Adriana (Jeanne) Fortanier-de Wit ('s-Gravenhage, 19 april 1907 – Velsen-Zuid, 23 december 1993) was een Nederlands onderwijzeres en liberaal politica. Zij was achtereenvolgens actief voor de Liberale Staatspartij, de Partij van de Vrijheid (PvdV) en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Van 1946 tot 1958 was zij lid van de Tweede Kamer, waar zij zich onder meer bezighield met onderwijs, Koninkrijkszaken, sociale wetgeving en de rechtspositie van vrouwen.
Fortanier-de Wit behoorde binnen het naoorlogse liberalisme tot de vooruitstrevende vleugel. Zij werkte in de Kamer samen met vrouwelijke parlementariërs als Corry Tendeloo en Marga Klompé en was in 1955 medeondertekenaar van de motie-Tendeloo tegen het verplichte ontslag van huwende vrouwelijke ambtenaren. In 1949 en 1950 vertegenwoordigde zij het Nederlands Vrouwencomité bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. In 1950 was zij volgens de Nederlandse Vrouwen Raad de eerste Nederlandse vrouwenvertegenwoordiger in de delegatie die daar zelf een verklaring aflegde.
Levensloop Jeugd en opleiding Adriana de Wit, roepnaam Jeanne, werd op 19 april 1907 geboren in Den Haag als oudste van drie dochters van Gijsbertus de Wit en Frederika Visser. Haar vader was aanvankelijk werkzaam in de bouw en werd later directeur van een verzekeringsmaatschappij; haar moeder was een dochter van een metselaar. Het gezin woonde op verschillende adressen in het Valkenboskwartier, destijds een Haagse wijk met vooral geschoolde arbeiders en middenstanders. Haar ouders scheidden in 1927, kort voor haar twintigste verjaardag, waarna De Wit bij haar moeder bleef wonen.
De Wit bezocht na de lagere school de driejarige gemeentelijke HBS aan de Raamstraat in Den Haag. Vervolgens volgde zij daar de Rijkskweekschool voor Onderwijzers. In 1926 behaalde zij, negentien jaar oud, haar bevoegdheid als onderwijzeres. Daarnaast bereidde zij zich met een voormalige leraar voor op het staatsexamen middelbaar onderwijs Frans. Of zij dit examen daadwerkelijk aflegde is niet bekend; in 1927 behaalde zij wel de lagere akte Frans. Later volgde zij informeel lessen economie samen met haar verloofde Guillaume Frédéric (Wim) Fortanier, die economie studeerde. Zij stond zelf niet als student ingeschreven en legde geen examens af.
Al op jonge leeftijd was De Wit actief in de korfbalsport. In 1922 was zij op vijftienjarige leeftijd een van de negen oprichters van de Haagse korfbalvereniging Achilles. In het ledenregister werd zij als oprichter ingeschreven onder nummer 1h. Toen de vereniging na promotie in 1929 tijdelijk niet langer de naam Achilles mocht gebruiken vanwege een gelijknamige club uit Almelo, bedacht Wim Fortanier de naam Sellicha, een omkering van Achilles. Volgens de verenigingsgeschiedenis liet hij De Wit de nieuwe naam aan de vereniging presenteren. De club gebruikte de naam tot 1935.
Onderwijzeres en vroege politieke activiteiten Na haar opleiding werkte De Wit van 1926 tot haar huwelijk in 1932 als onderwijzeres aan een openbare lagere school in de Haagse Schilderswijk. Op 30 maart 1932 trouwde zij in Den Haag met Guillaume Frédéric Fortanier. Na haar huwelijk stopte zij voorlopig met betaald werk.
Naast haar werk en later haar huishouden raakte Fortanier-de Wit steeds sterker betrokken bij het liberalisme. In 1929 werd zij lid van de Bond van Jong-Liberalen. Van 1933 tot 1937 maakte zij deel uit van het hoofdbestuur van deze organisatie. Ook was zij actief binnen de Liberale Staatspartij „De Vrijheidsbond”. Volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland behoorde zij binnen deze partij tot de progressieve, sociaal-liberale vleugel en werkte zij onder meer mee aan de organisatie van liberaal-sociale congressen.
In 1937 stelde Fortanier-de Wit zich namens de Vrijheidsbond kandidaat voor de Tweede Kamer, maar zij werd niet gekozen. In dezelfde periode maakte zij deel uit van een commissie van de partij die zich bezighield met de organisatie en beginselen van de Vrijheidsbond. Van 1938 tot 1940 was zij daarnaast lid van het hoofdbestuur van Eenheid door Democratie, een beweging die de parlementaire democratie verdedigde tegen zowel het nationaalsocialisme als het communisme.
Ook buiten de partijpolitiek was zij maatschappelijk actief. Zij was lid van de Nederlandsche Bond van Abstinent-Studerenden, een niet-socialistische jeugdorganisatie die geheelonthouding combineerde met intellectuele vorming.
Gemeenteraad van Rotterdam en oorlogsjaren In 1939 werd Fortanier-de Wit gekozen tot lid van de gemeenteraad van Rotterdam. Op 15 oktober van dat jaar hield zij voor de AVRO een radiotoespraak over de rol van vrouwen in oorlogstijd. Daarin stelde zij volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland dat vrouwen onder de dreiging van oorlog hun verantwoordelijkheid moesten nemen en de veranderde omstandigheden onder ogen moesten zien.
Fortanier-de Wit bleef gemeenteraadslid tot de Duitse bezetter de Rotterdamse gemeenteraad in september 1941 ontbond. Daarna hervatte zij haar werk als onderwijzeres. Van 1942 tot 1945 werkte zij aan een openbare lagere school aan de Speelmanstraat in Kralingen, in een deel van Rotterdam dat tijdens de oorlog zwaar door bombardementen was getroffen. In dezelfde periode was zij secretaresse van de Vereeniging voor Industriescholen voor Meisjes in Rotterdam-Kralingen.
Na de bevrijding keerde zij terug in de lokale politiek. Vanaf 9 november 1945 maakte zij deel uit van de tijdelijke gemeenteraad van Rotterdam. Zij bleef daar lid van tot september 1946, terwijl zij inmiddels met haar gezin naar Amsterdam was verhuisd. In 1945 werd haar enige zoon, Guillaume Frédéric André (André), geboren.
Partij van de Vrijheid en Tweede Kamer
miniatuur|links|Affiche voor de Partij van de Vrijheid voor de Tweede Kamerverkiezingen in 1946
Na de oorlog raakte Fortanier-de Wit betrokken bij de vorming van een nieuwe landelijke liberale partij. Zij behoorde tot de liberalen die vonden dat de oude Liberale Staatspartij „De Vrijheidsbond” moest opgaan in een bredere politieke organisatie. Op 12 maart 1946 maakte zij deel uit van het comité van initiatief van de Partij van de Vrijheid (PvdV) en vervolgens van het voorlopige hoofdbestuur van die partij.
In oktober 1945 was Fortanier-de Wit met haar echtgenoot en zoon naar Amsterdam verhuisd. Daar vond zij volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland weinig aansluiting bij de plaatselijke liberale kiesvereniging. Haar sociaal-liberale profiel en haar kritische houding tegenover De Telegraaf, die nauwe banden had met Amsterdamse liberalen, maakten dat zij er als te progressief werd beschouwd.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1946 was Fortanier-de Wit lijstaanvoerder van de PvdV in de kieskringen 's-Hertogenbosch, Tilburg, Utrecht en Maastricht. Zij werd gekozen en trad op 4 juni 1946 toe tot de Tweede Kamer. Van juni 1946 tot juli 1948 was zij fractiesecretaris van de PvdV. Nadat de PvdV in januari 1948 opging in de nieuw gevormde VVD, zette zij haar Kamerlidmaatschap voor die partij voort.
Binnen de liberale fractie was Fortanier-de Wit tot 1955 de enige vrouw. Zij hield zich in de Kamer vooral bezig met onderwijs, overzeese gebiedsdelen en Koninkrijkszaken, ambtenarenzaken, omroep en sociale wetgeving. Volgens Parlement.com voerde zij op deze terreinen geregeld het woord. Van september 1948 tot september 1949 was zij voorzitter van de begrotingscommissie voor Sociale Zaken en van november 1956 tot haar vertrek uit de Kamer in februari 1958 ondervoorzitter van de vaste commissie voor Overzeese Rijksdelen.
Fortanier-de Wit bekleedde binnen de VVD-fractie eveneens een organisatorische rol. Van juli 1952 tot haar vertrek uit de Tweede Kamer in 1958 was zij fractiesecretaris. Een VVD-partijblad typeerde haar in 1952 als een prominente vertegenwoordiger van de partij en noemde haar de „first lady” van de VVD.
VVD en Tweede Kamer Na de oprichting van de VVD in 1948 bleef Fortanier-de Wit lid van de Tweede Kamer. Binnen de fractie ontwikkelde zij zich tot een van de vaste woordvoerders op het gebied van onderwijs, ambtenarenzaken, sociale wetgeving, omroep en Koninkrijkszaken. Van juli 1952 tot haar vertrek uit de Kamer in 1958 was zij fractiesecretaris.
Fortanier-de Wit week bij enkele belangrijke stemmingen af van de meerderheid van haar fractie. In 1952 stemde zij samen met Zegering Hadders als enige VVD'er vóór een voorstel tot uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer. Twee jaar later was zij het enige VVD-Kamerlid dat vóór het Statuut voor het Koninkrijk stemde. Zij vond dat daarvoor geen voorafgaande grondwetswijziging nodig was en dat het Statuut niet op formele gronden moest worden verworpen.
Ook werkte zij geregeld samen met vrouwelijke Kamerleden buiten haar eigen partij. Volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland had zij goede contacten met andere vrouwelijke parlementariërs en werkte zij onder meer samen met Corry Tendeloo en Marga Klompé. Tot 1955 was Fortanier-de Wit de enige vrouw in de liberale Kamerfractie.
In 1957 werd zij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Verenigde Naties In 1949 en 1950 maakte Fortanier-de Wit namens het Nederlands Vrouwencomité deel uit van de Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. In 1949 woonde zij vanaf 20 september de vierde Algemene Vergadering in Lake Success bij. Zij keerde voortijdig naar Nederland terug vanwege de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel over de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië.
Een jaar later nam zij opnieuw namens het Nederlands Vrouwencomité deel aan de Nederlandse delegatie, ditmaal tijdens de vijfde Algemene Vergadering. Volgens een historisch overzicht van de Nederlandse Vrouwen Raad was Fortanier-de Wit de eerste vrouwenvertegenwoordiger binnen de Nederlandse delegatie die tijdens de Algemene Vergadering zelf een verklaring mocht afleggen.
Op 9 oktober 1950 sprak zij over een ontwerpresolutie betreffende de blijvende behoeften van kinderen en de toekomst van UNICEF. Zij wees erop dat de acute nood in Europa na de Tweede Wereldoorlog afnam, maar dat wereldwijd nog miljoenen kinderen leden onder ondervoeding en een gebrek aan medische zorg, onderwijsvoorzieningen en sociale bescherming. Fortanier-de Wit benadrukte dat kinderwelzijn volgens haar niet los kon worden gezien van de omstandigheden van ouders en gezinnen en daarom onderdeel moest zijn van een bredere sociaal-economische aanpak.
In haar bijdrage pleitte zij ervoor internationale hulp in de eerste plaats te richten op landen die zelf al deden wat binnen hun mogelijkheden lag. Zij wees daarbij op het grote verschil tussen de ongeveer tien miljoen kinderen die op dat moment door UNICEF werden bereikt en de honderden miljoenen kinderen voor wie toekomstige programma's van betekenis konden zijn. Volgens Fortanier-de Wit maakte die omvang het noodzakelijk de meest urgente gevallen voorrang te geven.
Vertrek uit de Tweede Kamer en latere functies Op 20 februari 1958 verliet Fortanier-de Wit de Tweede Kamer. Volgens het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland speelde daarbij mee dat zij haar zoon tijdens zijn middelbareschooltijd meer wilde begeleiden. Het gezin woonde sinds 1948 in Overveen.
Na haar vertrek uit de Kamer bleef zij actief in verschillende bestuurlijke en adviserende functies. Vanaf februari 1958 was zij lid van de Radioraad, die in 1968 opging in de Omroepraad; zij bleef daar tot 1977 aan verbonden. Ook werd zij kroonlid van het Algemeen Werkloosheidsfonds en was zij rond dezelfde periode lid van de Ziekenfondsraad.