Willem de Kooning (Rotterdam, 24 april 1904 – Springs-East Hampton, New York, 19 maart 1997) was een in Nederland geboren kunstschilder, die een groot deel van zijn leven in de Verenigde Staten heeft gewoond. Hij schilderde in de stroming van het abstract expressionisme. De kunstafdeling van de Hogeschool Rotterdam in Rotterdam wordt sinds 1998 de Willem de Kooning Academie genoemd. Voor de naamswijziging luisterde de instelling naar de naam Academie van Beeldende Kunsten.

Schilderstijl De werken van De Kooning worden gerekend tot het abstract expressionisme. Hij had zelf een hekel aan het begrip schilderstijl. Andere schilders in deze kunstbeweging, ook wel de New York School genoemd, waren Jackson Pollock, Mark Rothko, Barnett Newman en Clyfford Still.

Vanaf ongeveer 1928 begon hij stillevens en figuren te schilderen die elementen van de Parijse School (École de Paris) en Mexicaanse invloeden combineerden. Aan het begin van de jaren 30 begon hij te experimenteren met abstracte vormen - een grote tegenstelling met zijn latere werk. Dit vroege werk bevat sterke invloeden van Graham en Arshile Gorky en weerspiegelt de invloed die Pablo Picasso en de surrealist Joan Miró op deze jonge artiesten hadden. Na de Tweede Wereldoorlog begon hij te schilderen in de stijl van het abstract expressionisme. Later experimenteerde hij met andere stijlen. In ongeveer 1945 voegden de twee stromingen zich samen in Pink Angels.

Biografie miniatuur|Plaquette op de gevel van het geboortehuis van Willem de Kooning aan de Zaagmolenstraat 11-13 in Rotterdam (Oude Noorden) miniatuur|Groepsportret schildersatelier Gidding. Linksachter Jaap Gidding; rechtsvoor Willem de Kooning (Rotterdam, ca. 1916-20).

Nederland Willem de Kooning werd geboren in de Zaagmolenstraat 13 in Rotterdam op 24 april 1904. Zijn ouders waren Leendert de Kooning en Cornelia Nobel. Ze scheidden toen hij 2 jaar oud was, en hij werd samen met zijn zus opgevoed door zijn moeder en stiefvader in armelijke omstandigheden in arbeidersbuurt Oude Noorden.

Om rond te komen ging hij op 12-jarige leeftijd in 1916 (midden in de Eerste Wereldoorlog) als jongste werknemer in de leer bij vader Jan en zoon Jaap Gidding van schildersatelier Firma Gidding & Zn. aan de Aert van Nesstraat. Jaap zag potentie in de jonge De Kooning en liet hem op zijn kosten vanaf 1917 de avondcursus volgen aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen (sinds 1998 de naar hem vernoemde Willem de Kooning Academie). Hier kreeg hij tot 1922 het vak met de paplepel ingegoten en werkte zich gestaag op. Docenten als Jacob Jongert en Piet Zwart brachten hem in aanraking met modernistische denkbeelden over de toegepaste kunst.

In 1920 ging hij werken voor Rotterdamse Bernard Romein, interieurontwerper voor een groot warenhuis Cohn-Donnay & Cie. Hier maakte hij kennis met de opkomende kunsten van Piet Mondriaan, De Stijl en Bauhaus. Rond 1924/25 werkt hij een aantal maanden in Brussel.

Verenigde Staten beginjaren In 1926 ging hij als verstekeling op Brits vrachtschip SS Shelley naar de stad New York in de VS, en ging wonen in een Nederlands Zeemanshuis in Hoboken in New Jersey, waar hij werkte als huisschilder. Vanwege zijn vakmanschap als decoratie- en huisschilder verdiende hij een goed inkomen. Het maken van kunst was toen nog een nevenactiviteit. In 1927 verhuisde hij naar een studio in Manhattan en werd beïnvloed door de Russische kunstkenner en kunstcriticus John D. Graham en de Armeense schilder Arshile Gorky. Gorky werd ook een van zijn beste vrienden en De Kooning noemde het gezelschap "De drie musketiers".

In oktober 1935 begon hij te werken voor het Federal Art Project, een kunstproject van de overheid. Hij werkte zowel aan schilderijen als aan wandschilderingen. Hij was actief voor dit programma tot juli 1937, toen hij ontslag moest nemen omdat hij geen Amerikaans staatsburger was. Tijdens het project werkte hij aan een wandschildering onder mentorschap van Fernand Léger. Het project werd nooit voltooid omdat de opdrachtgever er afstand van nam nadat hij er achter was gekomen dat Léger (een communist) erbij betrokken was. Ondertussen had De Kooning, na in de vroege jaren van de Grote Depressie met commercieel werk zijn brood te hebben verdiend, wel de kans gehad om zich volledig aan creatief werk te wijden.

Abstract expressionisme In 1938 maakte De Kooning, waarschijnlijk onder de invloed van Gorky, een serie verdrietige starende mannelijke figuren, zoals Staande Mannen, Man, en Seated Figure (Classic Male). Na 1938 verschijnt voor het eerst een figuur dat door zijn oeuvre zal blijven terugkomen, dat van de vrouw. In die tijd maakte hij ook veelkleurige abstracte schilderijen zoals Landscape en Elegy, maar hij behield altijd een suggestie van ruimte in zijn werk. Deze combinatie van figuratieve en abstracte kunst ging door tot in de jaren 1940, met zijn geometrisch weergegeven Woman en Standing Man.

In 1938 ontmoette hij Elaine Marie Fried (later Elaine de Kooning), met wie hij in 1943 trouwde. Zij werd ook een bekend kunstenares. Vanaf de jaren 1940 werd hij steeds meer als onderdeel van de abstract expressionistische stroming beschouwd, ook wel de New York School. In deze kring behoorde ook schilders als Stuart Davis, Franz Kline, Barnett Newman, Jackson Pollock, Adolph Gottlieb en Mark Rothko.

In 1946, toen hij te arm was om schildersverf te kopen, schakelde hij over op zwart-witte kozijnlakken om een serie grote abstracties te schilderen; van deze werken zijn Light in August (1946) en Black Friday (1948), grotendeels zwart met witte elementen, terwijl Zurich (1947) en Mailbox (1947-48) wit met zwart zijn. Hij had in 1948 zijn eerste tentoonstelling met deze zwart-witte composities van lak in de galerij van Charles Egan. Na deze tentoonstelling ontstonden complexe, uitbundige abstracties, zoals Asheville (1948-49), Attic (1949), en Excavation (1950), die weer kleur bevatten. Om bij te verdienen gaf hij rond 1948 tot 1951 les aan de kunstacademies Black Mountain College en Yale School of Art, samen met kunstenaars John Cage, Buckminster Fuller en Josef Albers.

Vanaf 1953 kwam de doorbraak van De Kooning's internationale roem. Na de dood van Jackson Pollock in 1956 gold De Kooning volgens criticus Thomas Hess als ‘de invloedrijkste nog levende kunstenaar ter wereld’. In deze tijd maakte hij zijn kunst zodanig te gelde dat hij de armoede definitief achter zich kon laten. Willem de Kooning werd in zijn kringen beschouwd als een groot talent, maar werd ook gezien als iemand die zijn schilderijen niet kon afmaken. Kunstverzamelaarster Gertrude Stein bezocht in die tijd zijn atelier en had interesse voor zijn werk, maar Willem de Kooning vond haar dermate arrogant dat dit op niets uitliep. Bij een volgend bezoek zorgde hij er wel voor dat zijn schilderijen nog minder af waren.

Vrouwelijk figuratieve kunst miniatuur|Drie werken van De Kooning met vrouwelijke figuren in abstracte stijl tijdens een tentoonstelling (Stedelijk Museum Amsterdam, 1968) miniatuur|Vrouw op fiets (1953) wordt in het Stedelijk Museum Amsterdam ophangen voor een tentoonstelling van werk van De Kooning (Amsterdam, 1968)

Vanaf 1950 schilderde hij alleen nog maar vrouwen, alhoewel hij voordien ook wel vrouwen had getekend. In de zomer van dat jaar begon hij aan Vrouw I, dat veel verschillende vormen aannam voordat hij het in 1952 afrondde. In deze jaren maakte hij een reeks schilderijen van vrouwen, zoals Vrouw I, II, III, IV, V, VI (1950–1953) en Vrouw op fiets (1953), die allemaal geïnspireerd waren op het klassieke beeld van de oervrouw zoals die al voorkwam in prehistorische kunst. Dit was een fase (1950-55), "waarin de vrouw aanleiding geeft tot een uitbeelding van ontstellende hevigheid: wild, agressief, hevig als een stormwind, lijkt haar uitbeelding het doek te doen barsten". Een tentoonstelling van deze werken in de galerij van Sidney Janis in 1953 deed stof opwaaien, omdat ze figuratief waren, terwijl zijn collega's in het abstract expressionisme abstract werk produceerden.

Vanaf 1955 leek hij zich te richten op het symbolische aspect van vrouwen in een abstractere vorm, zoals gesuggereerd wordt door de titel van het schilderij Vrouw als landschap (1955) en Twee figuren in landschap (1967), waarin de figuur bijna wordt opgeslokt door te versmelten met de abstracte achtergrond tot een hevig bewogen geheel. Hierna volgt een serie stadslandschappen zoals Police Gazette, Gotham News, Backyard on Tenth Street, Greece on 8th avenue (1958) en Rozevingerige dageraad in Louse Point (1963), die een evolutie weergeven van compositorische en kleurige complexiteit naar een breed geschilderde eenvoud. De kleuren zijn zachter, in "wazig roze en stralend gele" tinten.

In 1959-60 woonde hij een aantal maanden in Rome en op 13 maart 1962 ontving De Kooning V.S. staatburgerschap. In 1963 verhuisde hij naar East Hampton op Long Island.

Dan schilderde hij opnieuw vrouwen in schilderijen als Pastorale en Clam Diggers (1963). Deze schilderijen waren opnieuw controversieel. In deze werken, die werden beschreven als een satirische aanval op de vrouwelijke anatomie, schilderde De Kooning op een vloeiende, glibberige manier die aansloot op het delicate onderwerp. De terugkeer naar het onderwerp vrouwen werd hem niet in dank afgenomen door de kunstcritici.

Beeldhouwwerk Vanaf 1969, na een reis door Europa, waarbij hij ook Nederland bezocht in 1968, ging De Kooning naast 2D-kunst ook kleisculpturen maken. Aanvankelijk maakte hij, na een bezoek aan het atelier van een bevriende beeldhouwer, kleine beeldjes door met de ogen dicht kleine stukken klei te kneden. Dit is terug te voeren op zijn manier van schetsen, dat hij ook met de ogen dicht deed. Zijn galeriehouder spoorde hem later aan om de beelden te laten uitvergroten. De Kooning beschouwde de sculpturen, die hij eerst in dikke klei boetseerde, als driedimensionale schilderkunst. In de periode rond 1972-74 brak hij voor korte tijd zelfs totaal met zijn schilderactiviteiten en maakte enkele grote sculpturen. Na terugkeer tot het schilderen sloot hij de beeldhouwfase volledig af.

miniatuur|Standing Figure en Seated Woman in Rotterdam

Voorbeelden van zijn werken uit de periode 1969 en 1970 (die pas later in brons werden gegoten) bevinden zich op het Hofplein aan de kant van het Weena in Rotterdam. Uit zijn beeldhouwfase komen onder andere de werken:

Reclining Figure (1969) Standing Figure (1969) Seated Woman (1970; in brons gegoten 1980) De krabbenvisser (1972; in brons gegoten 1976)

Later werk en levenseinde Willem en Elaine de Kooning zijn altijd getrouwd gebleven, maar hebben feitelijk maar enkele jaren samengewoond. Elaine trok daarop haar eigen plan, maar bleef Willem hartstochtelijk promoten als een groot kunstenaar. Ze was kunstcritica en had banden met vooraanstaande kunstcritici.

Gedurende zijn leven wisselden periodes van grote drankzucht en intensief schilderen elkaar af. Eind jaren 1970 verscheen Elaine de Kooning op zijn verzoek opnieuw in zijn leven. Hij was eenzaam en zag in haar de enige die hem kon helpen om zijn drankzucht en depressies te beteugelen. Uiteindelijk verdween de alcohol uit het leven van De Kooning en ontstond er een soort rust in zijn schilderijen. Waren het voorheen Rubens en Picasso aan wie De Kooning zich spiegelde, van toen af aan was het Henri Matisse, van wie hij de grote collages erg waardeerde.

Eind 1984 werd bij hem dementie vastgesteld en de kwaliteit van zijn werk werd minder, terwijl de waarde van zijn vroege werk steeg. Assistenten bereidden in die periode steeds meer voor, legden de schetsen die als voorstudies dienden klaar en gaven de kleuren aan. In februari 1989 overleed Elaine, die zijn toestand tot dan toe voor de buitenwereld verborgen probeerde te houden, en werd bij De Kooning de Ziekte van Alzheimer vastgesteld. In 1997 overleed De Kooning op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van deze ziekte.

Privé-leven