Het Lineair B is een schriftvorm die in 1900 werd ontdekt te Knossos in Centraal-Kreta door archeoloog Arthur Evans. Het noteert een archaïsche vorm van de Griekse taal, het zogenaamde Myceens. Lineair B, een in hoofdzaak syllabisch schrift, is opgebouwd uit 88 tekens en elk symbool staat voor een open lettergreep (ta, po, ...) of een klinker. Naast de syllabische tekens zijn er ook meer dan 100 ideogrammen die onder andere fysieke objecten, maten en gewichten voorstellen. Het Lineair B is gebaseerd op het Lineair A, waarmee een tot dusver niet-geïdentificeerde taal werd genoteerd.
Herkomst van het Lineair B Historische ontwikkeling en plaats van herkomst Er zijn voorbeelden van het Lineair B gevonden in de archieven die over zijn van de paleizen van Knossos, Chania (destijds Kydonia), Pylos, Tiryns, Mycene en Thebe.
De Minoïsche beschaving ging op het eiland Kreta vooraf aan de tijd van het Myceens en het Lineair B. Er heeft zich daar in die tijd een bloeiende paleiscultuur ontwikkeld. De Kretenzers waren geen Indo-Europeanen. Hun taal, die ook geen Indo-Europese taal was, werd in de eerste helft van het tweede millennium voor Christus in schriftelijke vorm weergegeven met behulp van een hiëroglyfisch schrift. Dit schrift ontwikkelde zich rond de 18e-17e eeuw v.C. tot het Lineair A, het schriftsysteem dat tot circa 1450 v.C. in het gebied van de Egeïsche Zee de meeste invloed had.
Er kwamen op het Egeïsche schiereiland tijdens deze bloeiperiode op Kreta, dus rond 2000 v.C., veel inwoners bij. De eerste Grieken, die vroege vorm van het Grieks spraken, vielen het vasteland binnen en vermengden zich met de plaatselijke bevolking, ook nog geen Indo-Europeanen. De Myceense paleisbeschaving ontwikkelde zich hier geleidelijk aan, maar bleef door Kreta overschaduwd. Men gebruikte op het Griekse vasteland dan ook eerst het Lineair A schrift, al kwam daar langzaam verandering in.
thumb|De Egeïsche Zee
Er zijn verschillende theorieën volgens welke het Lineair B uit het Lineair A is ontstaan.
A Bartoněkuit Tsjechië (1926–2016) dacht dat er rond de 16e eeuw v.C. Minoïsche schrijvers waren, die in de Myceense paleizen op het vasteland het Lineair A gebruikten. Hun Myceense leerlingen namen aanvankelijk dit niet-Griekse Lineair A over, maar begonnen mogelijk in het begin van de 15e eeuw v.C. het Lineair A al aan hun eigen Griekse taal aan te passen. Ze namen de ideogrammen en andere tekens uit het Lineair A over, waardoor het Lineair B ontstond. A Bartoněk. Handbuch des mykenischen Griechisch, 2003.
Naar de mening van FR Adradosuit Spanje werd er op Kreta voor het eerst in het Myceens geschreven. Schrijvers van het Myceense paleis te Knossos zouden het Oudgrieks met een syllabisch schrift hebben geschreven, dat men van het door de Minoïsche schrijvers gebruikte Lineair A had afgeleid. Hierbij werd logisch het Kretenzische dialect van het Grieks gebruikt, de bestuurders in de paleizen kenden dat. Het Myceens, een Kretenzisch dialect van het Grieks, kreeg zijn vaste vorm dus op Kreta en werd daarna op het continent geïntroduceerd. Het werd ook op het vasteland vooral voor het bestuur gebruikt. Hierdoor wordt ook de uniforme verschijningswijze van het Lineair B verklaard. Critici van deze theorie stellen dat het, ondanks dat het Lineair B op het Lineair A lijkt, niet uitsluit dat de ontwikkeling naar het Lineair B ook ergens anders dan op Kreta gebeurde. FR Adrados. Historia de la lengua griega, Editorial Credos, 1999. vertaald Adrados op Google Books. A History of the Greek Language: From Its Origins to the Present, 2005. Gearchiveerd op 5 april 2024.
Kreta werd rond 1450 v.C. geteisterd door enkele natuurrampen, die de paleisbeschaving danig hebben verzwakt. De Myceners konden hieruit voordeel halen en verwierven op Kreta en in het gebied van de Egeïsche Zee een vooraanstaande positie. Het Lineair B verdween langzaam op het einde van de 13e eeuw v.C., toen de hele Middellandse Zee door de komst van mensen van ergens anders en de komst van de Zeevolken in oproer raakte. De duistere eeuwen braken aan. Het Lineair B en de paleiscultuur verdwenen, maar het Grieks werd enkele eeuwen later, in ongeveer de 8e eeuw v.C., toch weer geschreven met een alfabet.
Reden van ontstaan De schrijvers van de kleitabletten in de Myceense paleisbeschavingen gingen het Lineair B hanteren, omdat ze naar een schrift verlangden dat beter geschikt was om hun eigen taal weer te geven. Toch is het duidelijk dat het Grieks van het Lineair B geen taal was die inderdaad zo werd gesproken,Adrados stelt in dit verband de gemeenschappelijke naam 'para-Myceens' voor: een volkstaal die naast het officiële Myceens moet hebben bestaan en die onderhevig was aan regionale verschillen en fluctuaties. blz. 56-58 noch een weergave was van linguïstische verschillen tussen bepaalde streken. De gebruikte taal komt voor de verschillende vondsten van het Lineair B overeen.
Het Lineair B werd niet voor literaire doeleinden aangewend. Gedichten en verhalen werden mondeling van generatie op generatie doorgegeven. De voornaamste drijfveer om het Lineair B in te voeren lag in het economische vlak: het bestuur in de Myceense paleizen had een taal nodig met een officiële status en met vaste zinnen. Dat werd het Lineair B.
Ontcijfering . The Decipherment of Linear B, juni 2014. Achtergrond Er werden tussen 1750 en 1900 verscheidene schriftsystemen succesvol ontcijferd, zoals het hiërogliefenschrift en het Cypro-Minoïsch schrift en men leerde daaruit veel over hoe schriftsystemen werken. Het aantal tekens is een belangrijke indicator. Zijn het er minder dan dertig, dan zijn de tekens waarschijnlijk klanken, zijn het er meer, dan zijn het lettergrepen. Als het er vele duizenden zijn, dan zijn het begrippen. Er werden behalve de letters van het alfabet in de klassieke oudheid maar weinig leestekens gebruikt. Als men denkt dat een tekenreeks een eigennaam voorstelt, kan dat bovendien een grote hulp zijn omdat men van eigennamen ongeveer weet hoe ze worden uitgesproken.
Evans Arthur John Evans (1851-1941) was Brits archeoloog en conservator bij het Ashmolean Museum in Oxford. Hij ontdekte onder andere de Minoïsche schriften Lineair A en Lineair B.
De ontdekking van de schriften De wereld stond bij de opgravingen van Mycene door Heinrich Schliemann in de jaren 1870 verbaasd over de daar aangetroffen schatten en kunst. Ondanks het ontbreken van natuurlijke rijkdommen, bleek het om een rijke en hoogstaande beschaving te gaan, zoals ook in de Homerische geschriften werd aangegeven. Evans kwam tot de conclusie dat het niet anders kon dan dat er in deze beschaving met zijn economische structuur kon worden gelezen en geschreven. Hij wist dat het niet om een schrift met een alfabet kon gaan, het alfabet kwam pas 200-300 jaar na de val van Mycene uit Fenicië naar Griekenland, maar er werden ook geen inscripties of andere schriftvondsten aangetroffen in de graven en paleizen.
Toen Evans in 1893 in antiquiteitenwinkels in Athene gegraveerde zegelstenen aantrof, herinnerde hij zich een soortgelijk exemplaar uit Kreta, die Greville Chester hem ooit had laten zien. Hij bestudeerde de gravures, vond regelmatige herhalingen en combinaties van beelden en raakte ervan overtuigd dat het om een pictografisch schrift ging, dat op het schrift met de Egyptische hiërogliefen leek. Hij zocht in 1894 samen met zijn assistent John Myres in Kreta naar de oorsprong van deze stenen. Hij vond er verschillende die door Kretenzische boerinnen als amulet werden gedragen en γαλόπετρα of melkstenen werden genoemd. Hij vond verder in Psychro een plengoffertafel met lineaire tekens, Lineair A.Ventris en Chadwick, 1973. blz 9
Evans besefte dat deze melkstenen niet zouden hebben kunnen volstaan om de administratie van de toenmalige maatschappij te ondersteunen. Zijn aandacht ging naar de Κεφάλα Τσελεμπῆ uit, in de literatuur de Kephala-heuvel genoemd, waar Knossos onder lag. Schliemann had deze site al tegen het einde van zijn leven willen uitgraven, maar kon de hand niet op het grondareaal leggen.Ventris en Chadwick, 1973. blz 8 Deze moeilijkheden vloeiden gedeeltelijk voort uit de toenmalige Ottomaanse overheersing van het gebied, maar Kreta werd eind 1899 van de Turken bevrijd, waardoor Evans de Kephala-heuvel in zijn bezit kon krijgen en met zijn uitgraven kon beginnen. Zijn eerste doel was toen het schrift te vinden. Hij werd niet ontgoocheld: na één week vond hij al kleitabletten met lineair schrift, met Lineair B.
Evans kon aan de hand van zijn vondsten een indeling maken van de verschillende schriften: semi-pictografischesemi-pictorial in Maurice Pope in Duhoux en Morpurgo Davies, 2008. blz 2 - het schrift van de γαλόπετρα dat ook op kleitabletten in Knossos werd teruggevondenMaurice Pope in Duhoux en Morpurgo Davies, 2008. blz 9. Evans zelf noemde het de hiëroglifische stijl vanwege de gelijkenis met de Egyptische hiërogliefen. twee lineaireLineair betekent dat de tekens qua vorm in vergelijking met het semi-pictografische schrift zijn vereenvoudigd, waar de tekens nog niet zo gestileerd waren en het eerder kleine prentjes waren dan symbolen. Cancik en Schneider, Neue Pauly. Altertum, 1998. band 4, blz 1220 schriften: Lineair A - hoofdzakelijk op Kreta gevonden, vooral in Hagia Triada bij Phaistos, geschreven op aardewerk, maar ook op brons en steen en Lineair B - ook gevonden op het vasteland. De enige vondsten van Lineair B uit Kreta komen van Knossos en een handvol uit Chania. Het geschrevene bestond uitsluitend uit kleitabletten.
Evans deelde de drie schriften ook chronologisch in, in drie periodes: de periode van omstreeks 2000-1650 v. Chr. voor het semi-pictografische schrift, de periode van omstreeks 1750-1450 voor Lineair A dat na een eventueel kort parallel bestaan door het Lineair B werd opgevolgd.Later werd bewezen dat alle Lineair B-tabletten van Knossos werden geschreven kort voor de ondergang van het paleis. Ze werden daardoor onbedoeld door de vlammen van het brandende paleis gebakken, dus bewaard.
Pogingen tot ontcijfering Evans deed wat de Lineair B-tabletten betreft bovendien andere belangrijke ontdekkingen: Het ging om een syllabisch schrift. Het aantal tekens, ongeveer 90, was te groot voor een alfabetisch schrift maar te klein voor een pictografisch schrift. De inhoud was van zuiver administratieve aard. De tabletten waren registers van de inventarissen van de paleizen. Het thema van elk tablet werd door een pictogram aangegeven, bijvoorbeeld een kar of een slaaf. Er waren ook veel tekens voor de getallen, voor de telwoorden.
Evans heeft geprobeerd om het Lineair B te ontcijferen. Hij merkte onder meer op dat er verschillende tekens waren die op het Cypriotische syllabisch schrift leken, maar hij slaagde er niet in het Lineair B ontcijferen. Zijn pogingen waren namelijk niet systematisch genoeg, zijn methode was onvoldoende gedocumenteerd, het publiceren van kleitabletten ging ontzettend traag en hij verloor daardoor zijn motivatie. Hij richtte zijn aandacht meer en meer op het paleis zelf, wat resulteerde in het werk The Palace of Minos. Dat was nier meer lang voor de Eerste Wereldoorlog. Het was zijn bedoeling dat zijn Scripta Minoa I van 1909, over het semi-pictografische schrift, door een tweede deel over de lineaire schriften zou worden opgevolgd, maar toen hij in 1941 op negentigjarige leeftijd stierf was het werk verre van af. Myres ondernam de moeilijke taak om de wanordelijke aantekeningen van Evans om te werken tot een boek en slaagde daar in 1952 in met het Scripta Minoa II.
Wat het ontcijferingproces verder vertraagde was het feit dat Evans zeer onwillig was om andere onderzoekers het door hem opgegraven materiaal te laten publiceren. Hij werd bijvoorbeeld heel kwaad op de Finse professor Johannes Sundwall toen die 38 van de kleitabletten van Knossos publiceerde.
Het dwaalspoor