Het bittere kruid. Een kleine kroniek is het eerste boek van Marga Minco en verscheen in 1957. De uit anekdoten opgebouwde kroniek vormt de literaire en deels gefictionaliseerde neerslag van haar persoonlijke ervaringen met de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een joods gezin uit Breda komt vanwege de jodenvervolging in Amsterdam terecht, waar eerst de ouders en later ook de ondergedoken broer worden opgepakt. De ik-persoon duikt onder bij boeren in de buurt van Aalsmeer. Het werk werd talloze malen herdrukt en vertaald en wordt beschouwd als een van de klassiekers uit de Europese literatuur over de Tweede Wereldoorlog.Jan Brokken, 'Marga Minco: "Schrijven vervormt je herinnering."' In Jan Brokken, Schrijven. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1980, 173. Gearchiveerd op 15 juli 2023.

Het boekje wordt vaak gekenschetst als een 'sobere, maar ongewoon aangrijpende kroniek'W. Gobbers,'Marga Minco.' In: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van de middeleeuwen tot heden, met inbegrip van de Friese auteurs. Weesp, De Haan, 1985. Geraadpleegd op 1 april 2014. of als 'onderkoeld geschreven'G.J. van Bork, 'Marga Minco.' Schrijvers en dichters, 2009, online. Geraadpleegd op 1 april 2014. en leverde haar de Vijverbergprijs 1958 op.

Inhoud

Een joodse familie keert enkele dagen na de capitulatie terug naar hun huis te Breda, dat vanwege de Duitse inval was geëvacueerd. De familie bestaat uit de ik-verteller en haar ouders; haar iets oudere zus Bettie en broer Dave wonen in Amsterdam. Met de buurman en enkele gemeenteleden bespreken ze de toestand. Het algehele gevoel is dat hen niets goeds te gebeuren staat, al houdt de vader er de moed in door zich vast te houden aan de gedachte dat Nederland geen Duitsland is. Wanneer ze op straat een paar soldaten passeren, zegt de vader: 'Zie je wel, ze doen ons niets.' Als schoolmeisje werd de hoofdpersoon regelmatig gepest door kinderen van de naburige katholieke school. Haar broer Dave is eens gewond geraakt toen hij in gevecht raakte met een jongen die maar 'vuile jood' bleef roepen. Thuis heeft de vader toen het litteken laten zien dat hijzelf in zíjn schooltijd aan een soortgelijk incident over heeft gehouden.

In het eerste jaar van de oorlog wordt de ik-persoon ziek en verblijft in een Utrechtse tbc-kliniek, waar ze vanwege de anti-joodse regels geen familiebezoek krijgt. Haar ouders trekken bij haar inmiddels getrouwde broer in te Amersfoort. Enkele weken na haar ontslag uit het ziekenhuis komt haar vader thuis met een pakje met gele Jodensterren, die met zorg op de jassen worden genaaid met bijpassende kleuren garen. Nagekeken door het hele gezin gaat Dave nog even naar buiten zonder ster; de laatste dag dat dat is toegestaan.

Op een dag moeten de vader en Dave worden gekeurd voor de werkkampen. Vader wordt afgekeurd wegens een huidaandoening, Dave vanwege ziekteverschijnselen die hij met een bruin drankje bij zichzelf heeft weten op te wekken. Zijn ziekelijke uiterlijk herinnert de hoofdpersoon aan haar broers studietijd in Rotterdam, toen de vader hem eens bezocht en hem zo dronken aantrof van een hele week fuiven dat de vader hem mee naar huis nam. Net als de familie Zwagers en vele anderen laten ze bij fotograaf Smelting portretten maken, voor als er iets met een van hen gebeurt. Niet lang daarna zijn de Zwagers verdwenen, de eerste onderduikers die ze meemaken.

Een telegram brengt slecht nieuws uit Amsterdam: Bettie is opgepakt. Vader gaat telefoneren bij een kennis die met een niet-joodse vrouw getrouwd is, die vanwege haar beroep van vroedvrouw telefoon mag houden. Bettie is thuis om negen uur 's avonds per overvalwagen opgepakt. Opnieuw denkt de ik-persoon terug aan haar jeugd, toen Bettie van een verdrinkingsdood werd gered doordat vader haar uit het water stekende hand wist te grijpen. Dit keer komt er geen helpende hand.

Nadat ze een oproep hebben gehad om zich te melden en kampeerbekers zijn gaan kopen, komen ze meneer Zaagmeier tegen die hen afraadt gehoor te geven aan de oproep, omdat ze dan nooit meer zullen terugkomen. Dave en de hoofdpersoon krijgen een attest van de dokter dat ze niet mogen reizen. Een nieuwe verordening bepaalt dat elke jood boven de 50 jaar naar Amsterdam moet, waar volgens de vader een nieuw getto zal worden opgebouwd. Hij en zijn vrouw mogen één koffer meenemen. Twee in zwarte leren jassen geklede functionarissen komen de koffer verzegelen en maken inventaris op van de kamer, die ook verzegeld wordt. Het verzegelen van de koffer herinnert de ik-persoon aan een treinreis vanuit België naar Nederland, waarbij moeder bang was de koffer gecontroleerd zou worden omdat er twee flessen eau de cologne in zaten. Vader zegt optimistisch dat ze niet lang weg zullen blijven en bagatelliseert de verhalen over Polen die de ronde doen. Enkele dagen na de razzia waarbij Bettie is opgepakt is er een briefkaart van haar gekomen dat ze het goed maakt. Nadat de ouders weg zijn, betreden Lotte en de hoofdpersoon de verzegelde kamer; ze hebben het gevoel dat de spullen niet meer van hen zijn.

Onder het mom een racket te komen lenen komt het niet-joodse buurmeisje langs en kiest een aantal spullen uit waarvan ze het zonde vindt als de familie die zou achterlaten. Ze mag meenemen wat haar bevalt en verlaat met armen vol spullen het huis. ‘Ik had beter een tas mee kunnen nemen,’ zei ze lachend. De ouders wonen op kamers in de Amsterdamse Sarphatistraat, in een huis met een tuin, te midden van veel bekenden. De hoofdpersoon gaat ze opzoeken in Amsterdam en neemt het risico van een treinreis, waarvoor ze haar ster van haar jas afhaalt. De reis vervult haar met een opgewonden gevoel, 'omdat ik even kon doen of alles normaal was.' Zonder incidenten bereikt ze het huis, waar iedereen haar over de reis uitvraagt. De eigenaren van het huis zijn een week na de aankomst van de ouders verdwenen, ondergedoken. Met het andere inwonende gezin is toen afgesproken dat de ouders de benedenverdieping zou gebruiken, die ze zo hebben ingericht dat het de hoofdpersoon doet denken aan thuis in Breda.

Het souterrain is een opslagplaats voor huisraad, waar de hoofdpersoon terugdenkt aan haar kindertijd, toen ze op zolder speelde met de daar opgeslagen carnavalspakken. 'Ik paste ze allemaal aan en liep er hele middagen in rond. Zo omhing ik me in het souterrain met snoeren kralen en wandelde door de bedompte vertrekken.' Vader komt gealarmeerd het souterrain binnen met de jassen. Hij doet het licht uit en iedereen kijkt door het tralievenster, waar ze alleen zicht hebben op de voeten van de voorbijgangers op straat. Uit het huis ernaast, een rusthuis voor zieken, stappen glimmend gepoetste zwarte laarzen die naar een geparkeerde auto lopen. Daarna zien ze gewone schoenen volgen, waaronder de beige kinderlaarsjes van Liesje, het buurmeisje.

In Breda was de vader voorganger bij de dienst in de synagoge, maar in Amsterdam is hij gewoon gemeentelid. Na de sabbatdienst bespreken ze de onderduikmogelijkheid en concluderen dat dat in Breda eenvoudiger zou zijn geweest omdat ze in Amsterdam weinig bekenden hebben. Naar huis lopend komen ze langs het gele bord 'Judenviertel' dat bij de brug over de Amstel ter hoogte van de Nieuwe Herengracht is aangebracht. Tante Kaatje zal op bezoek komen, de tweelingzuster van de grootmoeder van de hoofdpersoon van vaderskant en al dik in de tachtig. Grootmoeder zelf is al voor de oorlog overleden. Zodra ze buiten komt dwingt een man haar enkele vragen te beantwoorden en haar persoonsbewijs te tonen. Hij is echter op zoek naar een ander meisje. Ze loopt door naar de Weesperstraat, waar al het winkelpersoneel gele sterren op de jassen heeft. Op de terugweg loopt ze over de stille Achtergracht. Thuis verneemt ze dat het verzorgingstehuis van tante Kaatje is leeggehaald. Op weg naar de slager wordt de hoofdpersoon in de Lepelstraat door twee overvalauto's ingesloten. Soldaten in groene uniformen ontruimen de huizen; omdat de ik-persoon zelf elders woont, wordt ze niet opgepakt. De volgende ochtend ziet ze in de straat diverse huisdeuren open staan en de slagerij is dichtgetimmerd.

Tussen twee schuttingen in de tuin is een smalle ruimte waar ze zich kunnen verstoppen, ontdekt vader. Die avond rijden er weer ophaalwagens door de straat, maar de ophaalfunctionarissen staan al binnen voor ze het weten, zodat ze geen kans hebben de tuin in te gaan. 'Haal onze jassen even,' zegt vader en dat geeft de hoofdpersoon de kans om via de keuken en de tuin de straat uit te rennen tot aan het Frederiksplein. Haar jas met daarin haar persoonsbewijs hangt nog thuis, zodat de bezetters haar signalement hebben.

Ze gaat naar het adres van Dave en Lotte op de Weteringschans en overweegt even om naar de Hollandsche Schouwburg (de verzamelplaats voor opgepakte joden in Amsterdam) te gaan om te kijken of haar ouders daar uit komen, maar dat vindt Dave te riskant. Van buren uit de Sarphatistraat verneemt ze dat het huis geobserveerd wordt omdat men denkt dat ze terugkeert om spullen te halen. Met waterstofperoxide bleekt Lotte haar haren en vervolgens die van zichzelf. Als ook Dave dit doet, wekt dit de argwaan van de hospita, die hen sommeert de volgende dag het huis te verlaten. Die nacht denkt de ik-figuur aan Seideravond, wanneer er altijd een deur open stond om een vreemdeling binnen te laten, wat nooit gebeurd is. Het betreft de herdenking van de joodse uittocht uit Egypte, waarbij ongezuurd brood en bittere kruiden gegeten worden.

Ze besluiten met zijn drieën naar Utrecht te gaan en veiligheidshalve ieder apart op de trein te stappen. In Utrecht verneemt de ik-verteller dat Lotte bij een controle is opgepakt en Dave bij haar is gebleven. De ik-persoon gaat weer naar Amsterdam en daar helpt haar kennis Wout haar aan een onderduikadres bij een boer op het platteland in de buurt van Aalsmeer. Tot het einde van de oorlog wisselt ze nog een paar keer van onderduikadres, onder meer in Heemstede.

Na de bevrijding bezoekt de verteller haar oom en tante in Zeist, die niet waren opgepakt omdat haar tante niet joods was. Haar oom staat elke dag bij de tramhalte te wachten tot zijn broer, haar vader, terugkeert. Ook heeft hij diens kleren bewaard, waar de ik-persoon echter niets aan heeft, omdat ze beseft dat haar familie niet zal terugkeren. Kort daarop sterft de oom.

Ontstaansgeschiedenis Een eerste versie van de veertiende kroniek, 'De Lepelstraat' (over een razzia), werd al in 1942 geschreven, maar is verloren gegaan. Bij het schrijven van Het bittere kruid vijftien jaar later stond het verhaal de auteur nog woordelijk voor ogen. Onder grote concentratie verliep het schrijven aan het boek voorspoedig en binnen enkele maanden was het af. Niettemin zijn wel zeven of acht versies van de verhalen vervaardigd. Hoewel de stijlopvattingen van de auteur zich later wijzigden, heeft ze ervan afgezien het boek in de jaren zestig te herzien en details toe te voegen.Brokken (1980), p. 176.

Schrijfstijl De vele versies die aan het definitieve werk voorafgaan, hangen samen met de stijlopvattingen van de auteur: 'Over een dramatische gebeurtenis moet je sober schrijven, anders wordt het: melodrama. (...) Ik wilde het zo geserreerd mogelijk zeggen. Geen twee woorden, als het met één toe kon.'Brokken (1980), p. 176. Ten tijde van het schrijven was vaak zelfs 'een half woord al voldoende', omdat in 1957 de oorlog nog vers in het geheugen van de mensen lag: 'Wanneer je schreef dat een overvalwagen de Sarphatistraat binnenreed, hoefde je er niet aan toe te voegen dat het hier een razzia betrof.' Zo valt ook het woord Duitser niet eenmaal in het boek, omdat 'de soldaten' voldoende was.