thumb|Ambulance uit de veiligheidsregio Gelderland-Zuid (2013) thumb|Een ambulance op weg naar een spoedmelding thumb|Ambulanceboot in de Lagune van Venetië miniatuur|Ambulances van het type dringend ziekenvervoer (links) en het intermediaire type (rechts) van het Belgische Rode Kruis met battenburgpatronen (2018) thumb|Ambulance van het Militair Hospitaal Koningin Astrid met oude striping (2018) thumb|Ambulance van de Antwerpse brandweer met oude striping en het oude noodnummer 100 (2009)|alt= thumb|Duitse operatiewagen (1957) thumb|Ambulance in San Nicolaas (Aruba) miniatuur|Een ambulance van het Rode Kruis in 1917 Een ambulance is een speciaal aangepast en uitgerust vervoermiddel voor interventies om op een veilige manier hulpverlening aan te bieden bij spoedeisende hulp. Een ambulancevoertuig kan een ziekenwagen zijn, maar ook een vliegtuig of een boot. Om patiënten snel te repatriëren naar het hospitaal wordt vaak een helikopter ingezet. Een ambulancevoertuig beschikt over het nodige materiaal zoals monitoring, brancard en de eerste hulp bij zorgverstrekking.
Eerste hulp Een ambulanceteam biedt de eerst professionele hulp ter plaatsen en beschikt over een ambulance die speciaal is uitgerust met allerlei mogelijkheden om:
Medische hulpverleners en hulpmiddelen ter plaatsen te krijgen. Ruimte en privacy te bieden voor behandeling van slachtoffers en/of patiënten. Mensen met dringende verdere hulp kan vervoeren naar een dichtstbijzijnde of zelfgekozen ziekenhuis.
Geschiedenis en etymologie
Tot en met de eerste helft van de 20e eeuw waren het vooral oorlogen die de impuls gaven tot de ontwikkeling van mobiele medische hulpverlening. Zo was het Spaanse leger in de 15e eeuw het eerste (Europese) leger dat zijn strijdkrachten van een veldhospitaal voorzag. In het Franse leger werd in de 18e eeuw de term hôpital ambulant in gebruik genomen voor verplaatsbare veldhospitalen, afgeleid van het Latijnse woord ambulare (lopen, reizen). Deze term werd later afgekort tot ambulance. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog vervolgens de motorisering van het transport opmars maakte, werd de term ambulance door het Britse leger overgenomen voor de opkomende automobielen voor het transport van gewonden van het slagveld. Vaak waren dit nog steeds eenvoudige vervoersmiddelen; met name kleine vrachtwagens met eenvoudige berries. De aanwezigheid van verschillende legers op een kleine oppervlakte tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgde snel voor een brede verspreiding van het begrip.
Wanneer de oorlog afgelopen was en de economie weer op gang kwam, kwam ook de motorisering van het burgerlijk personenvervoer tot volle ontwikkeling. Ambulances waren vanaf dan gaandeweg niet enkel meer te vinden bij het leger. In België namen onder andere ziekenhuizen, het Rode Kruis en ziekenfondsen het initiatief op zich om het burgerlijk ziekenvervoer te organiseren. In de grotere steden zoals Brussel, Gent en Antwerpen werd ook de brandweer belast met het uitbaten van ambulances. Veel van deze ambulances werden in die tijd voorzien van het Rode Kruissymbool, ook al behoorde de ambulance niet tot het leger of het officiële Rode Kruis.
Uitrusting thumb|Een Japanse ambulance (kyuu-kyuusha, 救急車) beschikt over moderne technologie zoals automatische spraakvoorziening wanneer de ambulance wil uitrukken of waarschuwen (bijvoorbeeld: "De ambulance slaat rechtsaf, maak ruimte!"). Een ambulance is uitgerust met medische apparatuur en medicatie voor het verlenen van professionele eerste hulp. De ambulance kan gezien worden als een rijdende spoedafdeling, waar een diagnose wordt gesteld en een behandeling wordt gestart. Doel van de behandeling is de patiënt stabiel te maken zodat deze veilig vervoerd kan worden naar een ziekenhuis waar de verdere behandeling kan plaatsvinden. Een ambulance kan ook worden gebruikt om patiënten van het ene naar het andere ziekenhuis te vervoeren en om patiënten die voldoende hersteld zijn vanuit het ziekenhuis weer thuis te brengen om daar verder te kunnen herstellen. Soms kan de ambulanceverpleegkundige de patiënt ter plekke behandelen, zodat vervoer naar een ziekenhuis niet nodig is. Niet alleen bespaart men hiermee kosten, maar neemt ook de druk af op de spoedafdelingen van ziekenhuizen.
Ambulances zijn onder andere uitgerust met ECG-apparatuur (om een zogenoemd hartfilmpje te maken), beademingsapparatuur en materiaal voor ongevalsbehandelingen zoals spalken en nekkragen. Om de patiënten veilig te vervoeren beschikt iedere ambulance over een brancard; daarnaast heeft men ook de beschikking over een wervelplank waarmee een slachtoffer goed gefixeerd kan worden wanneer letsel aan de wervelkolom vermoed wordt. Verder zijn allerhande medicijnen beschikbaar die noodzakelijk zijn om problemen met hart, longen en bloedvaten direct te behandelen. Ook is in de ambulance een defibrillator aanwezig om het hartritme van iemand die bewusteloos is geraakt of in elkaar is gezakt te herstellen of om dit bij een vermoeden van een hartstilstand weer op gang te brengen. Dit is heel belangrijk omdat een afwijking aan het hart en zeker een hartstilstand levensbedreigend kan zijn. Alle Nederlandse ambulances hebben dezelfde apparatuur en medicijnen aan boord; de fabrikant van de apparatuur kan verschillen, maar de onderzoeks- en behandelmogelijkheden zijn gelijk.
Tot de uitrusting behoort ook een knuffelbeest, wat van belang kan zijn om iemand gerust te stellen.
België In België is de uitrusting van een ambulance vastgelegd. Er is een minimumuitrusting, met verplicht aanwezig materiaal, en facultatief aanwezig materiaal dat mag aanwezig zijn. Extra materiaal dat niet beschreven is, mag niet worden voorzien in de ziekenwagen zonder toestemming van de provinciale commissie Dringende Geneeskundige Hulpverlening. Regelmatig publiceert de FOD Volksgezondheid een omzendbrief in het Belgisch Staatsblad met wijzigingen aan de minimum uitrusting. Dit is omdat hulpverlener-ambulanciers slechts opgeleid zijn om om te gaan met het materiaal op deze twee lijsten.
Ambulancepersoneel De bemanning van ambulances en de opleiding van het ambulancepersoneel verschillen van land tot land.
Nederland Ambulances in Nederland worden bemand door een ambulancechauffeur en een ambulanceverpleegkundige. De verpleegkundige heeft buiten de reguliere opleiding in het ziekenhuis diverse specialisatieopleidingen gevolgd en gewerkt op ziekenhuisafdelingen als de intensive care (algemeen en/of cardiologie), anesthesie of een spoedeisendehulpafdeling. Alle ambulanceverpleegkundigen in Nederland dienen in bezit te zijn van een diploma ambulanceverpleegkundige behaald bij een instelling geaccrediteerd door het College Zorg Opleidingen (CZO). Anno 2016 is de Academie voor Ambulancezorg (voorheen de Stichting Opleidingen Scholingen Ambulancehulpverleners) de enige instelling in Nederland geaccrediteerd voor deze opleiding. De ambulancechauffeurs hebben eveneens een door het CZO geaccrediteerde opleiding bij de Academie voor Ambulancezorg gevolgd. Deze opleiding is gericht op rijvaardigheid en -techniek en medisch assisterende handelingen.
Op de ambulance wordt met landelijke protocollen (LPA) gewerkt, waarin is vastgelegd welke (be)handelingen bij welke diagnose kunnen worden toegepast.https://www.ambulancezorg.nl/nederlands/pagina/12351/lpa-8.1.html. Gearchiveerd op 16 december 2021. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld werkt men ook met protocollen, maar moet een arts in het ziekenhuis worden geraadpleegd alvorens men een geneesmiddel mag toedienen of een handeling mag uitvoeren. In Nederland mogen de medewerkers het protocol zonder overleg uitvoeren of er met goede reden van afwijken zonder overleg met een arts. De overheid heeft door middel van de Wet BIG vastgelegd dat ambulanceverpleegkundigen in spoedeisende omstandigheden bevoegd zijn medische handelingen te verrichten die normaliter zijn voorbehouden aan een arts. Een ambulanceverpleegkundige is geen 'halve arts' maar een verpleegkundige met gespecialiseerde kennis en bevoegdheid op het gebied van acuut noodzakelijke medische zorg.
Ambulancepersoneel wordt regelmatig bijgeschoold. Dit gebeurt landelijk: iedere vijf jaar dienen alle verplichte landelijke en regionale bijscholingen te zijn bijgewoond, zo niet verliest men zijn bevoegdheid. Ook dienen zowel de chauffeur als de verpleegkundige een praktijktoets positief af te ronden.
België Erkenning Ambulances ingeschakeld in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (het 112-systeem) moeten bemand worden door minimaal twee erkende hulpverlener-ambulanciers. Ambulanciers hebben een basisopleiding gevolgd van minimaal 172 uren (waarvan 132 uren theoretische en praktische lessen en 40 uren stage) aan een provinciale ambulanciersschool. Na het succesvol afronden van de opleiding krijgt een ambulancier een 112-badge. Het hebben van een 112-badge is verplicht voor alle ambulanciers; zij moeten deze ook dragen tijdens hun diensturen. Jaarlijks moeten ambulanciers minstens 24 uren bijscholing volgen en vijfjaarlijks moeten zij opnieuw een examen afleggen om de 112-badge te behouden.
Verpleegkundigen en artsen alt=|miniatuur|Nieuwe MUG-voertuigen met battenburgpatronen (2018). Sommige brandweerkorpsen bestaffen hun ambulances met een hulpverlener-ambulancier en een verpleegkundige die eveneens in het bezit is van een 112-badge (na het volgen van de opleiding ambulancier). Spoedverpleegkundigen (met de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg) mogen ook een ambulance bemannen; zij hoeven geen aparte 112-badge te halen. Sommige ziekenhuizen bestaffen hun ambulances met een spoedverpleegkundige (al dan niet als Paramedisch Interventieteam). Sinds 2008 zijn er namelijk ook Paramedische Interventieteams (PIT); dit zijn ambulances die bij wijze van proefproject door de overheid gefinancierd worden en een ambulancier en spoedverpleegkundige aan boord hebben. Zij zijn gestationeerd bij de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen. Zij tellen niet mee als klassieke ambulance, maar vormen een aparte categorie interventiediensten naast de klassieke 112 ambulances en de Mobiele Urgentiegroepen. Mobiele Urgentiegroepen (MUG) zijn gespecialiseerde teams van een urgentiearts en spoedverpleegkundige die gespecialiseerde dringende zorgen bieden aan patiënten met levensbedreigende aandoeningen. Deze zijn net als een PIT gestationeerd bij de spoedgevallendienst van een ziekenhuis. Een MUG-team beschikt enkel over een interventiewagen en vervoert zelf dus geen patiënten; het vervoer is steeds voor rekening van een ambulance. Een PIT functioneert als een soort tussenniveau tussen een MUG en een klassieke 112-ambulance.
Ambulanciersopleiding De opleiding tot ambulancier dient gevolgd te worden aan een provinciale opleidingsschool en ze bestaat uit een theoretisch deel (o.a. anatomie, fysiologie, levensbedreigende aandoeningen, pathologieën, pediatrie, zwangerschap en bevalling, kinématiek en traumazorg, zuurstoftherapie, radiocommunicatie, ramphulpverlening) en praktijklessen. Hierdoor worden ze opgeleid om de eerst nodige dringende medische handelingen uit te voeren.
Tijdens de opleiding leren ze technieken en 'staande orders' (vooraf vastgestelde protocollen) die belangrijk kunnen zijn tijdens hun inzet, bijvoorbeeld benadering trauma, spalken, spinale immobilisatie, aspireren, assistentie bij intubatie, klaarmaken van een infuus, optrekken van medicatie, parameters nemen (RR, P, AH, SpO2, ECG, glycemie).