Dit artikel handelt over de geschiedenis van de stad Gent.
Oorsprong thumb|300px|Gent in de 10de eeuw op een tekening uit 1885 (A = Leie, B = Schelde) Geologisch gezien behoort de Gentse regio tot de Noordwest-Europese laagvlakte, een uitgestrekt gebied met verre horizonten, een laag reliëf en een dicht net van waterlopen, waarvan de belangrijkste in de Noordzee uitmonden. Gent is ontstaan aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, de twee voornaamste rivieren die het lage en waterrijke landschap van Zandig Vlaanderen bepalen. Water oefent een grote aantrekkingskracht uit op mensen. Dat is vandaag zo, maar het gold ook bijna 60.000 jaar geleden, toen de eerste mensen in deze streek rondtrokken. De plek bij de samenvloeiing, de latere Sint-Baafsabdij, wordt beschouwd als de ankerplaats in Gent voor de overgang van de premiddeleeuwse nederzettingen naar de middeleeuwse stad. Vaak wordt aangenomen dat de oudste nederzetting in Gent dateert uit de Gallische (of Keltische) tijd en dat de naam Gent zou afkomstig zijn van de Keltische waternaam Gond, verbasterd naar het Germaanse Gand, waarvan het Latijnse Gandavum is afgeleid. Maar er zijn vroegere sporen van nederzettingen en bewoning in de regio.
Sporen van een rijk verleden In de Gentse bodem vinden archeologen menselijke sporen uit verschillende tijdperken. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid op het Gentse grondgebied dateren van het middenpaleolithicum (55.000-35.000 jaar voor onze tijdrekening) of de middenperiode van de oude steentijd. Ze komen alleen aan het licht bij diepe graafwerken zoals bij de aanleg van de Blaarmeersen. De sporen verwijzen naar Neanderthal-mensen die tussen de twee laatste glacialen de Gentse regio bezochten. Het landschap zag er nog volledig anders uit. De rondtrekkende mensen leefden voornamelijk van de jacht op groot wild en het verzamelen van eetbare planten en vruchten.
Op de hogere zandruggen in de nabijheid van waterlopen, zowel bij de samenloop van Leie en Schelde als langs de Kale-Durme ten noorden van de stad, troffen archeologen al talrijke microlieten aan. Ze dateren ongeveer 8000-4000 jaar voor onze tijdrekening. Omstreeks 3000 jaar voor onze tijdrekening, naar aanleiding van de neolithische revolutie evolueerde het nomadische bestaan in de streek geleidelijk naar een meer sedentaire levenswijze. Bosgebied werd ontgonnen voor de aanleg van akkers en weiden en voor de oprichting van nederzettingen. Die bestonden uit van hout en leem opgetrokken boerderijen. De oudste metalen voorwerpen die in Gent werden gevonden, zijn zwaarden en sieraden uit de Bronstijd (vanaf ongeveer 1700 jaar voor onze tijdrekening). Ze kwamen in Gent terecht via immigranten of rondreizende bronsgieters en via ruil. De kenmerken van het metaal wijzen op handelsbetrekkingen met Atlantisch Europa (Britse eilanden, West-Frankrijk).
Grote cirkelvormige grafmonumenten uit de vroege en midden bronstijd, zoals onder meer de exemplaren aan de Hogeweg, laten vermoeden dat de maatschappij hiërarchisch was georganiseerd en geleid werd door een, mogelijk militaire, topklasse. Verspreid over het Gentse grondgebied worden sporen aangetroffen die verwijzen naar bewoning in de ijzertijd (van 700 jaar voor onze tijdrekening tot de komst van de Romeinen). De erven omvatten houten hoofd- en bijgebouwen, binnen greppelstructuren. Diverse kuilen hadden mogelijk een sacrale of rituele betekenis. Een belangrijk aspect was de introductie van ijzer dat vooral uit de streek van Samber en Maas werd aangeleverd. Toch wijzen vondsten in Gent ook op de vervaardiging van objecten uit het lokale moerasijzererts of limoniet. Tijdens de late ijzertijd (van 500 à 450 jaar voor onze tijdrekening tot aan de Romeinen) of de La Tène-periode kwam de streek onder Keltische invloed. Tijdens die laatste fase van de voorgeschiedenis werden ook voor het eerst munten geslagen.Archief Gent, https://stad.gent/nl/cultuur-sport-vrije-tijd/cultuur/erfgoed/archief-gent. Gearchiveerd op 3 oktober 2019. Stadsarcheologie Gent, https://web.archive.org/web/20191003122947/https://stad.gent/nl/cultuur-sport-vrije-tijd/cultuur/erfgoed/stadsarcheologie
Romeinse en Frankische invloed Het Romeinse leger landde tussen 58 en 51 v.C. in Gallië. De Romeinen namen het zuiden van de Lage Landen in en zo werd de Gentse regio deel van een immens rijk waarin de politiek, economie en maatschappij sterk georganiseerd was. De inheemse gebruiken bleven echter wel tot in de 1ste eeuw van deze tijdrekening doorleven. De Romeinse invloed was onder meer zichtbaar in het wegennet, de bouwtechnieken, het geloof, de dodencultus en gebruiksgoederen. Rond de grotere nederzetting aan het rivierenknooppunt dat later Gent zou worden, waren er in de 2de en de 3de eeuw verschillende kernen die werden bewoond. Dit waren toen vooral boerderijen in een inheems-Romeinse traditie. Vanaf het midden van de 3de eeuw moest het Romeinse Rijk het hoofd bieden aan de Franken. De Franken staken de Rijngrens over en plunderden diep in Gallo-Romeins gebied. De nederzettingen in de Gentse regio konden echter overleven, tot zeker in de tweede helft van de 4de eeuw. Door de invallen kwam er een militaire reorganisatie en tijdens de 3de eeuw werd extra nadruk gelegd op verdediging van nederzettingen. Daarom worden laat-Romeinse vondsten in westelijk België meestal in verband gebracht met het idee van een versterkte nederzetting of castellum.
In de loop van de 5de eeuw verschoof het gezag over de regio van de Romeinen naar de Salische Franken en op deze manier kwam Gent in de Germaanse leefwereld terecht. Over het hele grondgebied lagen er tussen de 5de en de 7de eeuw kleine Merovingische nederzettingen verspreid. Dit waren vaak groepen van boerenfamilies die van landbouw en veeteelt leefden. Ze gaven de voorkeur aan de hoger gelegen, drogere zandgronden die uitkeken over het landschap. Ook toponymie en geschreven bronnen duiden op het bestaan van talrijke vroegmiddeleeuwse nederzettingen. Het Germaanse woord voor woning, ‘haima’, vinden we vandaag nog in het suffix ‘-gem’ of ‘hem’ in verschillende Gentse plaatsnamen. Sommige van de oorspronkelijke nederzettingen groeiden uit tot dorpen zoals het hedendaagse Wondelgem en Sint-Denijs-Westrem. Andere nederzettingen worden herinnerd door hergebruik van de namen in wijken, gehuchten of straten zoals Ekkergem, Rooigem, Kolegem en Sint-Pieters-Aaigem.
Twee abdijen Gent had vanaf de 7de eeuw twee grote abdijen: de Sint-Baafs- (625-650) en de Sint-Pietersabdij (na 650), die mee de stad hielpen vormen. De abdijen waren het gevolg van de kerstening van de regio onder invloed van de Merovingische koning Dagobert I en zijn Aquitaanse zendeling Amandus. De Sint-Pietersabdij, ook wel Blandinium genoemd, ontstond als een missiepost op een koninklijk domein langs de Schelde, op de Blandijnberg. De Sint-Baafsabdij kwam voort uit een kerk die was gesticht in de nederzetting Ganda aan de samenvloeiing van Leie en Schelde. De stad was in de 9de eeuw zo belangrijk dat Lodewijk de Vrome, Einhard tot abt van beide abdijen benoemde. De abdijen werden onder Karel de Grote Karolingische rijkskloosters en werden ingeschakeld in de politiek van de Frankische vorst. Het verbaast dan ook niet dat lekenabt Einhard de biograaf was van Karel de Grote.
In 851-852 en opnieuw tussen 879 en 883 verwoestten de Vikingen de stad en vestigden zich lange tijd in de portus aan de Schelde ter hoogte van het huidige Geeraard de Duivelsteen en Sint-Baafs. Deze invallen waren nefast voor de Sint-Baafsabdij en ze bleef jarenlang verlaten. Gedurende deze periode was de Sint-Pietersabdij de belangrijkste abdij in de Gentse regio. Kort na de invallen van de Vikingen, aan het einde van de 9de eeuw, werd een castrum opgericht door Boudewijn II de Kale op de plaats van het huidige Gravensteen. De bewoners hergroepeerden zich waarschijnlijk daar (Oudburg) en op de Graslei aan de Leie. Gent groeide uit verschillende kernen samen tot een grote stad.
Opkomst van internationale handel Eens de Noormannen het Scheldegebied hadden verlaten probeerden edelen de regio weer in handen te krijgen. Omdat de Sint-Baafsabdij had geleden onder de plundertochten, verplaatsten de economische activiteiten zich zuidelijker langs de Schelde. Daar ontstond een van de eerste middeleeuwse handelsnederzettingen. Die "stad" was een gebied van ongeveer 6 hectare binnen een omwalling aanpalend aan de Schelde. Binnen dit domein lagen onder meer de burcht die later bekend zal staan als het Geeraard de Duivelsteen en een haven. De rivieren Leie en Schelde stroomden en kronkelden in het Gentse gebied waardoor veel gronden of de meersen periodiek onder water liepen. Die grond was dus niet ideaal voor landbouw, maar beter geschikt voor schapenteelt. Gent zou eeuwenlang de belangrijkste stad van de Nederlanden zijn voor laken (gemaakt van wol), linnen (gemaakt van vlas, met in de 19de eeuw de grootste vlasfabriek van West-Europa) en katoen (de eerste geïndustrialiseerde stad van het vasteland, ook het Manchester van het vasteland genoemd.) Naast lakenhandel heeft de portus zijn ontstaan en initiële groei te danken aan de lokale handel gebaseerd op landbouwoverschotten. Zo kwamen er vanaf het midden van de 10de eeuw enorme hoeveelheden wol naar Gent, overschotten afkomstig van de vele schaapsweiden langs de Vlaamse en Zeeuwse kusten die op dat moment ook eigendom waren van de Gentse abdijen. Die wol stimuleerde de ontwikkeling van een op export gerichte lakennijverheid en was de voornaamste stimulans voor de internationale handel. Om de aanvoer van grondstoffen zoals Engelse wol te garanderen, onderhielden de Gentse textielambachten zo goed mogelijke relaties met Engeland. Dit zorgde echter voor wrevel met de traditionele pro-Franse koers van de Vlaamse graaf en het stadspatriciaat. Deze tegenstelling tekent de verdere geschiedenis van Gent.
Grootste stad van de Lage Landen thumb|Gent in 1534 thumb|Het belfort was een symbool van de Gentse stedelijke macht Vanaf het jaar 1000 was Gent gedurende enkele eeuwen de grootste stad van de Nederlanden (tot rond 1550). Gent was bijvoorbeeld groter dan Keulen, de grootste stad van het Heilige Roomse Rijk, en na Parijs en Londen, de grootste stad van Noordwest-Europa. Keizer Karel zei van Gent “Je mettrai Paris dans mon Gant/-d” (“Ik zou Parijs in mijn handschoen/Gent steken”). In de 13de eeuw telde de stad zo'n vijftig- tot zestigduizend inwoners.Gids voor Vlaanderen, p.402, Uitgeverij Lannoo, 2007 À propos du mot de Charles-Quint: «Je mettrais Paris dans mon Gand», uit "Bulletijn der Maatschappij van Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent", p.50 e.v., 1909 Gent, Apologie van een rebelse stad. Geschiedenis-kunst-cultuur Mercatorfonds, 1989
De omwalde middeleeuwse stad In de 10de en 11de eeuw namen versterkingen de economische rol over van de kloosters en werden rijke handelaars grondeigenaars. In de 10de eeuw kende Gent een belangrijke groei en strekte de 'portus Gandavum' zich uit tot aan de Leie en zelfs erover. Ook de verschillende graven nestelden zich hier op een eiland tussen twee armen van de Leie en bouwden er een vestiging uit, het Gravensteen.