thumb|thumbtime=1:21|Fernhout en collega-schilders (film, 1947) Edgar Richard Johannes Fernhout (Bergen (Noord-Holland), 17 augustus 1912 – aldaar, 4 november 1974) was een Nederlands kunstschilder die zich ontwikkelde van realisme tot abstracte kunst.
Jeugd en opleiding thumb|Portret van mijn drie kinderen door Charley Toorop. Annetje, John en Edgar (1922) Edgar Fernhout was een zoon van de kunstenares Charley Toorop en de filosoof Henk Fernhout, die samen slechts een kort huwelijk hadden. De latere filmer John Fernhout was een broer van hem. Zijn vader verliet het gezin in 1917. In 1926 verhuisde zijn moeder met de kinderen naar Amsterdam. Een jaar later trok de historicus en anarchist Arthur Lehning bij hen in, op de Leidsegracht. Het huis werd al gauw een ontmoetingsplaats van avant-gardistische kunstenaars, onder wie de architect Gerrit Rietveld, de filmer Joris Ivens en de schilder Carel Willink. Edgar kwam zo al jong in contact met de moderne kunst van die jaren. Op zijn zestiende jaar begon hij zelf te schilderen, waarbij Charley hem de aanwijzingen gaf. Hij onderbrak daarvoor het gymnasium en kreeg bovendien les van Jan Uri; later in Baarn zou hij zijn schoolopleiding vervolgen tot 1930. Zijn moeder waakte er zorgvuldig voor dat haar zoon niet het pad zou volgen van de surrealistische kunstenaars of van de Nieuwe zakelijkheid, die aantrekkelijk waren voor de beginnende schilder; het realisme bleef voor Edgars schilder-opleiding de leidende norm, zoals ook voor haar eigen stijl. Op advies van kunstcriticus H.P. Bremmer zag Charley er vanaf 1929 streng op toe dat Edgar met name stillevens schilderde.
Over deze Amsterdamse jaren - nog thuiswonend bij zijn moeder op de Leidsegracht - zou hij later zeggen: "Mensen als Mondriaan en Rietveld kwamen bij ons aan huis. Achteraf beschouwd is het zowel een voor- als een nadeel te noemen dat mijn moeder schilderde. Vanaf de jaren twintig heb ik helemaal in de stuwing gezeten. Ik ben opgegroeid met de veranderende schilderkunst en vond alles heel gewoon, ik kon niet geschokt worden. Maar misschien heb ik juist daarom vanaf het begin mijn eigen weg kunnen gaan."in het artikel 'Exposeert: Edgar Fernhout in Van Abbe'; Nieuwe Eindhovense Krant, 9 maart, 1963
Leven en werk Start In 1930 voegde Fernhout zich bij zijn moeder en Lehning in Parijs. Hij bleef daar twee jaar schilderen - met name stillevens en een enkel zelfportret - en had er regelmatig contact met Piet Mondriaan bij wie hij vaak op het atelier kwam. De werken die hij in Parijs maakte werden al snel getoond in groepstentoonstellingen bij kunsthandel Van Lier in Amsterdam en bij Van Hasselt in Rotterdam. In de zomer van 1932 keerde Fernhout terug naar Amsterdam waar hij voor het eerst zijn eigen woon- en werkruimte vond. Op de kunstenaarssociëteit De Kring ontmoette hij de tekenares Rachel Pellekaan, met wie hij in september 1932 ging samenwonen in de Zaagmolenstraat. Daar ontstond het Dubbelportretafbeelding van Dubbelportret, in het Centraal Museum Utrecht. Gearchiveerd op 4 juli 2022., nu in de collectie van het Centraal Museum Utrecht. Hij werd in die jaren geruime tijd financieel ondersteund door Radermacher-Schorer en zijn vrouw die ook Fernhouts latere verblijf in Italië deels zouden bekostigen. Kunstzaal Van Lier organiseerde eind 1932 zijn eerste solotentoonstelling. In december 1934 trouwde Edgar met Rachel. Hij werd in die jaren zowel door zijn moeder als H.P. Bremmer en de kunsthistoricus J.G. van Gelder veel ondersteund in het vinden van verkoop- en expositiemogelijkheden.
Vanaf 1933 schilderde hij veel seizoensstillevens, waarin de voor- en achtergrond in het schilderij met elkaar verbonden raakten. Zo zijn in het doekje Schelp en Blad uit 1935 de voorwerpen van de schelp en het verdorde blad op een vensterbank neergelegd, waarbij de achtergrond (achter het raam) bestaat uit een herfstlandschap. Het is in deze stillevens het seizoen dat het beeldbepalende element vormt, met het karakteristieke licht daarvan dat wordt weerspiegeld in de voorwerpen, die daardoor enigszins in de ruimte eromheen op lijken te gaan. Deze stillevens hebben een traditionele, planmatige opbouw: een voorwerp op de voorgrond, bomen en struiken in het midden-plan, en als achtergrond het landschap dat uitloopt in een vervloeiende horizon van zee of duinen, met erboven verwaaide wolken. In 1935 ontstaan zijn eerste portretten met een landschap als achtergrond; van hem zelf en van zijn vrouw Rachel. Later zou het landschap een veel zelfstandigere rol gaan spelen in zijn werk, maar hier vormde het nog de achtergrond.'Fernhout – schilder painter', red. Aloys van den Berk, Jozien Moerbeek, John Steen; SDU Uitgeverij | Openbaar Kunstbezit, 1990,
In 1936 leerde Fernhout de kunsthistoricus Hans Jaffé kennen, met wie hij zijn hele verdere leven bevriend zou blijven. In de herfst van 1936 trok hij met zijn jonge vrouw naar Italië om de schilders van de renaissance te bestuderen én voor de gezondheid van Rachel. In Alessio vonden ze een atelier met slechts bovenlicht, maar ook beschikten ze er over een tuin en balkon, waar Edgar meestal schilderde; Rachel werkte buitenshuis. In Italië voerde Fernhout een reeks portretopdrachten uit die het hem mogelijk maakten om als kunstenaar te kunnen leven. Daarnaast schilderde hij nu werkjes waarin de levende natuur tot onderwerp is geworden, zoals in het schilderij Vlierboom uit 1937. In dit werk speelt het fijn-gedetailleerde patroon van de takken, blaadjes en de bloemen de hoofdrol; van de lucht is nog slechts een glimp te zien. Alles is nauwkeurig opgebouwd en elk blaadje is afzonderlijk uitgewerkt in kleine verf-toetsen. Fernhout 'zoomde' als het ware sterk in op het gebladerte met zijn complexe structuren.
De twee kunstenaars bleven tot in het najaar van 1939 in Italië en wilden zich er uiteindelijk definitief vestigen, maar door de sterk voelbare oorlogsdreiging in Zuid-Europa besloten ze toch naar Nederland terug te keren en trokken er in bij moeder Charley, in haar atelierwoning De Vlerken te Bergen (Noord-Holland). Daar ontstonden de eerste landschappen van Fernhout, van de duinen en van de polders, waarin veel ruimte en openheid ontstond. Menselijke aanwezigheid was hierin nauwelijks te bespeuren, hooguit een boerderij in de verte. Deze werken waren kaal en leeg, maar ook vaak kleurrijk. In 1937 organiseerde de Haagse galerie Nieuwenhuizen Segaar een speciale tentoonstelling rond de drie generaties Toorop: Jan Toorop, Charley en Edgar.Catalogus tentoonstelling 'Drie generaties' via Delpher. Gearchiveerd op 18 september 2020.
Fase van realistisch schilderen thumb|Kinderzegels 1945 ontwerp van Fernhout In maart 1940 was er een gezamenlijke tentoonstelling van het echtpaar Fernhout-Pellekaan in de Kunstzaal van Van Lier te Amsterdam. Beneden hingen realistische schilderijen van Edgar uit de jaren 1938-1940 en in de bovenzaal tekeningen van de hand van zijn vrouw Rachel. Na de zomer van 1941 verbleef Fernhout vaak buiten Bergen omdat daar toen de dreiging was van bombardementen op het naburige vliegveld. Hij verbleef op veel verschillende plaatsen in het land vanwege allerlei te maken portretopdrachten, maar ook om niet als jongeman opgepakt te worden door de Duitsers voor de Arbeitseinsatz. In september 1941 werd hij in Baarn ingeschreven waar hij grotendeels tijdens de oorlog zonder zijn vrouw Rachel, die toen in Wassenaar werkte, zou verblijven. In 1942 weigerde hij om zich aan te melden bij de Kultuurkamer, die door de Duitse bezettingsmacht was ingesteld; dit betekende een verbod op tentoonstellen. Daarom voerde hij tot 1945 veel portretopdrachten uit, zoals voor de familie Mijnsen in Baarn, bij wie hij enkele jaren kon inwonen en werken. Ook maakte hij veel stillevens in deze tijd omdat hij gedwongen was om binnen te blijven. In deze werken ontstond een wat lossere schilderstijl en werden ook de contrasten meer uitgesproken; niet langer werd alles in hetzelfde gelijkmatige licht geplaatst. Dit is o. a. duidelijk te zien in zijn Zelfportret van 1945 dat hij tijdens zijn verblijf in Baarn schilderde. Na de bevrijding in 1945 vestigde Fernhout zich weer in Amsterdam, nu aan de Vondelstraat, waar hij zou blijven werken en wonen tot in 1956.
In de jaren na de bevrijding ontplooide Fernhout veel sociale activiteiten. Zo werd hij in 1946 bestuurslid van de Amsterdamse sociëteit De Koepel.A. Pitlo: De Koepel, Amsterdam, 1979 Een jaar later ging hij officieel scheiden van zijn vrouw Rachel. In 1948 raakte hij betrokken bij De Groep, een tentoonstellingsorganisatie van oudere kunstenaars die jongere kunstenaars uitnodigde tot exposeren op basis van hun eigen individuele uitgangspunten. In hetzelfde jaar ontmoette hij zijn tweede vrouw Netje Salomonson, met wie hij in 1949 trouwde.Zie 'Kunstbus'. Salomonson was is 1949 gescheiden van de acteur, toneeldirecteur en -regisseur Johan de Meester jr.. Door deze activiteiten breidden zijn contacten zich uit; met name het Stedelijk Museum Amsterdam met directeur Willem Sandberg vormde een actieve ontmoetingsplaats, waar hij veel andere kunstenaars tegenkwam. Hij had al veel contact met oudere kunstenaars, zowel de realistische, de abstracte en een aantal magisch-realistische, maar nu leerde hij ook jongere kunstenaars als Karel Appel kennen. Ook moest hij zijn moeder Charley veel helpen bij het exposeren, omdat zij problemen had met haar gezondheid en juist in deze jaren haar grote bekendheid kreeg. De relatie tussen de twee werd gelijkwaardiger, waardoor hij nu wèl bereid was om langdurig voor haar model te zijn in haar atelier De Vlerken; zij wachtte hier al jaren op, om haar grote doek De Drie Generatiesafbeelding en toelichting van het schilderij 'De Drie Generaties'. Gearchiveerd op 24 maart 2023. af te maken, dat zij al zeven jaar eerder was begonnen.
Edgar's schilderwijze veranderde in deze jaren. Niet langer werd het beeld opgebouwd uit fijne en gladde verfstreken, maar de verftoetsen kregen meer zelfstandigheid en werden zo duidelijk zichtbaar aanwezig in het schilderij - vaak robuust neergezet. De onderwerpen bleven wèl grotendeels hetzelfde: interieur, stilleven, portret, zelfportret en landschap. Door dezelfde motieven te kiezen kon hij zich sterk concentreren op hoe de vormen in hun geheel èn in details weer te geven in verf, èn op de kleur- en lichteffecten. Zijn atelier in de Vondelstraat was vrij donker, waardoor hij naar andere methodes moest zoeken dan voorheen, om het spel van licht en donker vast te kunnen leggen. Aanvankelijk zocht hij de oplossing in het gebruik van donkere en oker-achtige tinten, maar al gauw ontstonden er in deze nieuwe techniek een aantal heldere en lichte schilderijen, zoals Herfststilleven van 1951-52.