thumb|Promotiemateriaal uit de jaren 1930 uit Baltimore, Saint Louis en Chicago in de VS Bij een tramlijn gaat het om een aantal (stads)trams die in een bepaalde tijdsafstand van elkaar (interval of frequentie) van de ene naar de andere bestemming rijdt. Dit gaat doorgaans over dezelfde route. Een samenstelling van een aantal tramlijnen noemt men een tramnet.
Voor aanduiding van lijnen werden aanvankelijk houten en emaille borden en glas gebruikt. Deze werden later vervangen door lijnfilms, matrixaanduidingen en led-aanduidingen. Lijninformatie op trams bestaat uit de bestemming van de passerende tramwagen en meestal het lijnnummer waaronder gereden wordt.
Eerste aanduidingen thumb|Typisch voorbeeld van de bestemmingsaanduiding rond 1915: serienummer van de wagen op het balkon, bord met bestemming in de lijnkleur groen en geschilderd lijnnummer. De laatste twee onverlicht. Daar waar in een stad vanaf ongeveer 1870 meer tramlijnen (van vaak meer dan één bedrijf) in díe stad werden aangelegd, ontstond vanzelf bij het publiek behoefte te kunnen uitmaken waar de passerende tram heen ging en welke haltes deze onderweg aandeed.
Trambedrijven begonnen, naast de trotse vermelding van de naam en het logo van hun bedrijf, ook de serienummers op hun wagens te schilderen. Later brachten ze er ook reclame op aan. De aanduiding voor een bestemming werd meestal met de hand op een langwerpig bord geschilderd. Daarvan werden er meerdere gemaakt, waarbij er per tram twee - één per kant - onder de raampartij of op het dak van de wagen werden aangebracht. Aan de voorzijde werd volstaan met een rechthoekig bord. De eindbestemming werd daarop geschilderd. De andere kopkant van de tram had ook zo’n bord (met de andere eindbestemming) zodat altijd de juiste bestemming kon worden getoond. Dit was mogelijk omdat de trams in die tijd niet keerden via een lus maar met een wissel het andere spoor bereikten of bij enkelspoor dezelfde baan terugnamen. Deze eerste aanduidingen waren meest onverlicht.
Naarmate steden groter werden, de tramnetten expandeerden en het stratenpatroon ingewikkelder werd, reden meerdere lijnen van verschillende beginpunten naar dezelfde bestemming, bijvoorbeeld naar de stadscentra of belangrijke spoorwegstations. Op die manier ontstond de behoefte aan meer onderscheid en deden extra aanduidingen hun intrede: nummers, letters, bepaalde gekleurde plaatjes (pictogram) of kleuraanduidingen (of combinaties ervan).
Het gebruik van kleuren en pictogrammen was vooral gericht op de grote hoeveelheid analfabeten in de steden rond 1900 die noch cijfers noch letters konden lezen. Deze kleursystemen werden snel ingewikkeld en zeer onderhoudsgevoelig, zodat zij in de jaren 1920 op veel plaatsen verdwenen waren. Een overblijfsel hiervan is nog in een aantal steden te vinden, zoals in Amsterdam en Antwerpen, waar tot de dag van vandaag - naast lijnnummers en bestemmingsaanduiding - lijnkleuren worden gebruikt. Dat kan gebeuren uit nostalgische overwegingen (de meeste mensen kunnen nu wel lezen), maar ook om de lijn vanaf grotere afstand kenbaar te maken. Ook bij de Tram van Kopenhagen werd tot aan de opheffing van het trambedrijf in 1972 met lijnkleuren gewerkt.
Nummers en letters thumb|Zijkoersbord in de lijnkleuren (rood/wit) met de bestemmingen van de Haagse lijn 8. Museummotorwagen (replica) 2 van de HTM Het is bij het stads- en streekvervoer gebruikelijk dat de routes worden aangeduid met een lijnnummer (soms -letter) die duidelijk op de voertuigen vermeld wordt. Bij de spoorwegen bestaan zulke nummers ook (zie Treinserie) maar daar zijn ze alleen voor intern gebruik - de bestemming van een trein wordt voldoende gevonden.
Nummer- en letteraanduidingen werden eerst op dezelfde manier aangebracht: op houten borden. Op de voorkant van de trams werden - naast het omklapbare rechthoekige bord voor de bestemming - vierkante borden aangebracht, waarop het nummer of de letter geschilderd was. In latere stadia werden deze van glas gemaakt, zodat men ze in een houder kon plaatsen, met erachter een lamp, zodat in het donker in ieder geval het lijnnummer of de -letter leesbaar was.
Ook bestonden draaibare richtingtrommels: vierkante bij de stadstrams van Utrecht en zeskantige bij de stadstrams van de Blauwe Tram en de interlokale motorwagens van de Limburgsche Tramweg Maatschappij, waardoor er meer dan twee bestemmingen gekozen konden worden.
Ondanks expansie van de stad en het bedrijf ging niet ieder trambedrijf over op het gebruik van nummers of letters en evenmin op het gebruik van kleuren. Veel Amerikaanse steden, hoe groot ook, gingen nooit (consequent) over op de vermelding ervan. Administratief hadden de lijnen echter wel vaak nummers.
Voorbeelden van mogelijkheden Chicago - een aanduiding van de belangrijkste straat waarover de tramlijn reed (bijvoorbeeld Roosevelt), geen nummers behalve in de latere series PCC-cars en sommige oude trams; wel voor elke lijn administratieve nummers; Detroit - alleen aanduiding van de belangrijkste straat waarover de tramlijn reed (bijvoorbeeld Michigan), daarna een half ingevoerde poging tot lijnnummering en later alleen administratieve nummers; Toronto - alleen bestemmingsaanduiding of alleen aanduiding van de belangrijkste straat waarover de tramlijn reed (bijvoorbeeld King), pas in de jaren 1980 lijnnummers (bijvoorbeeld 502); Boston - bestemmingsaanduiding met nummers (maar niet alle lijnen), later vervielen alle nummers en bleven slechts administratief; in de jaren 1980 invoering van lijnletters (bijvoorbeeld D); Albany/Troy - altijd alleen bestemmingsaanduiding; San Francisco (SF Muni) - bestemmingsaanduiding en letter (B - GEARY); Amsterdam - bestemmingsaanduiding, lijnnummer én kleurenaanduiding (tot op heden); Den Haag - bestemmingsaanduiding, lijnnummer én kleurenaanduiding. De kleurenaanduiding verdween in de jaren 1920. Er bestond ook een tramlijn met alleen een letter (A). Tevens werden combinaties van cijfers en letters gebruikt: bijvoorbeeld 6K op een groene ondergrond. Wenen - bestemmingsaanduiding, lijnnummer (31) of lijnletter (D) of combinatie van letter en nummer (E2) of nummer en letter (42A); combinatie van 2 letters (Ak) of twee lijnnummers (8/49);
Het meest wijdverbreid was echter de aanduiding van een lijnnummer en een bestemming. In Belgische steden zoals Brussel en Antwerpen was het tot voor kort de gewoonte beide eindpunten te vermelden, ongeacht het eindpunt waarheen de tram op weg was.
Promotiemateriaal Al vanaf 1900 lieten vele bedrijven met steeds ingewikkeldere lijnennetten mooi geïllustreerde brochures drukken. Hierin kon worden geadverteerd en het openbaarvervoerbedrijf prees zijn toeristische rondritten er in aan. De brochures werden gratis bij allerlei verkooppunten en bijvoorbeeld ook op stations of in de schouwburg verspreid.
De traditie van het uitbrengen van een lijnennetkaart bestaat tot op heden. Niet overal is het meer gratis. De lijnennetkaarten zijn soms weergaven van de werkelijkheid - gebaseerd op een topografische kaart waarin dan de lijnen zijn ingetekend - of schematische weergaven van het net die tot ware kunstuitingen zijn uitgegroeid. De schematische kaarten die London Transport uitbrengt voor haar metronet is daarvan een beroemd voorbeeld.
Keuze voor nummers en letters Waarom kozen openbaarvervoerbedrijven voor letters voor hun tramlijnaanduiding, andere voor nummers en weer andere voor combinaties daarvan?
Binnen vele bedrijven werd voor nummering gekozen omdat er dan meer dan 26 lijnen mogelijk zijn. Kleine bedrijven kozen nogal eens voor letters, sommige schakelden van letteraanduiding over op cijfers.
Lijnletters konden betrekking hebben op de bestemming. Zo reed in Düsseldorf de interlokale lijn D naar Duisburg, lijn K naar Krefeld en lijn V naar Vohwinkel.
Simpeler was de oplossing die de Haagse tram koos voor de buitenlijnen. Zij kregen geen lijnnummers. De lijnfilm gaf alleen de bestemming aan. Officieel hadden deze lijnen I-nummers, waarbij de "I" stond voor "Interlokaal". Aldus reed lijn I¹ naar Delft, lijn I² naar Leiden en lijn I³ naar Voorburg. Dit stond op de haltes en lijnennetkaarten aangegeven, maar niet op de trams. Ook andere interlokale tramlijnen in Nederland voerden geen lijnnummers.
In de keuzes van lijnnummers voor tramlijnen zit meestal geen enkele logica. Doorgaans kregen de allereerste lijnen de lijnnummers 1 en 2 en vaak groeiden deze uit tot belangrijke lijnen. Als er wel logica bestond, ging deze door latere wijzigingen in de lijnenloop meestal weer verloren. Sommige trambedrijven streven naar aaneensluitende nummerreeksen en gaan daarom over tot het veranderen van historisch gegroeide lijnnummers waaraan de reizigers al tientallen jaren gewend zijn. Zo kregen in 1968 de Rotterdamse tramlijnen 10 en 14 de nieuwe nummers 6 resp. 4, zonder dat er iets essentieels aan de route veranderde. De huidige lijn 8 is feitelijk nog steeds de oorspronkelijke lijn 10 later lijn 6. Amsterdam heeft er bij het heropenen van verdwenen routes naar gestreefd de oude lijnnummers opnieuw te gebruiken. Dit was het geval bij lijn 12, lijn 14 en de inmiddels weer verdwenen lijn 6, die alle gedeeltelijk de route terugkregen van hun verre voorgangers met hetzelfde lijnnummer. Bij de in 1978 opnieuw in dienst gestelde lijn 5, in 1993 bij lijn 11 en in 2020 bij lijn 25 is er geen enkele logica. Dit was ook het geval bij Circletram 20 die van 1997-2002 reed en voor beide richtingen een aanduiding had, 20A en 20B.
Het is goed mogelijk dat verschillende vervoersbedrijven dezelfde lijnnummers gebruiken, maar alleen als ze niet in contact met elkaar komen. Zijn er in een stad twee vervoersbedrijven - een voor stads- en een voor streekvervoer - dan zorgt men ervoor dat de lijnnummers niet overeenkomen. In het Ruhrgebied zijn in 1980 de lijnnummers per stad of per aantal steden ingedeeld zoals Krefeld met de lijnen 041-044 tot Duisburg met de lijnen 901 en 903. De andere steden hebben nummers in de 100 tot 800 serie. Dit gold ook in de regio Keulen en Bonn waarbij de lijnen uit Bonn lijnnummers in de 60 kregen waarbij de lijnen uit Keulen de lage nummers behielden.
In Toronto hebben de lijnen nummers in de 500. Verder komen nummers boven de 100 voor in onder meer Melbourne (lijn 109) en vroeger in Brussel (lijn 101,102 en 103) en in Rome. (de huidige lijn 2 had oorspronkelijk het lijnnummer 225)
Een ander fenomeen is het plaatsen van een rode of witte streep door het tramlijnnummer. Deze aanduiding kon in veel steden worden aangetroffen en duidt op het feit dat het bijvoorbeeld wel lijn 1 betreft maar dat deze niet de hele route van lijn 1 rijdt. Voor op de tram was dan merendeels een extra bordje in een houder aangebracht met de aanduiding SHORT TURN (in de Verenigde Staten) of ‘Kurzstrecke’ (in Duitsland). Het streepje wordt zo nu en dan nog gebruikt. In Vlaamse steden sprak men dan bijvoorbeeld van "lijn doorstreepte zeven".
Uitzonderingen Vanzelfsprekend zijn er op deze keuzes uitzonderingen. Twee voorbeelden: In Pittsburgh werd na het ontstaan van één bedrijf in de hele stad gekozen voor een systeem waarbij tramlijnen oplopend tegen de klok in werden genummerd. De lijnen 1 - 5 reden naar het noordwesten van de stad; 6 - 13 naar het westen; lijnen in de 20 en 30 naar het zuidwesten; lijnen in de 40 en 50 naar het zuiden enz. In Wenen is jarenlang een zeer doordacht systeem in gebruik geweest. Dit ontstond rond 1906 toen het zeer grote trambedrijf de pictogrammen die men gebruikte - in Wenen ‘Hyrogliephen’ genoemd - afschafte. Er werden 3 soorten lijnen onderscheiden, zogenaamde ‘Radiallinien’, Tangentiallinien’ en ‘Durchgangslinien’. De radiale lijnen werden consequent 21 tot en met 83 genummerd. De tangentiële lijnen kregen de nummers 2 tot en met 10 (later werd dat - door de ingebruikname van meer van deze lijnen - tot en met 20). Alle doorgaande lijnen kregen letters.