Koninklijke Sphinx was een Nederlandse onderneming in Maastricht die aanvankelijk vooral aardewerk produceerde en later onder meer sanitair. Het was een Nederlandse onderneming die door Petrus Regout in 1834 in Maastricht werd opgericht. Het was de eerste grootschalig gemechaniseerde fabriek in Nederland en wordt gezien als bakermat van de industriële revolutie in Nederland.Van Royen (2009), p. 336.'Maastrichts Aardewerk' op website erfgoed.centreceramique.nl. Bij de dood van Regout in 1878 werkten er ca. 2.500 arbeiders. Het bedrijf was aanvankelijk bekend als producent van geslepen kristal, glaswerk, serviesgoed en ander huishoudelijk aardewerk; later voornamelijk van tegels en sanitair, zoals wastafels en toiletpotten. Na het overlijden van de oprichter (1878) stond het bedrijf bekend als C.V. Petrus Regout & Co., en na het overlijden van Pierre Regout vanaf 1 januari 1898 als N.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken De Sphinx, v/h Petrus Regout en Co., in de wandeling kortweg "De Sphinx" genoemd. De fabriek hield op te bestaan in 2009, hoewel de merknaam "Sphinx" nog tot en met 2019 is gevoerd door het Zwitserse Geberit. Ook het in 1997 afgesplitste Sphinx Tegels heeft sinds 2008 geen productiefaciliteiten meer in Maastricht. De Sphinx en de daarmee nauw verbonden familie Regout heeft in Maastricht en omgeving veel sporen achtergelaten.
Geschiedenis 1834-1870: stichting door Petrus Regout
De kiem van het bedrijf ligt bij een kristalslijperij, die door de koopman-industrieel Petrus Laurentius Regout (1801-1878) in 1825 was ingericht in een pand in de Jodenstraat in de Maastrichtse binnenstad. In 1827 verhuisde Regout met vrouw en kind naar de Boschstraat, waar het gezin pal tegenover de een jaar eerder geopende binnenhaven Bassin ging wonen. De kristalslijperij, nog niet gemechaniseerd en met slechts enkele werknemers, verhuisde mee. Aanvankelijk gingen de zaken goed, maar in 1830 kwam daar een abrupt einde aan door het uitbreken van de Belgische Opstand en de daaruit voortvloeiende Blokkade van Maastricht (1830-1833). Regout maakte het kristal niet zelf, maar voerde het als halffabriek in vanuit Luik. Handel met België was nu echter verboden en omdat de rest van Limburg zich had aangesloten bij de Belgische revolutionairen, was Maastricht ook afgesloten van de rest van Nederland. Toen het in 1834 toegestaan werd grondstoffen en halffabricaten uit België in te voeren, besloot Regout een eigen kristal- en glasblazerij te beginnen. In de tuin van een aangrenzend pand werd een "colossaal gebouw" opgericht, waarin plaats was voor tachtig slijpstoelen, aangedreven door een stoommachine van John Cockerill. Daarnaast herbergde het gebouw een in hetzelfde jaar opgerichte spijkerfabriek. Het jaartal 1834 is door de fabriek altijd aangehouden als de feitelijke stichtingsdatum.Ter Kuile (1985), p. 166.Kruisinga/Langeweg/Minis/Mes (2000), pp. 25-31.
thumb|left|220px|Petrus (I) Regout en zijn vrouw Aldegonda Hoeberechts, afgebeeld op een tegeltableau in de Sphinx Passage In 1836 ging de aardewerkfabriek van start. Aanvankelijk produceerde Regout zogenaamd fayence commune, eenvoudig aardewerk met een zachte, rode scherf bestemd voor de lokale markt. Om zijn afzetgebied te vergroten moest hij echter concurreren met het toen zeer populaire Engelse creamware. Daarom nam hij in de jaren 1840 Engelse vakarbeiders in dienst en liet hij zelfs Engelse grondstoffen importeren. Met de spijker- en draadnagelfabriek, die in 1838 al 200 werknemers had, ging het na 1839 minder voorspoedig. Het bedrijf werd vanaf 1843 gecontinueerd door Petrus' broer Thomas Dominicus Regout, die al vrijwel vanaf het begin vennoot was. Petrus Regout was inmiddels begonnen met de fabricage van geweren, die hij aan het Rijk leverde. Deze onderneming werd geen succes en in 1851 verdween de geweerfabriek. Andere nevenactiviteiten waren wel succesvol, zoals de menie- en potasfabriek (1837), de kalkbranderij (1839) en de gasfabriek (1848). In enkele tientallen jaren groeide Petrus Regout & Co. uit tot een industrieel imperium, dat in 1850 600 werknemers, in 1860 1500 en in 1865 al meer dan 2000 arbeiders telde.Zie artikel 'De Sphinx' op website zichtopmaastricht.nl.
Door de enorm toegenomen activiteit bleek het Bassin al snel te klein. In 1848 vroeg Regout om vergunning om ook 's avonds te mogen laden en lossen, en een jaar later liet hij daartoe drie gaslantaarns plaatsen. Deze werden voorzien van gas uit de eigen gasfabriek, getransporteerd door glazen leidingen uit de eigen glasfabriek. In 1850 werd een spoorlijntje tussen de magazijnen van Regout en het Bassin in gebruik genomen, waarschijnlijk de eerste spoorlijn in Maastricht. De wagons werden voortbewogen met behulp van een stoomlier, waardoor de steile hellingbanen langs het Bassin geen belemmering meer vormden.Kruisinga/Langeweg/Minis/Mes (2000), pp. 33-34.
Tussen 1842 en 1861 kocht Petrus Regout het ene na het andere perceel aan de Boschstraat. Daartoe behoorde ook de Refugie van Hocht, die hij liet verbouwen tot een hôtel particulier met 64 vertrekken. In 1861 woonden hier enkele van zijn gehuwde kinderen. In 1863 verwierf hij tevens het voormalige Penitentenklooster, dat kort daarna afbrandde, waardoor er nog meer ruimte voor nieuwe fabrieken ontstond.Kruisinga/Langeweg/Minis/Mes (2000), pp. 41-42.
1870-1899: expansie onder Regouts zonen
Toen in 1870 zijn vijf zonen (Petrus (II), Edouard, Eugène, Louis en Gustave) mede-directeur werden, werd de naam van het bedrijf veranderd in Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout v.o.f.. In 1878 overleed Petrus ("Pie") Regout. Het bedrijf, dat toen ca. 2500 werknemers in dienst had en een oppervlakte van 9,8 hectare besloeg, werd door zijn zonen voortgezet onder de naam C.V. Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken Petrus Regout & Co. In 1872 en 1876 wist de firma grote stukken grond aan de Maagdendries en langs de huidige Frontensingel te verwerven, deels voormalige vestinggronden, die na het opheffen van de vestingstatus (1867) waren vrijgekomen. Het fabrieksterrein werd gerationaliseerd en diverse fabriekjes en ovens uit de begintijd werden afgebroken. De gebouwen die ervoor in de plaats kwamen (Brikkenbouw, Mouleurs, Poortgebouw en Gipsfabriek) zijn grotendeels bewaard gebleven.Kruisinga/Langeweg/Minis/Mes (2000), p. 48.
Terwijl de zonen van Petrus (I) Regout vennoot waren in het moederbedrijf aan de Boschstraat, begon een nieuwe generatie Regouts zich in de jaren 1880 te roeren. In minder dan tien jaar tijd werden op de rechter Maasoever, toentertijd op Meerssens grondgebied, drie nieuwe fabrieken gesticht. Zo richtte kleinzoon Louis Regout (1861-1915) in 1883 een porseleinfabriek op ten noorden van Station Maastricht, het tegenwoordige Koninklijke Mosa. Vijf jaar later begon zijn neef Alfred Regout (1858-1935) in hetzelfde gebied een tegelfabriek, Rema geheten, die tot 1965 zou blijven bestaan. Drie jaar later, in 1891, begon een andere neef, Frederik Regout (1858-1937), een aardewerkfabriek in het gebied "De Bek" bij Limmel, iets ten noorden van de Spoorbrug aan de Maas. Anders dan de eerder genoemde bedrijven, produceerde deze fabriek min of meer dezelfde producten als het "moederbedrijf" en werd daarom als een concurrent gezien. In 1896, na slechts vijf jaar zelfstandig te hebben gefunctioneerd, werd de fabriek overgenomen door het moederbedrijf, waarbij waarschijnlijk een te hoge prijs werd betaald. Desalniettemin was een lokale concurrent uitgeschakeld en werd het fabrieksareaal vergroot met een gunstig gelegen terrein van ruim zes hectare.Mes (2005), p. 15.
Kinderarbeid bij Regout/De Sphinx Zoals overal werkten er in de negentiende eeuw ook in de fabrieken van Regout kinderen. Een telling aldaar in 1869 kwam uit op 103 kinderen op ca. 2000 werknemers. Hoe oud die kinderen waren, is niet bekend. Bijna twintig jaar later bleek tijdens de Arbeidsenquête van 1887 in de gezamenlijke Maastrichtse fabrieken de helft van de vijfduizend arbeiders jong te zijn, namelijk tussen de twaalf en achttien jaar. Dat was conform de Kinderwet van 1874.
Toen de Arbeidsenquête werd gehouden, was Petrus (I) Regout al tien jaar dood en al langer niet meer betrokken geweest bij het beleid van zijn bedrijf. Dat hij persoonlijk een tegenstander van kinderarbeid was bleek, toen hij in januari 1870, vier jaar voor de invoering in 1874 van het door de Tweede Kamer volledig uitgeklede Kinderwetje van Van Houten, verbood kinderen onder de twaalf jaar aan te nemen. De Courrier de la Meuse meldde in januari 1870: "De heer Regout te Maastricht (heeft) het besluit genomen om geen kinderen meer in zijne fabriek op te nemen die hunne eerste Heilige Communie nog niet gedaan hebben." Overgenomen bericht in het dagblad 'Mercurius', 29 januari 1870. Toentertijd deed men de Eerste Communie op twaalfjarige leeftijd en werden kinderen van twaalf jaar en ouder als volwassen beschouwd. Omdat in Maastricht geen van de andere grote werkgevers - met name de Société Céramique en de papierfabriek van Lhoëst - iets voelde voor deze beperking zolang de twaalfjarige leeftijd niet verplicht werd gesteld door de overheid, heeft de inmiddels in handen van de zonen Regout overgegane firma dit initiatief na zes maanden vanwege de oneerlijke concurrentie moeten prijs geven.
Het Kinderwetje van Van Houten uit 1874 bracht vier jaar later inderdaad die verplichte 12-jarige leeftijd, al was de controle op de handhaving ervan zwak. Het is goed mogelijk dat ook in Maastrichtse fabrieken de wet aan het eind van de negentiende eeuw werd ontdoken. Pas de streng gecontroleerde uitvoering van de Leerplichtwet (1900), met tot twaalf jaar zes dagen per week verplicht onderwijs, bracht hier verandering in. Leerplicht betekende overigens niet dat kinderen helemaal niet meer werkten. Pas de Arbeidswet van 1919 bevatte een verbod op elke vorm van (betaalde) arbeid door kinderen onder de 14 jaar, tenzij als vakantiebaantje en zonder nachtdienst.'Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I (1918-1922)' op parlement.com. Gearchiveerd op 4 juni 2023.'Sphinx' op mestreechtersteerke.nl. Gearchiveerd op 4 december 2022. Dat kinderen voor- of na schooltijd thuis onbetaald meehielpen in huishouden of bedrijf, met name in de agrarische sector, was en bleef een zaak van de ouders.
In de 20e eeuw zijn allerlei mythes ontstaan over de "uitbuiting" van arbeiders in 'de fabrieken van Regout', door agitatie vanuit de socialistische hoek. Toch zijn er geen aanwijzingen dat de situatie bij De Sphinx wezenlijk anders was dan elders. Vooral het gerucht dat er kinderarbeid op grote schaal zou plaatsvinden, is hardnekkig gebleken. In 1907 leidde een bekendmaking hierover door de socialist Servaas Baart tijdens een congres over arbeidstijden nog tot grote verontwaardiging in Nederland. Dat het bericht werd ontzenuwd door de katholieke politicus Piet Aalberse en ook volgens Het Volk, een socialistische krant, aantoonbaar onjuist bleek, zette weinig zoden aan de dijk.
1899-1954: De Sphinx In 1899 had het bedrijf ongeveer 3000 werknemers in dienst, waarvan het merendeel betrokken was bij de aardewerkproductie. De onderneming heette vanaf dat jaar officieel De Sphinx v/h Petrus Regout & Co. Het gebruik van de sfinx als beeldmerk dateert al uit 1879 of eerder. De stichting en overname van de fabriek van Frederik Regout leidde rond deze tijd tot verdere onenigheid in de familie. In 1901 besloot het moederbedrijf op de locatie te Limmel tegels te gaan fabriceren, waarmee het een rechtstreekse aanval deed op de onderneming van Louis Regout, de Mosa. Als reactie daarop besloot Louis tot de oprichting van een eigen glasfabriek, de Stella.Mes (2005), p. 2. Deze zou in 1925 fuseren met de glasfabrieken van Sphinx, waardoor de Kristalunie ontstond. Daarmee kwam een einde aan de glasfabricage aan de Boschstraat.