het oorlogen tegen lokale vorstendommen en gebieden. In deze woelige periode ging bijna geen jaar voorbij zonder dat de Nederlandse troepen in het een of ander deel van het eilandrijk moesten optreden, dikwijls in verschillende gebieden tegelijk. Deze koloniale oorlogen hebben vele honderdduizenden oorspronkelijke bewoners en tienduizenden militairen en strijders het leven gekost. Door de jarenlange onophoudelijke expedities werd uiteindelijk Nederlands-Indië onderworpen en kon de uitbuiting van deze gewesten op allerlei manieren ter hand worden genomen, onder meer om de vele oorlogen te kunnen bekostigen. Het leger ontving hiervoor vele blijken van koninklijke waardering, een lange reeks militairen werd gedecoreerd met de Militaire Willems-Orde, ingesteld door koning Willem I, bij de wet van 30 april 1815, talrijke eresabels en eervolle vermeldingen werden uitgereikt. Het ridderkruis der Militaire Willems-Orde werd gehecht aan het vaandel van drie corpsen, namelijk het derde en het zevende bataljon infanterie en het Korps Marechaussee, ook het predicaat Koninklijk werd geschonken aan het leger. Ondanks de veroveringen legden de oorspronkelijke bewoners zich niet neer bij de Nederlandse overheersing waardoor de sterkte van het Nederlands-Indische leger steeds verder moest worden opgevoerd; naarmate de pacificatie in verschillende gewesten voortschreed nam de sterkte van de buiten Java gelegerde troepen af. In de loop van de twintigste eeuw richtte het leger zich ook op het bestrijden van een buitenlandse vijand. Hiertoe werd de dienstplicht voor Europeanen in 1917 ingevoerd en kwam in 1922 en 1925 een nieuwe formatie van het KNIL tot stand. Na bezuiniging van landsuitgaven bedroeg de totale sterkte van het leger in 1925 1.274 officieren en 31.988 onderofficieren en minderen. In 1929 was de toestand, voor wat betreft de werkelijke sterkte, als volgt: 1.136 officieren, 143 onderluitenants, 6.743 Europese onderofficieren en minderen en 30.296 niet-Europese onderofficieren en minderen; de sterkte op Java bedroeg wat betreft de infanterie 323 officieren, 56 onderluitenants, 3.683 Europese onderofficieren en minderen en 15.926 niet-Europese onderofficieren en minderen. Die der buitengewesten 237 officieren, 27 onderluitenants, 763 Europese onderofficieren en minderen en 11.125 niet-Europese onderofficieren en minderen. Een indeling van niet-Europese militairen afkomstig uit de veroverde gebieden gaf het volgende beeld:14.050 Javanen, 8.731 Ambonezen en Menadonezen, 1.199 Soendanezen, 126 Madoerezen, 99 Boeginezen, 78 Atjehers, 272 Maleiers en 1.358 Timorezen.

Veroveringen door het KNIL in de negentiende eeuw thumb|300px|Cavalerie in het Oost-Indisch leger in mars en klein tenue in 1896. thumb|300px|Cavalerie in het Oost-Indisch leger in Groot Tenue in 1896. thumb|300px|Bergartillerie.

Het Nederlands-Indisch leger voerde op bevel van de Nederlandse staat een hele reeks oorlogen tegen de lokale heersers en bevolking om zo een gebied in handen te krijgen zoals dat nu door de staat Indonesië wordt gevormd. Het resultaat van de oorlogen was dat de bevolking onderworpen werd aan het zogenaamde 'cultuurstelsel', de economische uitbuiting door de Nederlandse staat. De belangrijkste oorlogen waren de Java oorlog (1825-1830) waarbij ongeveer 15.000 KNIL soldaten en 20.000 Javaanse strijders als ook 200.000 burgers omkwamen en de Atjehoorlog (1873-1913) waar vrijwel de gehele bevolking zich tientallen jaren tegen Nederlandse overheersing heeft verzet. Daarnaast voerde het KNIL ook semi-oorlogen en strafexpedities uit om gebieden die zich tegen Nederlandse overheersing verzetten te onderwerpen. Zo duurde het van 1846 tot 1908 voordat het eiland Bali volledig onderworpen was aan Nederlands gezag, waarbij duizenden Balinezen de dood vonden in gevechten als ook door zelfmoord te plegen.