thumb|Beneden de berg Chogpori, Lhasa Tibet (Tibetaans: བོད་, Wylie: Bod; Chinees: 西藏, pinyin: Xīzàng) is een geografisch gebied op het Tibetaans Hoogland. Het wordt voornamelijk bewoond door de Tibetanen, een volk met een eigen taal, het Tibetaans, en een eigen Tibetaanse cultuur. Tibetanen behoren voornamelijk tot twee religies: de bön en het Tibetaans boeddhisme. China ziet Tibetanen als een etnische minderheid in de Chinese Volksrepubliek.

Na de Xinhairevolutie en de stichting van de republiek China verklaarde Tibet zich in 1912 onafhankelijk van China. Het gebied van het de facto onafhankelijke Tibet was in geografisch opzicht vrijwel identiek aan het gebied van de huidige Tibetaanse Autonome Regio. Dit gebied was de facto onafhankelijk tot de invasie van Tibet van 1950-51 door het Volksbevrijdingsleger. Sindsdien is het deel van de Volksrepubliek China. Sinds 1959 opereert de Tibetaanse regering in ballingschap de voortzetting van de regering van historisch Tibet vanuit de Indiase stad Dharamsala. Voor 2011 was dit nog onder leiding van de dalai lama.

Tibet is in politieke en bestuurlijke zin een autonome regio van China. Het Tibetaanse cultuurgebied omvat ook delen van de provincies Qinghai, Sichuan en Yunnan. Ook Ladakh en Sikkim in India, Bhutan en sommige delen van Nepal zijn onderdeel van het Tibetaanse cultuurgebied.

De Tibetaanse autonome regio grenst in het zuiden en westen aan Nepal, Bhutan, Birma en de Indiase deelstaten Jammu en Kasjmir en Himachal Pradesh, Sikkim, Arunachal Pradesh. Van noord naar oost grenst het aan de provincies Xinjiang (Turkestan), Gansu, Sichuan en Yunnan.

Geografie thumb|Satellietfoto Tibet Tibet is zeer hooggelegen: het zuiden van Tibet ligt in de Himalaya, de rest in het Tibetaans Hoogland. Het wordt traditioneel opgedeeld in de regio’s Kham (oosten), Amdo (noorden), U (centraal), Ngari (westen) en Tsang (zuiden). De laatste drie worden ook wel aangeduid als U-Tsang of Centraal Tibet en vormen ongeveer de grenzen van de huidige Tibetaanse Autonome Regio. Hiervan is Lhasa de hoofdstad. Andere steden zijn Shigatse, Chamdo en Nagchu.

Naam De naam Tibet is een leenwoord van het Tubbat, zoals vroege Arabische geschiedschrijvers het oude koninkrijk noemden. In de Orkhon-inscripties (voorloper van het Turks) uit de achtste eeuw na Christus sprak men van Tüpüt.

Hoewel etymologen het in het algemeen eens zijn over de Arabische herkomst van de naam in Europese talen, zijn ze het niet eens over de oorspronkelijke herkomst van het woord. Sommigen verwijzen naar het Tibetaanse woord tö-bhöt dat Boven Tibet betekent, anderen verwijzen naar het Turkse Töbäd, waarvan het meervoud töbän de hoogten betekent. Nog weer anderen verwijzen naar het Chinese Tǔbō of Tǔfān, het koninkrijk van de Yarlung-dynastie.

Bevolking thumb|Tibetaanse vrouwen thumb|left|Tibetanen in Lhasa

Er woonden in 2014 ongeveer 5,8 miljoen Tibetanen in China, een vervijfvoudiging ten opzichte van 1950. De Chinese eenkindpolitiek was niet van toepassing op etnische minderheden, waaronder Tibetanen. Ongeveer 50% van de Tibetanen wonen in de Tibetaanse Autonome Regio. De overige 50% woont in de gebieden ten oosten daarvan en die worden aangeduid met de historische namen Amdo en Kham. Deze verdeling is globaal dezelfde als die al eind achttiende eeuw bestond. Buiten de Volksrepubliek China leven naar schatting 120.000 Tibetanen verspreid over de wereld. Met name na het neerslaan van de opstand van 1959 is er sprake van een omvangrijke Tibetaanse diaspora.

Minderheden zijn Lhoba en Monpa in het zuidoosten en de Hui moslims, die in de loop der tijd zich als handelaren in Tibet vestigden, net als ze in China deden. Tibetanen zijn ook nauw verwant aan de Qiang in Sichuan, de Ladakhi's uit India en de Sherpa's uit Nepal.

Mensen als soort zijn niet aangepast aan het leven op grote hoogten van meer dan 5000 meter zoals die op het Tibetaans Plateau voorkomen. Om toch op dergelijke hoogte permanent te verblijven zijn aanpassingen in gedrag, in cultureel en fysiologisch opzicht noodzakelijk. De meeste theorieën gaan uit van een aanpassing in stappen. De eerste stap brengt een populatie vanuit het noorden van Azië naar het laaglandgebied van het noordwesten van China tussen 30.000 en 25.000 v. Chr. De tweede stap brengt de afstammelingen van deze populatie naar het gebied van Kokonor en het oosten van Qinghai op een hoogte van ongeveer 3500 meter. Dat zou omstreeks 23.000 v. Chr. gebeurd moeten zijn, maar in ieder geval voor de koudste periode van het Laatste Glaciale Maximum. Tijdens deze tweede stap moet de fysiologische aanpassing aan omstandigheden van grote hoogte aangevangen zijn. Tussen 22.000 en 20.000 v.Chr. moet dan de derde stap genomen zijn naar het nog hogere centrale plateau.Aldenderfer, Mark en Zhang Yinong,(2004), The prehistory of the Tibetan Plateau to the Seventh Century AD, in: Journal of World Prehistory (18), pp. 1-55

Religie thumb|Gelugmonniken in Ladakh spelen op gyalings thumb|left|Deel van een bön-levenswiel

Nameless religion Er zijn geen literaire bronnen aanwezig over de aard van de aanwezige religie in Tibet van voor de 7e eeuw. Voor de kennis van de toen aanwezige religie wordt daarom gebruikgemaakt van een klein, nog toenemend aantal archeologische vondstenBelleza, John Vincent, Northern Tibet Exploration - Archaeological Discoveries of the Changthang Circuit Expedition en daarnaast de aanwezigheid van geloofwaardig materiaal dat beschreven is in latere literatuur en rituelen.

In de oudste geschriften zoals de Oude Tibetaanse kroniek en de Tibetaanse annalen staan verhalen over de eerste Tibetaanse koningen. Daaruit wordt duidelijk dat geloof in het sacrale karakter van de heerser een essentieel onderdeel was, De monarch was van hemelse oorsprong en nauw verbonden met beschermende godheden die belichaamd werden door met name de bergen van Tibet.Xie, Jisheng (2001) "The mythology of Tibetan Mountain Gods: An Overview", Oral Tradition Het heilige karakter van die bergen werd weer geassocieerd met belangrijke functies als bron van water, voeden van water naar rivieren, die het mogelijk maakten in valleien landbouw te bedrijven. Er is ook in de oudste gevonden manuscripten nooit een naam gevonden voor die verering van die grote hoeveelheid beschermende godheden in de Tibetaanse religieuze praktijk in de vorm van bergen, rivieren, beken, valleien, etc. met vaak een heel lokaal karakter.

Rolf Stein gebruikte hiervoor de term nameless religion, die ook door andere tibetologen werd overgenomen.Stein, Rolf (1 juni 1972) Tibetan civilisation, Stanford University Press, pag. 14-20,

Bön

Ongeveer 10% van de Tibetanen hangt het geloof van de bön aan. De bön is een vorm van boeddhisme die is ontstaan naast en onderscheiden moet worden van alle vormen van het Tibetaans boeddhisme. De bön ontwikkelde zich tot een vorm van georganiseerd boeddhisme vanaf het eind van de tiende eeuw. Het is ook in die periode dat de literaire traditie van de bön aanvangt. Er is lange tijd een wetenschappelijk debat geweest of de bön voor de tiende eeuw een min of meer georganiseerde religie was. Er is groeiende overeenstemming bij experts dat dit niet het geval is geweest. De term bön wordt in de oudste Tibetaanse geschriften, zoals de manuscripten van Dunhuang vooral gebruikt om een uitvoerder van een pre-boeddhistisch ritueel aan te duiden.

Tibetaans boeddhisme

Het grootste deel van de bevolking van Tibet hangt het Tibetaans boeddhisme aan, Het boeddhisme kwam laat naar Tibet. In de 7e eeuw was het in Tibet nog vrijwel onbekend. Het land was in die tijd voor een belangrijk deel omringd door gebieden waar dat boeddhisme zich al stevig had gevestigd. Tibet was feitelijk een heidens eiland in een grote boeddhistische oceaan. Die late komst van het boeddhisme in Tibet heeft als consequentie gehad, dat in Tibet dat boeddhisme beïnvloed werd - veel meer dan in gebieden waar het al eerder aanwezig was - door de latere ontwikkelingen van het boeddhisme in India zelf.

In India ontwikkelde de tantrische traditie (Vajrayāna - वज्रयान ) binnen het boeddhisme zich pas na circa 400. Pas in de 7e eeuw begon die traditie in India de beoefening van het boeddhisme meer te domineren. Als gevolg van de relatief late introductie, speelden in Tibet de tantrische elementen van meet af aan een grote rol, doordat Padmasambhava deze tantrische traditie vanuit India in Tibet introduceerde. De boeddhistische literatuur wordt wel verdeeld in soetra's: teksten, die geacht worden uitgesproken te zijn door de historische Boeddha dan wel geacht worden zijn instemming te hebben. sastra's: commentaren op en verhandelingen over de soetra's. tantrische geschriften: teksten die een soort handleiding zijn voor rituelen en met name meditatietechnieken ten behoeve van gelovigen.

Het Tibetaans boeddhisme kan als volgt gekarakteriseerd worden: de leerstellingen zijn op de sastra's gebaseerd en de praktijk op de tantrische geschriften.

Na de val van het Tibetaanse rijk in het midden van de 9e eeuw verdwijnt het boeddhisme in zijn georganiseerde en monastieke vorm voor ruim een eeuw uit Centraal-Tibet. Een tweede introductie van het boeddhisme uit India begint aan het eind van de 10e eeuw. Dat is een periode waarin het verval van het boeddhisme in India zelf al is begonnen. Tijdens die tweede introductie is Tibet in staat geweest om de invloed te ondergaan van de laatste grote leraren uit het Indiase boeddhisme, zoals Atisha (980-1052) en Tilopa (988-1069).

Het Tibetaans boeddhisme heeft een aantal kenmerken, die vooral te maken hebben met de grote weerstand tegen de introductie van de religie. Belangrijke notie is daarbij de opname in het pantheon van het Tibetaans boeddhisme van zeer veel preboeddhistische elementen. In het Tibetaans boeddhisme is verder een aanname van het geloof in wedergeboren tulku's, ofwel leraren zoals onder meer de dalai lama.

Geschiedenis

De vroegste overleveringen in de geschiedenis van Tibet bestaan uit archeologische vondsten uit de prehistorie. Er zijn onder meer vondsten gedaan van forten berghellingen uit de IJzertijd en grafbouwwerken.

Koningen en intrede boeddhisme (1e millennium) thumb|Songtsen Gampo tussen zijn gemalinnen:Bhrikuti (l.) en Wencheng (r.)

Historisch gezien is het zuiden en oosten van Tibet altijd het dichtstbevolkte deel van het land geweest. In dat gebied waren in het midden van de zesde eeuw veel onderling rivaliserende koninkrijkjes aanwezig, die onder gezag stonden van een aantal clanleiders. Een daarvan was het koninkrijk Yarlung, gelegen in de Yarlung-vallei. De formele titel van de belangrijkste clanleider van Yarlung - de koning - was Tsenpo, de Machtige. Die titel werd later ook voor alle koningen van het Tibetaanse rijk gebruikt. De allereerste koningen van Yarlung gebruikten ook wel de dynastieke naam van Pugyel, koning van Pu, die waarschijnlijk verband houdt met de oorsprong van de dynastie in Powo, het zuidoosten van Tibet. De overgang van de periode van koningen van Yarlung als regionale clanleiders naar die van koningen van het Tibetaanse rijk markeert het begin van het Tibetaanse rijk. Die overgang vond aan het eind van de zesde eeuw plaats. In het tweede deel van de zevende en het tweede deel van de achtste eeuw was het Tibetaanse rijk een van de machtigste naties in Centraal-Azië. Het rijk en de dynastie valt in het midden van de negende eeuw en er breekt een eeuwen durende periode van politieke fragmentatie aan.

Lokale heersers, gevolgd door Mongoolse tijd thumb|Kublai Khan

Vanaf 1239 veroverde de Mongoolse leider Godan Khan gedeeltes van Tibet. Het Mongools bestuur over Tibet bestreek globaal de periode van 1250-1360. In deze periode was er sprake van een beperkte regionale autonomie, uitgeoefend door met name functionarissen van de sakya-traditie binnen het Tibetaans boeddhisme. De autonomie werd beperkt door een door de Mongoolse heersers tot stand gebrachte administratieve en bestuurlijke structuur.