De gewone pad of bruine pad (Bufo bufo) is een kikker uit de familie van de echte padden (Bufonidae).
De gewone pad heeft van alle amfibieën in Europa het grootste verspreidingsgebied en is naast de bruine kikker en de boomkikker een van de bekendste kikkers van Europa. De gewone pad komt, op Ierland en IJsland na, in alle Europese landen voor. Omdat de soort in tegenstelling tot veel andere amfibieën algemeen is, wordt de gewone pad in grote delen van het verspreidingsgebied niet door wetgeving beschermd.
De gewone pad is een generalist die in uiteenlopende habitats kan worden gevonden en aangepast is op drogere plaatsen. Alleen voor de voortplanting is oppervlaktewater nodig, waarbij de dieren soms grote afstanden af moeten leggen om bij water te komen. De eieren worden in tegenstelling tot veel andere kikvorsachtigen niet in klompen maar in strengen afgezet.
De gewone pad heeft een onopvallende kleur en wordt overdag vanwege de schemeractieve levenswijze zelden aangetroffen. Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine ongewervelden. Belangrijke vijanden zijn vogels, zoogdieren en slangen.
Uiterlijke kenmerken De gewone pad bereikt een gemiddelde lengte van 6 tot 13 centimeter. Het vrouwtje wordt echter aanzienlijk groter dan het mannetje, dat ongeveer een derde kleiner blijft. De lengte hangt enigszins samen met het verspreidingsgebied: in het noordelijke deel worden de mannetjes tot maximaal 9 centimeter lang, vrouwtjes worden iets groter en kunnen 11 cm bereiken. In het zuiden van Europa komt de ondersoort Bufo bufo spinosus voor, waarvan de mannetjes tot 10 cm lang worden en de vrouwtjes een lengte van 15 cm kunnen bereiken. Hiermee is de gewone pad de grootste kikker in Europa. De vrouwtjes worden groter dan de mannetjes maar zijn ook wat plomper. Gedurende de paartijd zien de mannetjes er echter iets dikker uit, wat veroorzaakt wordt door onderhuidse ophopingen van lymfevocht.
De gewone pad heeft een opvallend gedrongen lichaam, de kop is groot en breed en heeft twee duidelijk zichtbare ogen met een oranjerode tot goudbronzen kleur. De pupil is spleetvormig en loopt horizontaal. Het achter het oog gelegen trommelvlies of tympanum is moeilijk te zien omdat het geen afwijkende kleur heeft en relatief klein is. Achter het oog, boven het trommelvlies, zijn de oorklieren of parotoïden aanwezig, die bij de gewone pad opvallend groot en lang zijn en meestal een afwijkende kleur hebben zodat ze goed opvallen. Deze klieren produceren gifstoffen, zie ook onder het kopje verdediging.
De poten zijn relatief klein en dragen korte tenen, de achterpoten dragen matig ontwikkelde zwemvliezen die aan de voorpoten geheel ontbreken. Mannetjes hebben dikkere voorpoten dan de vrouwtjes en ook de achterpoten van de man zijn relatief langer. Mannetjes hebben op drie vingers van iedere voorpoot een zogenaamd paarkussentje zitten, dat in de voortplantingstijd donker kleurt en dan duidelijk te zien is.
thumb|260px|De belangrijkste kenmerken zijn de uniforme kleur, wrattige huid, oranjebruine iris en horizontale pupil.
De kleur is bruin tot roodachtig of grijs. Sommige exemplaren zijn donkerder en neigen naar zwart, andere kunnen een meer gele kleur hebben. De meeste exemplaren zijn uniform gekleurd. Soms komen streperige vlekpatronen voor, die bruin, rood of zwart of lichter tot wit kunnen zijn. De kleur van de buik is wit tot grijs of lichtbruin en heeft vaak een donkere marmertekening. De structuur van de huid is zeer ruw en droog, in de paartijd wordt de huid gladder. Het gehele lichaam is bedekt met wratachtige structuren, dit zijn de slijmklieren. Deze 'wratten' zijn vooral op de flanken erg talrijk, die op de rug zijn het grootst en het duidelijkst te zien. Bij sommige exemplaren zijn de wratten rood van kleur zodat ze duidelijk afsteken. Populaties in het zuiden van Europa hebben bulten met een verhoornde bovenzijde.
Door het grote verspreidingsgebied is er veel variatie in kleur en tekening. Er zijn in totaal vier ondersoorten die allemaal een iets ander verspreidingsgebied hebben en een afwijkende kleur, soms ook een tekening hebben. Een voorbeeld is Bufo bufo spinosus uit Zuid-Europa, die een meer roodachtige kleur heeft. Tussen de verschillende ondersoorten vindt ook hybridisatie plaats, deze mengvormen zijn moeilijk van de oudersoorten te onderscheiden.
Onderscheid met andere soorten Andere Europese echte padden die voorkomen in het verspreidingsgebied van de gewone pad zijn de rugstreeppad (Epidalea calamita) en de groene pad (Pseudepidalea viridis). De rugstreeppad heeft altijd een lichtere streep op het midden van de rug en groene tot gelige ogen, in tegenstelling tot de roodoranje ogen van de gewone pad. De rugstreeppad heeft ook vaak een tekening met stippen op zijn lichaam. De groene pad heeft altijd groene, donkeromrande vlekken op de rug die bij de gewone pad ontbreken en de ogen zijn groengrijs van kleur.
Van de pad-achtige kikkers als de vroedmeesterpad en de knoflookpad is de gewone pad te onderscheiden aan de pupil; deze is bij de gewone pad horizontaal spleetvormig, bij de andere twee soorten is de pupil verticaal spleetvormig. Beide soorten blijven ook kleiner, de vroedmeesterpad wordt nog geen 6 centimeter lang, de knoflookpad maximaal 8 cm, maar blijft meestal tussen de 4,5 en 6,6 cm. De geelbuikvuurpad (Bombina variegata) is gemakkelijk te herkennen aan zijn gele buik en heeft daarnaast een hartvormige pupil.
Verspreiding en habitat thumb|right|Verspreidingsgebied
De gewone pad komt in bijna alle landen van Europa voor; hij ontbreekt alleen op het eiland Ierland en enkele Mediterrane eilanden zoals de Balearen, Corsica, Kreta, Malta en Sardinië. Het verspreidingsgebied strekt zich uit tot in Azië en het Midden-Oosten (Turkije, Syrië en Libanon) en ook in Noord-Afrika komt de kikker voor in Marokko, Algerije en Tunesië. De gewone pad komt voor van laaglanden op zeeniveau tot hooggelegen gebieden tot 3000 meter boven zeeniveau. Hij is vanwege het enorme verspreidingsgebied het bekendste lid van de kikvorsachtigen in Europa. De kikker heeft van alle Europese amfibieën ook de meest noordelijke verspreiding en komt in Finland voor tot de 68e breedtegraad, binnen de poolcirkel. De verspreiding in Spanje en Oekraïne is niet duidelijk.
In veel gebieden waar de gewone pad voorkomt is het tevens de meest algemene soort amfibie, onder andere in Nederland en België. In Nederland komt de kikker overal voor, behalve op de meeste Waddeneilanden: alleen op het eiland Terschelling komen populaties voor.
De gewone pad is vanwege zijn op een terrestrische levenswijze aangepaste huid vrijwel uitsluitend te vinden op het land op enige afstand van het water. Vooral enigszins vochtige, sterk begroeide habitats als bossen, weilanden, akkers, graslanden, spoorwegbermen, duingebieden, begroeide moerassen en braakliggend terrein maar ook parken en tuinen in meer stedelijk gebied zijn een geschikte leefomgeving. Uitgestrekte onbegroeide open landschappen worden vermeden.
De voortplantingswateren bestaan uit stilstaande tot langzaam stromende, permanente wateren die gedeeltelijk door de zon worden beschenen en liefst veel onderwatervegetatie bevatten. Voorbeelden zijn sloten, afgravingen, poelen, vijvers, grachten, greppels, meren en rivieren. De oppervlakte, diepte en helderheid van het water kunnen sterk variëren. Vanwege de bittere smaak van de larven, waar vissen een hekel aan hebben, zijn visrijke wateren ook geschikt. Door het ontbreken van een echte voorkeur voor een bepaalde habitat en voortplantingswater is de gewone pad een generalist, wat waarschijnlijk het grote verspreidingsgebied verklaart. Andere kikkers en padden, zoals de vroedmeesterpad en de knoflookpad, leven in schrale gebieden en zijn veel kieskeuriger qua voortplantingswater, ze mijden diepe of visrijke wateren liever en kiezen voor tijdelijke wateren zonder planten.
Levenswijze thumb|Een springende gewone pad
De gewone pad is ondanks het soms algemene voorkomen geen opvallende soort vanwege de grotendeels verborgen levenswijze en de goede camouflage waardoor veel exemplaren over het hoofd worden gezien. De pad is buiten de voortplantingstijd schemer- en nachtactief en houdt zich overdag vooral schuil in zelfgegraven holletjes of onder objecten als stenen en houtstronken en in struiken. Als de winter zijn intrede doet wordt een dieper gelegen schuilplaats opgezocht en gaat de kikker in winterslaap, waarbij het dier maandenlang in een sluimerende toestand verkeert waarbij niet gegeten wordt en het dier niet beweegt, de stofwisseling staat vrijwel stil. Soms overwintert de gewone pad op de bodem van een poel in de modder, maar meestal vindt de overwintering plaats op het land.
In tegenstelling tot veel kikkers heeft de gewone pad korte, weinig krachtige achterpoten en is geen beste springer die hooguit kleine hupjes maakt maar meestal over de bodem kruipt of soms korte sprintjes trekt. De tred is echter langzaam en niet zo muis-achtig snel als de rugstreeppad (Epidalea calamita). Klimmen doet deze soort nooit, hier is de bouw niet geschikt voor en ook is de gewone pad niet lenig en ontbreken aanpassingen zoals hechtschijfjes. Het is tevens een relatief slechte zwemmer in vergelijking met bijvoorbeeld de groene kikkers (Peleophylax), met hun krachtige achterpoten en goed ontwikkelde zwemvliezen.
De gewone pad graaft holletjes die gebruikt worden als schuilplaats gedurende warme of droge perioden en komt pas tevoorschijn bij koele en vochtige omstandigheden, zoals na een regenbui of tijdens vochtige nachten. Alleen na een regenbui kan de gewone pad ook overdag worden aangetroffen.
Voortplanting thumb|left|Geluidsopname: Verdedigingsroep van een mannetje dat door een ander mannetje wordt besprongen.
Padden leven het gehele jaar op het land, met uitzondering van de voortplantingstijd omdat de larven of kikkervisjes zich in het water ontwikkelen. De padden ondernemen hiertoe ieder jaar een zogenaamde paddentrek, waarbij de dieren massaal over afstanden van soms meerdere kilometers naar het voortplantingswater trekken. De paddentrek begint in februari maar heeft een hoogtepunt in maart tot april. Deze gesynchroniseerde trek komt maar bij weinig andere soorten voor, inclusief andere padden. Dit komt doordat de gewone pad erg honkvast is en altijd teruggaat naar het water waarin het dier geboren is. Het feit dat de voortplantingswateren vaak op enige afstand van het leefgebied liggen, noopt de padden tot het afleggen van een voor amfibieën relatief grote afstand. Op wegen die op de trekroute liggen en door de trage dieren worden overgestoken vallen veel verkeersslachtoffers. In veel Europese landen worden de padden daarom door de mens een handje geholpen bij het oversteken van drukke wegen, zie ook onder het kopje bedreigingen.
thumb|270px|right|Tekening van de ei-afzet, mannetje boven.