thumb|Het kruis van de Constantijnse Orde van Sint-Joris De Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris (Italiaans: ), kortweg Constantijnse Orde, is een zeer oude Europese ridderorde. Het motto van de Orde is (Latijn: "In dit teken zult u overwinnen").

Sinds 1960 bestaat de orde uit twee takken, een Spaans-Napolitaanse tak en een Frans-Napolitaanse tak, met ieder een eigen grootmeester. Daarnaast bestaat sinds 1817 een afzonderlijke, min of meer gelijknamige Constantijnse Orde in het voormalige hertogdom Parma: de Sacro Angelico Imperiale Ordine Costantiniano di San Giorgio.

Doel en organisatie Anders dan de Orde van Malta is de Constantijnse Orde niet soeverein, maar wel autonoom, met als bijzonderheid een erfelijk grootmeesterschap. De Orde is dus, anders dan de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem, ook geen kerkelijke orde. De Orde wordt evenwel sinds eeuwen door het kerkelijk recht geregeerd. De banden tussen het Vaticaan en Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris zijn dan ook zeer innig. Gerhard Ludwig Müller, een curiekardinaal, is grootprior van de Spaans-Napolitaanse tak van de Orde en curiekardinaal Marcello Semeraro is grootprior van de Frans-Napolitaanse tak.

Doel van de Orde is volgens de statuten "de verheerlijking van het Kruis, de verbreiding van het Geloof en de verdediging van de Heilige Rooms-Apostolische Kerk”. Volgens de statuten is het daarom “niet alleen de primaire plicht van de Ridders en Dames om te leven in overeenstemming met het katholieke geloof, maar meer nog om zich te wijden aan elke activiteit of inspanning die de groei van religieuze principes onder de mensheid bevordert, en op alle mogelijke manieren samen te werken met de praktijk van de christelijke manier van leven. De Orde legt, in overeenstemming met de tijd, de nadruk op belangrijke bijdragen aan de twee grote sociale werken van ziekenhuishulp en liefdadigheidshulp aan de armen.”

Vergeleken met de Orde van Malta en de Orde van het Heilig Graf is de Orde klein en haar goede werken zijn daarom beperkter. Er is sprake van steun aan ziekenhuizen, armoedeprojecten en kerken maar veel nadruk ligt op de spiritualiteit.

De orde is altijd internationaal actief geweest. Ook in de jaren dat vooral Parmezanen en Napolitanen in de Orde werden opgenomen waren er Engelse (Jacobitische), Spaanse en Franse ridders. Over de gehele wereld verspreid zijn er anno 2025 naar schatting circa 7.500 leden, waarvan ruim 3.000 in de Spaans-Napolitaanse tak en ruim 4.500 in de Frans-Napolitaanse tak. Beide takken hebben delegaties in Europa en Noord- en Zuid-Amerika, en de Frans-Napolitaanse tak is ook in Azië actief.

De officiële evenementen van de Spaans-Napolitaanse tak vinden plaats in de Santa Croce al Flaminio in Rome en er zijn ook bijeenkomsten in Palermo, Milaan, Essonne, Londen, Luxemburg en Lissabon. De Frans-Napolitaanse tak houdt regelmatig bijeenkomsten in de kerk van San Giorgio al Velabro en de Santa Croce di Gerusalemme in Rome maar ook in Napels en andere Italiaanse steden, in Londen, Brussel, Parijs, Haarlem en andere Europese steden, alsmede in Washington in de Verenigde Staten.

Geschiedenis Er valt over de vroegste periode van de orde niets met zekerheid te zeggen. De naam "Constantijnse" moet aanduiden dat de orde al door keizer Constantijn de Grote zou zijn ingesteld.

De eerste historisch gestaafde gegevens dateren uit de late 15e eeuw. Hoewel er een lange lijst met middeleeuwse grootmeesters uit het Huis van Angelus Flavius bestaat, is de eerste historische figuur op deze lijst de in 1479 gestorven Andrea II die postuum prins van Macedonië en hertog van Durazzo en Drivasto werd genoemd. De leden van de Albanese clan van Angelus Flavius waren guarillastrijders van Albanese adel die onder leiding van Skanderbeg tegen de Turken vochten. De paus heeft deze "Angeli Flavii" steeds krachtig gesteund. Mogelijkerwijs zag het Vaticaan in hen een instrument om de Turken in de rug, in Albanië, aan te vallen. In de pauselijke bul "Quod alias" van 7 juli 1551 werd aan de prinsen Andrea en Hieronimus Angelus door Julius III een aantal privileges verleend. De patriarch (in terris infelis) van Alexandrië werd in een pauselijk besluit van 1575 hun spirituele leidsman en beschermer. In dit besluit werd Andrea Angelus "grootmeester van de Constantijnse ridders" genoemd. In een later besluit sprak de paus van de "Gouden Ridders".

In 1573 resideerde de grootmeester in Venetië. Daar verschenen ook de eerste gedrukte statuten van de orde. In deze stukken werden niet alleen mythische Byzantijnse oprichting beschreven, maar de statuten zouden door keizer Isaäk II Angelos zijn vastgesteld. Bewijs daarvoor werd niet gegeven. De bul "Cum a sicut" (1585) van paus Sixtus V bevestigde het privilege van de ridders die geloften hadden afgelegd om ambten in de kerk te vervullen. De orde floreerde en twee doges van Venetië en andere edelen werden lid. De Orde verwierf ook grond in Italië. Deze grond werd in commendes door commandeurs of rentmeesters beheerd.

In 1595 erkende ook Filips II van Spanje de Orde. Hij werd daarin nagevolgd door de Duitse Rijksdag in Regensburg en de koning van Polen. De Orde breidde zich in de eerste helft van de 17e eeuw uit maar de grootmeester had financiële zorgen. In 1623 werd het grootmeesterschap zelfs verpand aan Marino Caracciolo, prins van Avellino. De Orde bloeide, maar in 1680 was er nog slechts een mannelijke Angelii, in leven. Om te voorkomen dat de Orde met de grootmeester zou verdwijnen verkocht de kinderloze Gian Andreas IX Angelus Flavius het grootmeesterschap op op 27 juli 1697 aan Francesco Farnese, hertog van Parma. Gian Andreas kreeg een pensioen en een huis in Piacenza en stierf daar in 1701. In de acte van overdracht, het keizerlijke patent "Agnoscimus et notum facimus" van keizer Leopold I en de bul "Sincerae Fidei", werd vastgelegd dat het grootmeesterschap persoonlijk bezit van Francesco Farnese was en niet aan de kroon van Parma was verbonden.

De Bourbons erfden in 1731 het grootmeesterschap omdat een Bourbon, don Carlos, zoon van Filips V en de erfdochter van de Farneses, Elisabeth Farnese, de kinderloze laatste Farnese-hertog van Parma opvolgde. Via Elisabeth Farnese ging het grootmeesterschap zo over op de dynastie van de Bourbons. Toen Carlos in 1734 als Carlo III koning van Napels werd resideerde hij in Napels maar de administratie van de Orde bleef tot 1768 in Parma. In 1780 werd ook de plaatselijke bestuur van de Orde in Parma opgeheven. De Orde leek zeer Napolitaans te zijn geworden. Veel van de ridders waren Siciliaanse en Napolitaanse edelen maar de adel van Parma bleef wel in de Orde vertegenwoordigd.

In 1759 werd Carlos de Borbón y Farnese als Karel III ook koning van Spanje, en omdat de kronen van Spanje en de Beide Siciliën volgens diverse verdragen niet in één persoon verenigd mochten zijn droeg hij het grootmeesterschap van de Constantijnse Orde én de kroon van de Beide Siciliën over aan zijn derde zoon don Ferdinand, die ging regeren als Ferdinand I der Beide Siciliën. De acte spreekt over hem als de "legitieme mannelijke erfgenaam volgens het eerstgeboorterecht". Don Filips, de toenmalige regent van Parma, eiste tevergeefs dat hij grootmeester van de Constantijnse Orde zou worden.

Napels werd in 1797 door de Fransen bezet. De Bourbons weken uit naar Sicilië en regeerden daar onder bescherming van de Engelse vloot verder. Jozef Bonaparte, de oudste broer van de Franse keizer Napoleon I en door hem op de troon van Napels geplaatst, stichtte daar in 1808 een Orde van de Beide Siciliën. Deze Napoleontische Orde werd na de val van de Bonapartes in 1814 weer afgeschaft. Zijn opvolger was de Militaire Orde van Sint-Joris van de Wedervereniging.

Een verdeelde orde In Parma was op 9 juli 1815, na de Vrede van Parijs, Napoleons keizerin Marie Louise aan het bewind gekomen en zij riep zichzelf op 26 februari 1816 uit tot "grootmeesteres van de Constantijnse Orde van Sint-Joris". In de ogen van de koning van Napels was dit een nieuwe orde, een orde van verdienste die met de oude Orde alleen de naam en de versierselen gemeen had. De koning van Napels deed dan ook geen afstand van zijn recht op de Constantijnse Orde. De orde gebruikte de kerk van de orde, de Santa Maria della Steccata, en de herstelde commenden in Parma. Ook Karel Lodewijk van Bourbon 1847-1849, de opvolger van de zonder wettige erfgenamen gestorven Marie Louise en zijn opvolgers, Karel II (1849-1854), Karel III (1854-1860) én de in 1907 gestorven Robert I, kortom alle hertogen van Bourbon-Parma hebben de orde verleend. Na de dood van zijn vader accepteerde Robert II van Bourbon-Parma, die in ballingschap leefde, overigens wel een benoeming in de Constantijnse Orde van zijn verre Napolitaanse verwant. Op de actuele website van het Huis Parma heet de Parmezaanse orde als vanouds "Sacro Angelico Imperiale Ordine Costantiniano di San Giorgio". Grootmeester van de Parmezaanse orde is sinds 18 augustus 2010 Carlos de Bourbon de ParmeGuy Stair Sainty in Guy Stair Sainty, World Orders of Knighthood and Merit (), de huidige hertog van Parma. De hertog en diverse van zijn gezinsleden zijn overigens ook opgenomen in de Frans-Napolitaanse tak van de Constantijnse Orde, waarmee nauwe banden worden onderhouden.

Sinds 1960 zijn er binnen de Constantijnse Orde zelf twee grootmeesters en twee obediënties actief; in Spanje onder Don Pedro de Borbón y Borbón, Hertog van Noto (Spaans-Napolitaanse tak), en in Italië onder Carlo van Bourbon-Sicilië, Hertog van Castro (Frans-Napolitaanse tak). Er is sedertdien veel discussie over wie het rechtmatige hoofd van het huis Bourbon-Twee Siciliën is, al is het eigendom van de orde, een waardigheid die verkocht, overgedragen en geërfd kan worden, daaraan niet strikt verbonden.

Men strijdt over de vraag of Karel Maria van Bourbon-Sicilië (1870-1949), kleinzoon van de laatste koning van Napels en Sicilië en jongere broer van de aangewezen erfgenaam van de troon, Ferdinand van Bourbon-Sicilië (1869-1960), in 1900 in de zogenaamde Akte van Cannes onvoorwaardelijk heeft afgezien van zijn rechten op de troon. Ferdinand stierf in 1960 zonder mannelijke erfgenamen, en een andere regeling voor de erfopvolging was er niet. De afstammelingen van Karel Maria betogen sindsdien dat de afstand van de rechten op Napels alleen geldt als zij op hun beurt de Spaanse troon zouden erven, en baseren hun claim op het eerstgeboorterecht. In bredere kring worden echter de aanspraken ondersteund van de derde broer Reinier van Bourbon-Sicilië (1883-1973) en diens nakomelingen waaronder de huidige Hertog van Castro."Der Konstantinische St. Georgs Orden", Ordenskreuz.com

Een afzonderlijk dispuut binnen de familie betreft dan nog het grootmeesterschap van de Constantijnse Orde. Het bezit van de Constantijnse Orde werd niet genoemd in de Akte van Cannes. De actuele situatie valt enigszins te vergelijken met die bij de Orde van het Gulden Vlies, waarvan ten gevolge van een familiedispuut sinds 1700 ook twee Habsburgse takken bestaan: een Spaanse en een Oostenrijkse.

Wereldwijd

Nederland De Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken Josef Luns was drager van het grootkruis in de Frans-Napolitaanse tak van deze Orde, evenals bisschop Joannes Gijsen, kardinaal Adrianus Simonis en mgr. Karel Kasteel. Deze tak is ook in Nederland actief met een eigen delegatie en een eigen prior in de persoon van Jan Hendriks, bisschop van Haarlem-Amsterdam. Een eerste investituur vond plaats op 13 oktober 2023, in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel in Nederland, apostolisch nuntius Paul Tschang In-Nam.

België De orde vergadert één keer per jaar in de Sint-Jacob-op-Koudenbergkerk aan het Brusselse Koningsplein. Leden zijn onder anderen Prins Laurent, kardinaal Jozef De Kesel en ex-politicus Hugo Vandenberghe.

Relaties met andere ridderlijke orden