thumb| Oorlogstoneel in mei / juni 1948 thumb|David Ben Goerion leest de Onafhankelijkheidsverklaring voor, 14 mei 1948 thumb|Vrijwillige Arabische strijders thumb|Joodse bewoners evacueren de oude stad van Jeruzalem via de Poort van Zion thumb|Palestijnse vluchtelingen

De Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 (Arabisch: النكبة al-Nakba, "De Ramp"; Hebreeuws: מלחמת העצמאות, Milchemet Ha'atzma'oet, "De Onafhankelijkheidsoorlog") tekende zich af in 1947 als een burgeroorlog tussen Arabische en Joodse inwoners van het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina.Benny Morris, 1948: a history of the first Arab-Israeli war, Yale University Press, 2008, p. 75 e.v. In november 1947 had de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in meerderheid in Resolutie 181 beslotenEen besluit van de Algemene Vergadering van de VN heeft het karakter van een voor de lidstaten niet-bindend voorstel, tenzij het de eigen organisatie betreft. dat, na beëindiging van het Britse mandaat over Palestina, het mandaatgebied Palestina verdeeld zou worden in een onafhankelijke Joodse en een onafhankelijke Arabische staat. Deze resolutie werd gesteund door de zionistische leiders, maar afgewezen door de Arabische leiders. Kort voordat de Britten zich op 15 mei 1948 uit het mandaatgebied Palestina terugtrokken, riepen de Joodse leiders onder leiding van David Ben-Gurion de onafhankelijke staat Israël uit, waarop de strijd zich voortzette als een conventionele oorlog tussen deze nieuwe staat en de omliggende Arabische landen.

Voorgeschiedenis Het zionisme ontstond als reactie op enerzijds de voortdurende vervolgingen waaraan Joden in met name Oost-Europa blootstonden, en anderzijds uit angst voor het verdwijnen van de Joodse cultuur, doordat steeds meer Joden wilden assimileren. Dit zionisme was sterk geïnspireerd door Europees nationalisme en kreeg een sterke impuls door de Holocaust tijdens nazi-Duitsland, de Duitse bezetting van een groot deel van Europa, waarbij speciale Duitse eenheden op Joden joegen. Dit versterkte het verlangen van Joden naar een 'veilige' thuishaven, waarbij gedacht werd aan het gebied van het voormalige Kanaän waar de wortels van het jodendom liggen. Na de dood van Salomo was daar rond 930 v.Chr. het koninkrijk Juda en ook het koninkrijk Israël opgericht. Na het beleg en de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 begon de Joodse diaspora.

Palestina Vanaf 1516 was Palestina onderdeel van het uitgestrekte Ottomaanse Rijk. In 1878 woonden er bijna een half miljoen mensen, waarvan volgens de Ottomaanse demografie in de districten Jeruzalem, Nablus en Acre maar drie procent Joods was.Volgens de Ottomaanse demografie hadden de districten Jeruzalem, Nablus en Acre 462.465 inwoners waarvan 15.011 Joods. Deze districten kwamen grofweg overeen met Palestina ten westen van de rivier de Jordaan. Niet meegeteld werden de recente Joodse immigranten en de bedoeïenen. Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zouden onder invloed van het zionisme meer dan 60.000 Joden zich in Palestina vestigen De Arabische bevolking in Palestina zou deze Joodse immigratie met lede ogen aan hebben gekeken. Tegenmaatregelen van de kant van de regering in Istanbul tegen deze zionistische immigratie bleven beperkt, ondanks herhaalde oproepen hiertoe door Arabische notabelen uit de regio Palestina.A History of Modern Palestine, Ilan Pappe, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, 2e druk 2006, blz. 50 Volgens de door de Britse autoriteiten uitgevoerde volkstellingen in 1946 waren in sommige steden, waaronder Jeruzalem, Tel Aviv en Haifa, de Joden intussen in de meerderheid.UNSCOP, A survey of Palestine, 1946, p. 151

Mandaatgebied Palestina Tijdens de Eerste Wereldoorlog streed het Verenigd Koninkrijk in het Midden-Oosten tegen het Ottomaanse Rijk. De Britten deden drie verschillende beloftes aangaande het te veroveren grondgebied: In de correspondentie Hoessein-McMahon (1915-1916) werd Hoessein bin Ali, de sjarief van Mekka, onafhankelijkheid toegezegd voor de Arabieren (met uitzondering van Palestina ten westen van de Jordaan volgens Churchill White paper) in ruil voor Arabische steun in de strijd tegen de Turken. In het geheime Verdrag Sykes-Picot (mei 1916) kwam het Verenigd Koninkrijk met zijn bondgenoten Frankrijk en Rusland overeen om na de beoogde val van het Ottomaanse rijk het gebied onderling te verdelen. In de Balfour-verklaring (1917) werd de Zionistische Wereldorganisatie (World Zionist Organization) steun toegezegd bij het vestigen van een Joods nationaal tehuis in Palestina. Ezer Weizman had in 1901 een Joods Nationaal Fonds opgericht met als doel om zoveel mogelijk land in Palestina op te kopen.

Na de Ottomaanse nederlaag deelde de Volkenbond het Ottomaans Arabië op in verschillende gebieden en verdeelde het mandaat daarover tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Het mandaat hield in dat de bevolking van elk afzonderlijk mandaatgebied geleidelijk aan zou worden voorbereid tot zelfstandigheid. In het mandaat over het gebied bekend als het Brits Mandaatgebied Palestina dat aan de Britten werd toegekend, was ook bepaald dat de mandaatvoogd de vestiging van een Joods nationaal tehuis in het gebied zou bewerkstelligen, met inachtneming van bestaande rechten van de inheemse bevolking.

Hiermee nam de Volkenbond het Sykes-Picotverdrag en de Balfour-verklaring in acht en negeerde de wensen van de Arabische bevolking die zich sterk had uitgesproken tegen de Balfour-verklaring en aansluiting zocht bij Syrië.Hurewitz, Doc. No. 27, Resolution of the General Syrian Congress at Damascus, 2 juli 1919, p. 62-63 Dit baande de weg voor de zionisten om onder bescherming van de Britten de immigratie naar het Brits mandaat Palestina te propageren en land te kopen.

Vanaf 1944 was Walter Guinness (Lord Moyne) ambassadeur (Resident Minister of State) in Caïro (Egypte), met toezicht over Perzië, het Midden-Oosten inclusief het Britse mandaatgebied Palestina, en Afrika. Guinness meende dat Arabieren en Joden met elkaar in mandaatgebied Palestina moesten samenleven en voelde niets voor een Joods regime in dat gebied zoals de zionisten voor ogen stond. Op 6 november 1944 werden hij en zijn chauffeur door de Lechi-leden Eliahu Hakim en Eliahu Bet-Zuri in Caïro vermoord.

David Ben Gurion, die in 1946 Weizman opgevolgd was als president van de Zionistische Wereldorganisatie was begonnen met eventuele plannen om het Brits mandaat Palestina over te nemen zodra de Britten weg waren. In 1942 tijdens de Biltmoreconferentie, dat voor vestiging van Joden in héél het Brits mandaat Palestina had gekozen, had hij het plan geopperd twee miljoen Joden naar het Brits mandaat Palestina te doen emigreren. Men maakte er één miljoen van. Vanaf dat moment was zijn ster gaan rijzen.

Verdeling

miniatuur|Geplande verdeling

Op 3 september 1947 diende de UNSCOP (Bijzondere Commissie voor het Brits mandaat Palestina van de Verenigde Naties) een voorstel in volgens welk na het beëindigen van het Britse mandaat Palestina, dit gebied verdeeld zou worden. Dit plan voorzag in de opdeling van het grondgebied in een Arabische staat, een Joodse staat en een internationaal bestuurd gebied rondom Jeruzalem. Hierbij zou ruim 56% van het grondgebied (grotendeels Negev-woestijn) toegekend worden aan de inmiddels 650.000 Joden in het Britse mandaat Palestina, en ruim 42% bleef aan de 1,3 miljoen Arabieren. De lokale en Arabische leiders wezen het plan verontwaardigd af, zij waren tegen een tweedeling en wilden dat het Britse mandaatgebied Palestina een democratische eenheidsstaat zou worden.Benny M. ‘1948: a history of the first Arab-Israeli war’ Yale University, 2008 De zionistische beweging daarentegen omhelsde het voorstel, hoewel een van hun doelstellingen, het bezit van Jeruzalem (Al-Quds voor de Arabieren), niet gehaald zou worden.Flapan, Simha: "The Birth of Israel: Myths and Realities", Pantheon, New York, 1987

Op 24 november 1947 waarschuwde de Egyptische vertegenwoordiger bij de VN, Mohammad Husein Haykal, dat als de VN "een deel van het Britse mandaat Palestina zouden amputeren om een Joodse staat te vormen dit tot bloedvergieten zou leiden, en dat dit bloedvergieten niet tot het Britse mandaat Palestina beperkt zou blijven." Hij verklaarde dat in de Arabische landen Joden en Arabieren tot dan toe steeds vreedzaam samenleefden, maar dat als er in het Britse mandaat Palestina Arabisch bloed vergoten zou worden, dit onvermijdelijk elders in de Arabische wereld tot vergelding tegen Joden zou leiden."Palestine Committee continues debate on alternative plans" persbericht VN, 24 november 1947. Gearchiveerd op 21 augustus 2016. De eerste secretaris-generaal van de Arabische Liga sinds 1945, de Egyptenaar Abdul Rahman Azzam, zou de kracht van het samengestelde Arabische leger sterker hebben ingeschat dan die van de Joodse strijdkrachten.

Op 29 november 1947 beval de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in Resolutie 181 het verdelingsplan aan. Dit werd door de zionistische beweging gevierd als een historische overwinning. Door de lokale Arabische bevolking en door de Arabische staten daarentegen werd het als rampzalig beleefd dat het grootste deel van het Britse mandaat Palestina aan de zionisten toegewezen werd."For the Jews this was a significant political victory. (...) For the Arabs of Palestine, however, the vote for partition was a devastating blow: they vowed to oppose it by force", Aaron Bregman: Israel's Wars, Routledge, p. 12"While the Jewish population welcomed it, the Arab states rejected it out of hand and vowed to destroy any emerging Jewish state in its infancy." Chaim Herzog: The Arab-Israeli Wars, Vintage books, p.14 De Arabische Liga had iedere verdeling van het mandaatgebied afgewezen en had al in 1946 de onafhankelijkheid van het Britse mandaat Palestina als eenheidsstaat geëist. In september 1947 had de Liga de lokale Arabische bevolking opgeroepen in opstand te komen tegen een mogelijke verdeling van het land en had ze de Arabische bevolking steun toegezegd in manschappen, financiën en materieel voor het geval de Verenigde Naties tot een verdeling zouden besluiten.Benny Morris (2008) 1948: a history of the first Arab-Israeli war Yale University Press, pg. 66-67

Alec Kirkbride "From the Wings,[https://web.archive.org/web/20220108114509/https://books.google.nl/books?id=i8FcAgAAQBAJ&pg=PA32&dq=from+the+wings&hl=nl&sa=X&ei=KX7BVMnlH8PU7Aa2koHIDA&redir_esc=y#v=snippet&q=sweep&f=false Gearchiveerd op 8 januari 2022.

Eerste fase Direct na het aannemen van Resolutie 181 was de Arabische bevolking van het Britse mandaat Palestina in groten getale de straat opgegaan om ertegen te protesteren, waarbij Joodse bussen en winkels en een synagoge werden vernield. Geschat wordt dat hierbij 200 doden vielen en een veelvoud aan gewonden aan beide zijden. De Arabieren legden met gerichte aanvallen het verkeer in het Britse mandaat Palestina grotendeels lam. De verspreid liggende Joodse landbouwnederzettingen werden door de Hagana, die ook vergeldingsaanvallen uitvoerde, verdedigd. De stad Jeruzalem, waarin een zesde deel van de Joden in het Britse mandaat Palestina woonde, werd grotendeels van de buitenwereld afgesneden en was alleen met gewapende konvooien bereikbaar. De voedselsituatie in Jeruzalem werd nijpend. De Joodse paramilitaire terreurgroepen Lechi en Irgun/Etsel voerden grote bomaanslagen uit in Tel Aviv, Jaffa, Haifa en Jeruzalem waarbij honderden slachtoffers vielen. Palestijnse terreurgroepen pleegden grote bomaanslagen zoals de bomaanslag in de Ben Yehudastraat op 22 februari 1948 met 58 doden als gevolg.