De Communistische Partij van Nederland (CPN) was een Nederlandse politieke partij die in 1909 onder de naam Sociaal-Democratische Partij (SDP) werd opgericht als afsplitsing van de SDAP, en in 1990 opging in Groen Links. Ongeveer een jaar na de fusie werd de partijorganisatie – toentertijd de oudste van Nederland – officieel opgeheven. De partij vertegenwoordigde de hoofdstroom van het communisme (marxisme-leninisme en tot 1956 stalinisme) binnen het Nederlandse politieke bestel.

De CPN zag de onderdrukking van de arbeidersklasse als een gevolg van het kapitalisme. Ze streefde naar afschaffing van het koningschap ten gunste van een republiek, gelijke rechten voor vrouwen en mannen, zeer ingrijpende wetgeving op het gebied van arbeid en tal van andere sociale veranderingen.

Geschiedenis Scheuring in de SDAP

De geschiedenis van de CPN begon in 1909 met een scheuring in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Deze partij had twee stromingen, een reformistisch/revisionistische en een orthodox-marxistische. Na jarenlange botsingen tussen principiële marxisten binnen de SDAP en SDAP-fractievoorzitter Pieter Jelles Troelstra, waarbij Troelstra en het partijbestuur de scherpe toon van de kritiek van die marxisten onaanvaardbaar achtten, werd op het partijcongres van 13–14 februari 1909 in Deventer, bij tweederdemeerderheid, de redactie van het marxistische oppositieblad De Tribune geroyeerd. Met hen verlieten zo'n 400 geestverwanten de SDAP. Op 14 maart richtten zij de nieuwe SDP (Sociaal-Democratische Partij) op.Ron Blom – Frank van der Goes, 1859–1939. Journalist, literator en pionier van het socialisme. Eburon, Delft, 2012. Pagina's 189 t/m 214. Oprichters waren onder anderen David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn, Jan Ceton en Herman Gorter. De Tribune werd het partijorgaan.

1910-1939 Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1918, de eerste verkiezingen na de invoering van het algemeen kiesrecht, slaagde de SDP erin om twee van de honderd zetels in het parlement te bemachtigen. In het parlement vormden de SDP'ers met de eenmansfracties van SP en BCS de Revolutionaire Kamerclub. In 1919 verkregen de communisten een derde zetel door de overstap van BCS-Kamerlid Willy Kruyt.

In november 1918 werd de naam veranderd in Communistische Partij in Nederland (CPN), in navolging van de bolsjewieken die na de Russische Revolutie de benaming 'sociaaldemocratisch' inruilden voor de oudere term 'communistisch' om aansluiting te vinden bij de revolutionaire traditie van het midden van de 19e eeuw. De naamswijziging was een vereiste voor het lidmaatschap van de Komintern dat de Nederlandse communisten in 1919 verkregen. Later werd de naam Communistische Partij Holland (CPH) gangbaar.

Mede door de vele scheuringen en royementen (zie bijvoorbeeld RSP), behaalde de partij vóór de Tweede Wereldoorlog weinig successen. Vooral de groeiende invloeed van de Komintern riep spanningen op. In 1926 splitste de Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC) zich af onder leiding van David Wijnkoop. Deze groepering stond kritisch ten opzichte van de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en bepleitte samenwerking met de sociaal-democraten binnen de vakbonden van het NVV. De Moskougetrouwe Communistische Partij Holland-Amstel stond onder leiding van Lou de Visser. In 1929 deden de communistische partijen met twee verschillende lijsten mee aan de verkiezingen en haalde zo twee zetels. Onder druk van de Sovjet-Unie werd hierna de eenheid in de partij in 1930 hersteld. Wijnkoop keerde terug in de CPH, maar moest wel spijt betuigen. Op het partijcongres in december 1935 werd de naam veranderd in Communistische Partij van Nederland (CPN). Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 behaalde de partij het grootste vooroorlogse succes, met vier van de honderd zetels in de Tweede Kamer. In 1937 ging één hiervan weer verloren.

Omdat gedurende de Tweede Wereldoorlog alle bestanden vernietigd zijn, zijn de vooroorlogse ledenaantallen niet bekend. Omdat echter de Duitse Gestapo de CPN in samenwerking met de Nederlandse inlichtingendiensten scherp in de gaten hield, weten we uit Duitse bron dat op 31 oktober 1937 het ledenaantal 10.852 bedroeg. Dit aantal is na het Molotov-Ribbentroppact van 23 augustus 1939 teruggelopen tot rond de 9.000. Dit niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie sloeg in als een bom en werd door de CPN als een meesterzet van Stalin beoordeeld. Het geloof in het communisme werd hierdoor voor menig partijlid zwaar op de proef gesteld.

Tweede Wereldoorlog Na de op de Duitse inval volgende capitulatie werd de partij door de bezetter verboden. De partij was echter al vóór de oorlog voorbereid op een eventuele vlucht in de illegaliteit. De activiteiten werden dan ook na korte tijd voortgezet. Al op de dag van de capitulatie, 15 mei 1940, werd in een vergadering van het partijbestuur in het partijgebouw Parlando aan het Frederiksplein in Amsterdam besloten een illegale organisatie op te bouwen.

In het begin van de oorlog werd de partijtop gevormd door Paul de Groot, Lou Jansen en Jan Dieters. Ook voor de Amsterdamse districtsleider Jaap Brandenburg was een belangrijke rol weggelegd. Vooroorlogse bekende kaderleden namen in eerste instantie niet aan het illegale werk deel; dat werd te gevaarlijk geacht. Het nieuwe illegale kader ging bestaan uit ongeveer 2000 mensen, per district in cellen georganiseerd.

In november 1940 werd het partijblad De Waarheid opgericht; A.J. Koejemans was de eerste hoofdredacteur. Het was niet het vroegste illegale blad; in Den Haag was al twee weken eerder een ander tijdschrift uitgebracht, De Vonk. Op de stencilapparaten van De Waarheid werd in 1941 het manifest voor de Februaristaking gedrukt. Tot de dag van vandaag is omstreden wie de auteur was van dit manifest ("Staakt, Staakt, Staakt"). Volgens Frits Reuter (boek, “De Communistische partij van Nederland in oorlogstijd”) was Lou Jansen de opsteller van het manifest.

frame|left|Gerben Wagenaar in 1956 In het eerste jaar was het beleid van de illegale CPN minder fel gekant tegen de Duitse bezetter dan tegen het "imperialistische Westen", inclusief het Huis van Oranje. In de jaargang 1940 nr. 6 van het partijmaandblad Politiek en Cultuur werd zelfs opgeroepen tegenover de Duitse bezetter een "correcte houding" aan te nemen. Citaat uit dit nummer: “Het hoogste belang van de Nederlandse bevolking vordert dat zij, noch direct, noch indirect, steun verleent aan de oorlogsvoering der Geallieerden, doch dat zij tegenover Duitsland een waarlijke neutraliteit in acht neemt”. Tijdens de eerste fase van de Duitse bezetting, tot aan de Duitse aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941, verbood de CPN haar leden volgens historische bronnen om Joodse onderduikers te helpen, uit vrees dat dit de eigen illegale organisatie in gevaar zou brengen. Tegelijkertijd verzette de CPN zich in februari 1941 krachtig tegen de Jodenvervolging en organiseerde zij de Februaristaking. De partijstandpunt ten aanzien van concrete hulp aan Joodse onderduikers verschilde dus van haar politieke verzet tegen de Jodenvervolging.Historisch Nieuwsblad, Rob Hartmans, 29 augustus 2024, CPN verbood haar leden om Joden te helpen.

Nog ruim vóór de door de CPN georganiseerde Februaristaking in 1941 veranderde, vooral onder druk van de Komintern, deze houding echter en dit versterkte zich nog na de Duitse aanval op Sovjet-Rusland in juni 1941. De verzetsactiviteiten richtten zich behalve op het verspreiden van de krant en pamfletten (waaronder Aan het Nederlandsche volk in Eindhoven) vooral op sabotage. Met dat laatste werd oud-Spanjestrijder Janrik van Gilse belast. Met Gerben Wagenaar, Max Meijer (eveneens oud-Spanjestrijder), Jan Schouten en Gerrit Willem Kastein richtte hij de zogeheten Militaire Commissie of Militair Contact (MC) op, die landelijk aanslagen ging plegen op spoorwegen, fabrieken en dergelijke. Een aparte groep onder leiding van Daan Goulooze bedreef spionage ten behoeve van de Sovjet-Unie en droeg zorg voor (beveiligd) radiografisch contact tussen de illegale leiding van de CPN en de Komintern.

De illegale CPN werd fel vervolgd. De Duitsers en de politie konden de actieve CPN-leden betrekkelijk makkelijk opsporen doordat de Nederlandse regionale inlichtingendiensten meteen na de Nederlandse capitulatie hun vooroorlogse infiltranten in de partij ook voor de Sicherheitsdienst (SD) inzetten. Zo heeft de infiltrant Van Soolingen, actief sinds 1923 tot maart 1945, in Den Haag honderden mensen laten arresteren, waarvan er minstens 130 om het leven zijn gekomen. Het gevolg van de vervolging was dat halverwege 1942 de helft van het illegale kader was gearresteerd en uitgeschakeld. In 1942 wilde het driemanschap De Groot, Dieters en Jansen zich om veiligheidsredenen uit de illegale leiding terugtrekken en deze overdragen aan een andere leiding, bestaande uit Piet Vosveld, Jaap Brandenburg en Gerrit van den Bosch. Zover kwam het niet. Vosveld werd door de SD gepakt en werd vervolgens onder zware druk gezet om als verklikker en lokvogel te fungeren. In april 1943 werden daardoor Jansen en Dieters gearresteerd. De Groot en Brandenburg ontsnapten ternauwernood. Vooral Jansen liet onder druk van de zware SD-verhoren veel informatie los over organisatie en personen van de CPN. Beiden werden voor hun verzetsactiviteiten ter dood veroordeeld en op 9 oktober 1943 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. Nadat De Groot in 1942 – in tegenstelling tot zijn later in Auschwitz vermoorde joodse vrouw en dochter – opnieuw ternauwernood aan arrestatie op zijn onderduikadres in Gorssel (Ov.) wist te ontsnappen, trok hij zich gedurende de rest van de oorlog uit het illegale werk terug. Op voorspraak van Goulooze nam nu Jan Postma, districtleider van Amsterdam, de leiding op zich. De nieuwe top sloeg een gematigder, meer op samenwerking met het sociaaldemocratische verzet gerichte koers in. De Militaire Commissie werd opgeheven; Wagenaar werd vertegenwoordiger van de CPN in de nieuwe Raad van Verzet, waarin de overgebleven sabotagegroepen opgingen. Jan Postma werd gearresteerd in november 1943 en in 1944 gefusilleerd. De laatste illegale leiding tot de bevrijding bestond uit Reuter, Gilluiron, (wederom) Brandenburg, Wagenaar, Koejemans, Puister en Baruch. In deze groep had Brandenburg het meeste gezag en de feitelijke leiding in handen.

De Waarheid bleef tot het eind van de oorlog verschijnen. Naar schatting zijn ruim 2000 communistische verzetsmensen tijdens de oorlog om het leven gekomen. Vele tientallen van hen werden op diverse plaatsen in Nederland gefusilleerd. Vele anderen verdwenen in de Duitse kampen en werden soms kort voor de bevrijding nog vermoord, een lot dat ook Hannie Schaft overkwam.

1945 - 1970 miniatuur|Oproep van de C.P.N. tijdens de voor de partij succesvolle gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam in 1946