Dit artikel geeft hoofdzakelijk een overzicht van de vervoeging van Nederlandse werkwoorden, geordend naar grammaticale categorie en uitgewerkt met voorbeelden. De vervoeging is het veranderen van de vorm van Nederlandse werkwoorden om de tijd, persoon, modus of het aspect aan te geven. Er zijn regels voor de vervoeging, maar ook veel speciale gevallen en uitzonderingen.

Basisvormen De vormen die in morfologisch opzicht met name van belang zijn voor het maken van deze tijden zijn de infinitief, de vorm voor de verleden tijd enkelvoud en die van het voltooid deelwoord. Wanneer men deze drie vormen van een werkwoord kent, kan men in het Nederlands alle gebruikelijke tijden uitdrukken.

Stam

Bijna alle Nederlandse infinitieven zijn meerlettergrepig met de laatste lettergreep uitgaand op -en. De enige uitzonderingen zijn de eenlettergrepige (monosyllabische) werkwoorden doen, gaan, slaan, staan, zien en zijn en hiervan afgeleide infinitieven met een voorvoegsel (prefix), zoals doorgaan en ontzien.

Om de stam van een werkwoord te vinden wordt de uitgang -en (of alleen -n als het werkwoord niet op -en eindigt) van de infinitief afgehaald. Hierbij treden in grote lijnen dezelfde fonologische veranderingen op als bij het verwijderen van de meervoudsuitgang -en van het zelfstandig naamwoord.

Samengestelde werkwoorden beginnen met een voorzetsel, zelfstandig naamwoord of ander woord. Het maakt deel uit van de infinitief: doorlopen, autorijden. Dit voorzetsel of zelfstandig naamwoord heeft dan de klemtoon. Zo'n samengesteld werkwoord wordt in de verbuiging vaak gescheiden (zie scheidbaar samengesteld werkwoord), bijvoorbeeld: loop jij eens door, doorgelopen en het is dan ook gemakkelijker de delen als aparte woorden te beschouwen. Het is niet altijd eenvoudig een voorzetsel of zelfstandig naamwoord te herkennen. Zo is bij doorzetten duidelijk sprake van een voorzetsel, maar bij doorzien (met klemtoon op zien) is dat niet het geval. Vormen van de aantonende wijs (zie onder) zijn daarom respectievelijk zet door en doorzag.

Er zijn een paar werkwoorden die op het eerste gezicht samengesteld ogen, maar waarvan de delen nimmer gescheiden worden. Bovendien is de vervoeging hiervan zwak zonder enige onregelmatigheden. Het gaat onder andere om stofzuigen, zweefvliegen en voetballen, met vervoegde vormen als stofzuigde en gevoetbald. Deze werkwoorden gedragen zich dus als niet-samengestelde werkwoorden.

Voorvoegsel Sommige werkwoorden beginnen met een voorvoegsel. De belangrijkste voorvoegsels zijn ver-, be-, onder-, ont-, ge- en her-.

Er is in dit geval geen sprake van een samengesteld werkwoord, zoals in de paragraaf hierboven. De voorvoegsels zijn, anders dan bij de meeste samengestelde werkwoorden, niet beklemtoond. Er zijn twee redenen waarom het nodig is een onbeklemtoond voorvoegsel te herkennen:

De verbuiging van een werkwoord met voorvoegsel gaat (meestal) op dezelfde manier als die van het werkwoord zonder voorvoegsel. Bijvoorbeeld, de verleden tijd van vriezen is vroor, en de verleden tijd van bevriezen is dus bevroor. Heeft een werkwoord een voorvoegsel, dan vervalt het voorvoegsel ge- van het verleden deelwoord. Het verleden deelwoord van bevriezen is dus niet gebevroren, maar bevroren.Een voorbeeld van een werkwoord waarbij dit vaak misgaat is verbaliseren, waarvan het eerste deel niet het voorvoegsel ver- is, maar deel van het samenstellende woord verbaal. Het verleden deelwoord is daarom geverbaliseerd. Een ander werkwoord dat in dit opzicht problemen geeft is afgelasten. Het is afkomstig van gelasten, dat vooral in de voltooide tijd voorkomt: afgelast. De lettergreep ge- lijkt op het voorvoegsel van het verleden deelwoord, maar behoort tot gelasten, en komt ook in andere werkwoordsvormen voor. Met andere woorden, het voorvoegsel ge- maakt al deel uit van de andere vormen van het werkwoord en daardoor komt er als gevolg van haplologie in de voltooide vormen geen voorvoegsel ge- meer bij.

Verleden tijd De werkwoordsstam is ook van belang voor het vervoegen van het werkwoord in de verleden tijd, met name waar het de archaïsche tweede persoon enkelvoud betreft: gij. Deze vervoeging komt in het Noord-Nederlands niet veel meer voor, behalve in een vorm als gij waart. In de zuidelijke (Brabants gekleurde) spreektaal wordt echter nog op grote schaal gebruikgemaakt van de gij-vorm.

Vervoeging Wijs

De vervoeging naar wijs is in het Nederlands niet erg uitgebreid wat het aantal vormen betreft (in tegenstelling tot die in bijvoorbeeld het Frans en Duits). Het Nederlands kent de onbepaalde, de aantonende, de aanvoegende, de voorwaardelijke en de gebiedende wijs.

Aantonende wijs De meest voorkomende wijs, die daarom ook als de basisvorm kan worden gezien, is de aantonende wijs of indicatief, bijvoorbeeld (eerste persoon enkelvoud, onvoltooid tegenwoordige tijd): ik maak. De aantonende wijs geeft aan dat de handeling vanuit het oogpunt van de spreker "werkelijk" plaatsheeft, dan wel plaats heeft gevonden of nog plaats zal vinden. Deze wijs wordt vervoegd in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen. De aantonende wijs is als in de volgende tabel:Heeft het werkwoord een voorzetsel of zelfstandig naamwoord, dan komt dit in de aantonende wijs als apart woord ná de persoonsvorm, bijvoorbeeld: loop door, liepen door. Dit wordt in de tabel verder niet vermeld. Waar 'infinitief' staat, wordt de infinitief zonder voorzetsel of zelfstandig naamwoord bedoeld, dus niet doorlopen, maar lopen door.

PersoonTegenwoordige tijd (alleen van regelmatige werkwoorden)Verleden tijd (alleen van zwakke werkwoorden)StemhebbendStemloos1e persoon enkelvoud (ik)stam (1)stam + destam + te2e persoon enkelvoud (jij, je)stam + t (2)stam + destam + teidem, met pers vnw na het werkwoordstam (1)stam + destam + te2e persoon enkelvoud (u, gij, ge)stam + t (2)stam + detstam + tet3e persoon enkelvoud (hij, zij, ze, het, men)stam + t (2)stam + destam + te1e persoon meervoud (wij)infinitiefstam + denstam + ten2e persoon meervoud (jullie)infinitief; verouderd: stam + t (2)stam + denstam + ten3e persoon meervoud (zij, ze)infinitiefstam + denstam + ten

Eindigt de stam op -aa, dan valt een a weg in de spelling terwijl de klinker hetzelfde wordt uitgesproken als in de infinitief. Dit is het geval bij de infinitieven 'gaan' en 'staan' Eindigt de stam op -t, dan wordt er geen extra t meer toegevoegd.

Gebiedende wijs De gebiedende wijs geeft een bevel van de spreker weer. De gebiedende wijs wordt niet vervoegd naar tijd, de vervoeging naar persoon is beperkt tot het onderscheid enkelvoud-meervoud: "maak!" (enkelvoud) en "maakt (u)!" (meervouds- of beleefdsheidsvorm). Zie ook verderop in dit artikel.

De gebiedende wijs is in het Nederlands qua vorm verder gelijk aan ik-vorm van het werkwoord. Voorbeelden: "Ga weg!" "Doe eens gewoon!" Soms wordt een onderwerp toegevoegd: "Kom jij eens hier."

In het meervoud werd vroeger de gebiedende wijs vervoegd met een -t achter de stam. Dit wordt echter in de praktijk vrijwel alleen nog maar gebruikt in formele teksten, versteende taalvormen en bevelen, waardoor het in andere situaties kan overkomen als een archaïsme.Elektronische versie van de ANS Voorbeelden: "Komt allen!" (gebiedende wijs van "Allen komen.")

In de praktijk wordt deze vorm dus niet veel meer gebruikt.

Voor de beleefdheidsvorm is de verbuiging met stam + -t de enig correcte als het persoonlijk voornaamwoord u wordt toegevoegd. "Leest u maar." (gebiedende wijs van "U leest.") "Neemt u plaats.

Het wederkerend voornaamwoord van u zou zich moeten zijn: "Weest u zich bewust." (gebiedende wijs van "U bent zich bewust.") "Schaamt u zich!" (gebiedende wijs van "U schaamt zich.")

In de praktijk wordt zich echter vervangen door u. Dan vervalt het andere u en bovendien de t van het werkwoord: "Wees u bewust." "Schaam u!" "weest u" en "schaamt u" zijn meervoudsvormen.

Aanvoegende wijs De aanvoegende wijs kan een wens, aansporing of onmogelijkheid weergeven. Het gebruik van de aanvoegende wijs is in het Nederlands - in tegenstelling tot veel andere talen - beperkt. De aanvoegende wijs in het Nederlands kent enkel nog in het enkelvoud een zichtbaar en hoorbaar verschil met de aantonende wijs. Het enkelvoud wordt gevormd door de -n van de infinitief weg te laten: "Leve de koningin", "Hij ruste in vrede", "Men neme een ons suiker", "Het zij zo". Met behulp van de context kunnen we een meervoud onderscheiden, bijvoorbeeld: "Leven de kinderen" en "Mogen zij rusten in vrede" zijn aanvoegend. Het Nederlands kent ook de aanvoegende wijs in de verleden tijd: "Ware het niet dat ...", "als het ware", "hadde hij niet...". De meeste vormen van de aanvoegende wijs gelden als verouderd, en de aanvoegende wijs in de verleden tijd wordt - buiten "ware(n)" - niet meer gebruikt.

Onbepaalde wijs De onbepaalde wijs (of infinitief, en vooral in het onderwijs vaak "het hele werkwoord" genoemd) kent in engere zin slechts één vorm: maken, zijn enz. In het Nederlands kunnen echter met behulp van infinitieven ook meervoudig samengestelde werkwoordsgroepen gevormd worden, zoals: gemaakt (te) hebben of gepakt (te) zullen worden.

De onbepaalde wijs of infinitief wordt niet naar tijd vervoegd. Er zijn echter wel voltooide, toekomstige en lijdende vormen van het werkwoord met de betekenis van infinitief. Deze worden gevormd met enkele hulpwerkwoorden en een (meestal verleden) deelwoord: gezien te zullen worden of gepakt te zijn. In deze vorm is het werkwoord een zelfstandig werkwoord. Om een doel aan te geven wordt het partikel (om) te toegevoegd:

hij hoopt te komen hij was bang (om) gepakt te zullen worden

In combinatie met de hulpwerkwoorden zitten, liggen, lopen, staan en zelfs hangen ontstaat een gezegdeconstructie waarvan de betekenis vergelijkbaar is met die van de Engelse continuous tense:

ik liep te denken de was hing te drogen

De onbepaalde wijs kan ook een opdracht of verplichting uitdrukken:

dat is nog te regelen

De onbepaalde wijs kan ook als het hoofdwerkwoord van een beknopte bijzin dienen:

hij vond het verschrikkelijk plotseling zonder geldige reden ontslagen te zijn door een hond gebeten te zijn is geen pretje na hem gezien te hebben liep zij naar huis.

Als "het hele werkwoord" is de infinitief ook de vorm waarin het werkwoord als lemma in woordenboeken is opgenomen.

Vervoeging naar persoon

In het Nederlands wordt, zoals in de meeste talen, het werkwoord vervoegd naar het onderwerp; hiermee wordt aangegeven of de handeling wordt uitgevoerd door de spreker (de eerste persoon), de aangesprokene (de tweede persoon), of een ander of iets anders (de derde persoon). Ook bestaat er een verschil tussen enkelvoudige en meervoudige onderwerpen. Samen leveren deze (twee maal drie) zes vervoegingsvormen in de stellende en vragende vorm:

 enkelvoud meervoudstellendvragendstellendvragend eerste persoon ik speel speel ik? wij / jullie / zij spelenverouderd: jullie speelt spelen wij / jullie / zij ? tweede persoon jij speeltu speeltgij speelt speel jij?speelt u?speelt gij? derde persoon hij / zij / het speelt speelt hij / zij / het? De meervoudsvormen van het werkwoord zijn identiek voor alle personen en in de tegenwoordige tijd gelijk aan de infinitief. Samengestelde werkwoorden worden echter gescheiden: meegaan - wij gaan mee. Er is verder nog een enkele uitzondering: wezen - wij zijn.

Actief / passief

Werkwoorden kunnen in het Nederlands in de bedrijvende vorm (actief) of de lijdende vorm (passief) staan. Beide vormen kunnen gemaakt worden in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen. Met de bedrijvende vorm wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handelende persoon of zaak is; met de lijdende vorm wordt de zaak omgedraaid: het onderwerp "ondergaat" dan de handeling.

De lijdende vorm wordt gemaakt door het voltooid deelwoord te combineren met een hulpwerkwoord (het "hulpwerkwoord van de lijdende vorm"). In onvoltooide tijden is dit het werkwoord "worden", in voltooide tijden "zijn".