De oorlog in Afghanistan begon in 2001 en eindigde bijna 20 jaar later, in 2021. De oorlog in Afghanistan was een direct gevolg van de aanslagen op 11 september 2001 op drie doelen in de Verenigde Staten. Het was de langste oorlog waaraan de Verenigde Staten heeft deelgenomen.

De strijdkrachten van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Frankrijk en de Noordelijke Alliantie vielen in 2001 de Taliban aan, onder de naam Operation Enduring Freedom. Het Taliban-regime in Afghanistan bood een thuis aan Al Qaida, dat achter de aanslagen op 11 september 2001 zat. De Amerikaanse regering met aan het hoofd president George W. Bush besloot het land binnen te vallen nadat de Taliban een ultimatum naast zich hadden neergelegd om Osama bin Laden en andere belangrijke leiders van Al Qaida uit te leveren. Het Taliban-regime was vrij snel verslagen, maar Bin Laden kon ontsnappen.

Onder leiding van Hamid Karzai werd een nieuwe Afghaanse regering geïnstalleerd en een nieuwe grondwet opgesteld. Meer dan 5 miljoen vluchtelingen keerden terug naar hun woonplaats. De verdreven strijders van de Taliban proberen al jarenlang het nieuwe bewind omver te werpen vanuit hun basis in Pakistan, na de vernietiging van hun bolwerken in Afghanistan. Hierdoor bleven de gevechtshandelingen veel langer duren dan aanvankelijk was voorzien. Ook de dood van Bin Laden in mei 2011 maakte geen einde aan de gevechten.

Sinds 2002 namen Nederlandse militairen deel aan acties in Afghanistan als onderdeel van de internationale operatie Enduring Freedom. Ze werkten eerst in de provincie Baghlan en later vooral in de provincie Uruzgan en in Kunduz. Van 2015 tot 2021 namen Nederlandse militairen deel aan de NAVO-missie Resolute Support, met het doel de opbouw van het veiligheidsapparaat, leger en politie in Afghanistan.

In april 2021 kondigde de Amerikaanse president Joe Biden aan dat de Amerikaanse troepen zich zouden terugtrekken. Insiders in de Amerikaanse regering waren er toen al geruime tijd van overtuigd dat de oorlog op een dwaalspoor was geraakt, maar waren bang voor de politieke gevolgen als ze dat zouden toegeven.

Toen zowel de VS als de NAVO begon met het terugtrekken van troepen, startten de taliban met een offensief in het land. De Afghaanse president ontvluchtte het land en de Taliban namen de regering weer over nadat de Westerse troepen zich in augustus 2021 volledig hadden teruggetrokken.

Achtergrond

Sinds het vertrek van de Sovjet-Unie bevochten verschillende gewapende facties elkaar in Afghanistan. Eind 1994 was er officieel een regering met Burhanuddin Rabbani aan het hoofd/aan de macht, maar de verschillende stammen en krijgsheren bevochten elkaar. Zij financierden zich met export van opium. In de tweede helft van 1994 kwam een nieuwe groep op die zich kantte tegen de drugshandel en de krijgsheren: de Taliban. Deze fundamentalistische groep werd geleid door Mohammed Omar en kon rekenen op de steun van Saoedi-Arabië en Pakistan. Een geschat aantal van honderdduizend Pakistanen vocht in de jaren negentig mee aan de zijde van de Taliban. Onder hen waren veel leden van de ISI, de Pakistaanse inlichtingendienst.

Pakistan wilde zo zijn invloed doen gelden in Afghanistan. De Taliban behaalden hun eerste succes op 5 november 1994 met de verovering van het zuidelijk gelegen Kandahar. Daarna trokken de Taliban-leden verder naar het noorden. Ze veroverden Herat in september 1995, en op 26 september 1996 viel Kabul in hun handen. Oud-president Mohammed Nadjiboellah, diens broer en vroegere medewerkers werden vermoord. In de jaren daarop veroverden de nieuwe machtshebbers grote delen van het noorden, waarbij zij meerdere bloedbaden veroorzaakten. Alleen de Noordelijke Alliantie onder leiding van Achmed Sjah Massoud en Abdul Rashid Dostum bood verzet. Bazarak en de Panjshirvallei in het noordoosten bleef in hun handen.

Het machtscentrum van de Taliban was Kandahar. De Opperste Sjoera nam de belangrijkste beslissingen. Aanvankelijk brachten de Taliban rust en orde en werden de beslissingen binnen de Opperste Sjoera op democratische wijze genomen, maar Mohammed Omar trok steeds meer macht naar zich toe. De Taliban stonden het strikt naleven van de regels van de islam en de sharia voor. Zij verboden vrouwen alleen over straat te gaan. Ook moesten vrouwen zich in een allesbedekkende boerka kleden, meisjesscholen werden gesloten, muziek verboden en bioscopen en televisiestudio's gesloten.

De Taliban boden ook onderdak aan Al Qaida. Deze organisatie had verschillende trainingskampen, waar zij naast eigen leden ook Taliban-vechters klaarstoomde voor de strijd. In 1998 werd Osama bin Laden, de leider van Al Qaida, Soedan door Amerikaanse druk uitgezet en hij vond opnieuw toevlucht tot Afghanistan, waar hij eerder tegen de Sovjet-Unie gevochten had. De Amerikaanse regering wees hem aan tot hoofdschuldige van de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Afrika en eiste van de Taliban de uitlevering van Bin Laden. De Afghanen wezen de Amerikaanse eisen af.

Twee journalisten interviewden Massoud op 9 september 2001. Tijdens het interview lieten zij een bom exploderen die in een videocamera zat verstopt. Onderweg naar het ziekenhuis overleed hij. Internationale experts vreesden dat de Noordelijke Alliantie zonder Massoud geen kans zou maken tegen de Taliban.

Aanslagen van 11 september en Amerikaans ultimatum Op de morgen van 11 september 2001 boorden twee passagiersvliegtuigen zich in de Twin Towers van het World Trade Center in New York. Beide torens stortten binnen het uur in. Een ander vliegtuig trof het Pentagon en een vierde vliegtuig stortte neer in een veld in Pennsylvania. Alle vier vliegtuigen waren gekaapt door leden van Al Qaida.

De Amerikaanse zoektocht naar Al Qaida-leider Bin Laden zou de casus belli voor de Amerikaanse invasie worden. Op 18 september 2001 stemden het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden met 420 voor en 1 tegen: Volksvertegenwoordiger Barbara Lee van Californië en de Amerikaanse Senaat met 98 voor en 0 stemmen tegen om de VS een mandaat te verlenen om ten strijde te trekken. Het betrof "een campagne van onbeperkte duur tegen 'degenen die verantwoordelijk zijn voor de recente aanvallen op de Verenigde Staten'".

Op 20 september stelde de Amerikaanse president George W. Bush een ultimatum aan de Taliban. Hierin stonden de volgende punten: vrijlaten van alle buitenlandse gevangenen, onder wie Amerikaanse burgers beschermen van buitenlandse journalisten, diplomaten en hulpverleners in Afghanistan sluiten van trainingskampen voor terroristen in Afghanistan en het "overdragen van elke terrorist en elk persoon en hun steunstructuur aan de geschikte autoriteiten" geven van volledige toegang tot de trainingskampen van terroristen aan de Verenigde Staten zodat hun sluiting gecontroleerd kan worden

Over deze eisen kon niet onderhandeld of gediscussieerd worden. Het antwoord kwam niet direct van de Taliban, maar via hun Pakistaanse ambassade. In hun eerste reactie vroegen ze om bewijsmateriaal van Bin Ladens betrokkenheid bij de aanvallen van 11 september. Zij boden aan hem in een islamitische rechtszaal te berechten. Toen de oorlog al begonnen was boden ze aan hem in een neutraal land te laten berechten. Gematigden binnen de Taliban zijn naar verluidt samengekomen met ambtenaren van de Amerikaanse ambassade om een manier te bedenken om Mohammed Omar, leider van de Taliban, te overtuigen Bin Laden toch aan de Verenigde Staten uit te leveren om een vergeldingsoorlog te voorkomen. Alle voorstellen die de Taliban deed werden door president Bush afgewezen.

Invasie (2001-2002)

Opmars naar Kabul De Amerikaanse regering gaf op 7 oktober het startsein voor de militaire campagne tegen Afghanistan. CIA-teams van de Special Activities Division waren de eerste Amerikaanse troepen die in Afghanistan voet aan de grond zetten. Zij werden gevolgd door commandoteams van de United States Army Special Forces. De eerste luchtaanvallen vonden meteen plaats. De Verenigde Staten bombardeerden het vliegveld en elektriciteitsvoorzieningen van de hoofdstad Kabul. Bij de steden Kandahar en Jalalabad vielen ook bommen.

Amerikaanse en Britse Special Forces werkten nauw samen met de verschillende Afghaanse oppositiegroepen, waarvan de Noordelijke Alliantie de belangrijkste was om het noordwestelijk gelegen Herat in te nemen. In de stad brak een opstand uit waardoor de Taliban de stad prijs moest geven.

De Verenigde Staten boekten een groot succes toen zij vroeg in de oorlog erin slaagden Mohammed Atef, een van de belangrijkste leden van Al Qaida, te doden met een raketaanval op zijn huis in Kabul. Ook zijn bewaker Abu Ali al-Yafi'i en zes anderen verloren het leven.

Voor het Afghaanse luchtdoelgeschut vlogen de Amerikaanse bommenwerpers te hoog. Verder zette de VS Apache-helikopters in. Verschillende malen werden ook tomahawkrakketen gelanceerd van Amerikaanse schepen. De eerste aanvallen richtten zich vooral op doelen rondom Kabul, Jalalabad en Kandahar.

Binnen een paar dagen waren de Afghaanse luchtafweer en de meeste trainingskampen van de Taliban vernietigd. Daarna richtten de aanvallen zich er vooral op om de communicatielijnen van de Taliban verder te verzwakken. Tegelijkertijd zat er weinig beweging in het front van de Noordelijke Alliantie. De leiders van die alliantie eisten dat de bombardementen zich meer op doelen rondom die frontlijn zouden richten. De Amerikanen gaven daar gehoor aan en begonnen de Taliban daar meer onder vuur te nemen. De Taliban-leden hadden geen ervaring met de hoogstaande bombardementen en waren makkelijk zichtbaar voor de Amerikaanse spotters die de doelen doorgaven aan de luchtmacht.

De Noordelijke Alliantie arriveerde samen met de Amerikaanse Special Forces op 10 november in Mazar-i-Sharif. Deze stad was van strategisch belangrijke waarde vanwege de aanwezigheid van twee vliegvelden en een belangrijke weg die liep naar Oezbekistan. Daardoor zou ook mogelijke hongersnood onder de Afghaanse bevolking kunnen worden voorkomen. Onder leiding van de generaals Abdul Rashid Dostum en Atta Muhammad Nur nam de Noordelijke Alliantie de belangrijkste militaire basis en het vliegveld in. Na bloedige gevechten die anderhalf uur lang duurden trokken de Taliban-troepen zich terug. De bevrijders werden met gejuich ontvangen. De verovering was voor de Amerikanen een verrassing. Zij hadden verwacht dat gevechten rondom de stad tot ver in het volgende jaar zouden kunnen duren.

Er gingen geruchten rond dat Mullah Dadullah de stad met achtduizend Taliban-leden zou willen heroveren. De Verenigde Staten vlogen duizend manschappen in van de 10th Mountain Division. Zij hadden vanaf nu ook de beschikking over een eigen luchtmachtbasis in Afghanistan. Daarvoor vlogen Amerikaanse vliegtuigen vanuit Oezbekistan of vliegdekschepen vanuit de Arabische Zee.

In de nacht van 12 november verlieten de Taliban-troepen de stad Kabul. Toen de Noordelijke Alliantie in de volgende middag de stad naderde ondervonden zij nauwelijks verzet. Een klein groepje van twintig Talabani hadden zich verborgen in een stadspark en boden verzet. Na een vuurgevecht van een kwartier waren zij uitgeschakeld en was de hele stad in handen van de coalitietroepen.

Op 14 november 2001 nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een resolutie aan, waarin van de Taliban werd geëist dat Osama bin Laden overgedragen zou worden en dat alle trainingskampen voor terroristen gesloten zouden worden. Hierin werd verwezen naar een resolutie uit december 2000, waarin ook al om uitlevering van Bin Laden was gevraagd vanwege de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Afrika in augustus 1998. De resolutie sprak niet over het gebruik van geweld.

Taliban raakt ingedamd, Bin Laden vlucht