thumb|"De Israëlieten verlaten Egypte"David Roberts (1828) thumb|De weergave van de tekst van de Tien geboden op 18e-eeuws perkament, in het Hebreeuws, door de Amsterdamse Jekoeti'eel Sofeer thumb|Mozes en de wet (Rembrandt) thumb|Nijldelta en Sinaï thumb|De berg Sinaï (Horeb, Jabal musa)
De uittocht uit Egypte (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi'at Mitzrajiem) of exodus (Grieks: ἔξοδος; exodos, "weg uit") is het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel over het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals beschreven in Exodus; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het ronddolen in de woestijn tussen Egypte en Kanaän, de periode waarin Mozes Gods wetten gaf, zoals beschreven in Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw v.Chr.), maar dat de kern van het verhaal ouder is; er zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw v.Chr., in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan de neergang aan het einde van de Late Bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.August Strobel : Der spätbronzezeitliche Seevölkersturm: Forschungsüberblick mit Folgerungen zur bibl. Exodusthematik, Berlin und New York 1976, .
Het verhaal Voorgeschiedenis De Israëlieten waren in Egypte gekomen nadat Jozef, zoon van Jakob, die als slaaf naar Egypte verkocht werd,Genesis 37 daar later de tweede man na de farao werdGenesis 41 en zijn familie tijdens een hongersnood naar Egypte liet komen, waar ze gingen wonen in Gosen, in de Nijldelta.Genesis 42-47
Toen later een farao regeerde "die Jozef niet gekend had",Exodus 1:8 maakte deze de Israëlieten tot slaven. Wegens hun grote bevolkingsgroei nam volgens de farao het gevaar toe dat ze bij een oorlog tussen Egypte en een ander land de kant van de vijand zouden kiezen. Daarom bepaalde hij dat al hun pasgeboren jongetjes moesten worden gedood.Exodus 1:9-22
Mozes en de tien plagen Mozes werd als baby verstopt en na enige tijd als vondeling opgenomen en opgevoed door de dochter van de farao. Toen hij volwassen was, sloeg hij een Egyptenaar dood en moest vluchten. Hij belandde in Midjan waar hij trouwde en als schaapherder werkte.
Hier had Mozes een ontmoeting met God, die vertelde dat zijn naam JHWH is en hem de opdracht gaf naar de farao te gaan om de vrijlating van de Israëlieten te eisen. Hierna keerden Mozes en zijn gezin terug naar Egypte en begon hij met zijn opdracht.Exodus 4:18-31 Er ontwikkelde zich een zware strijd tussen Mozes, Aäron en de Israëlieten aan de ene en farao en zijn hof aan de andere kant. Uiteindelijk bracht de laatste van tien plagen, de dood van alle eerstgeborenen in de Pesachnacht, de farao eindelijk op de knieën om de Israëlieten te laten gaan.Exodus 5-12
Vertrek uit Egypte Het volk moest tijdens de laatste plaag klaar staan om weg te trekken. Als ze bloed op de deurpost hadden gesmeerd, zou de dood hun eerstgeborenen niet treffen. Midden in de nacht (het is volle maan) werden ze Egypte uitgejaagd.
Toen de farao over de uittocht van zijn horigen werd bericht, bedacht hij zich weer en zette de achtervolging in. Bij de Schelfzee (Rode Zee) bereikten de achtervolgers de Israëlieten, die hierop in paniek raakten. Maar Mozes zegde hen de hulp van JHWH toe en door een wonder verschafte Hij een doorgang door de zee door deze te splijten. De Israëlieten konden over de droge bodem van de zee naar vrijheid lopen, maar toen de Egyptenaren hen achtervolgden, sloot de zee zich weer en de farao kwam samen met zijn strijdkrachten om het leven.Exodus 14
Dolen in de woestijn Direct na hun vertrek uit Egypte kwamen de Israëlieten al in de problemen, maar JHWH zorgde voortdurend voor wonderbaarlijke oplossingen. Zo wisten ze niet waarheen ze moesten reizen, maar wees een wolk- en vuurkolom hen de weg.Exodus 13:22 Toen ze werden achtervolgd door de Egyptenaren plaatste JHWH een wolk tussen de Israëlieten en de achtervolgers.Exodus 14:19-21 Het bittere water van de bron Mara werd zoet nadat Mozes hout in het water gooide.Exodus 15:26 God zond manna en kwartels toen het voedsel opraakteExodus 16 en toen ook het drinkwater opraakte, sloeg Mozes bij Massa en Meriba op een rots om er water uit te laten stromen.Exodus 17:1-8 Toen de Amalekieten de Israëlieten aanvielen, beloofde God dat de Israëlieten aan de winnende hand zouden zijn zolang Mozes met opgeheven handen zou bidden.Exodus 17:8-16
Openbaring van Gods wet Toen de Israëlieten bij de Sinaï kwamen, openbaarde God zich aan hen en sloot een verbond met ze: zij zouden Zijn torah (wet, onderwijzing) houden en Hij zou hun God zijn en ze het land Kanaan geven. De tien gebodenExodus 20 zijn het bekendste deel van de wet. Mozes kreeg echter nog veel meer wetten. Onder andere over de inrichting van de tabernakel en de offerdienst. Bovendien werden de tien geboden op stenen tabletten geschreven. Voor dit alles bleef Mozes vrij lang weg. Het ongeduldige volk richtte een eredienst in rondom een gouden kalf. Woedend gooide Mozes de stenen tafels met de wet kapot. Opnieuw moest hij de berg op, waar God zich op een bijzondere manier aan hem liet zien. Het boek Exodus eindigt met de inwijding van de tabernakel, waarbij de heerlijkheid van JHWH zichtbaar werd.Exodus 40
Reis door de woestijn thumb|Kaart uit 1838 met een mogelijke route naar het Beloofde LandCarte de la Route des Israëlites Dans les Déserts Pour parvenir à la Terre de Canaan door A. Toussaint In de Bijbel wordt de reis van de Israëlieten uitgebreid verhaald. Op 20 iar verhief de wolk zich voor het eerst van boven de tabernakel, bijna vijftig dagen nadat deze was opgericht. De wolk leidde het volk naar Kibroth-thaava, in of nabij de Wildernis van Paran,Numeri 10:11-13 mogelijk een gebied in het oosten van de Sinaï, tussen de Golf van Akaba en de Dode Zee. , Orte und Landschaften der Bibel: ein Handbuch und Studien-Reiseführer zum Heiligen Land, Volume 2 (Vandenhoeck & Ruprecht, 1982) In Kibroth-thaava werd het volk steeds ontevredener. De mensen klaagden er bijvoorbeeld over dat ze alleen het manna te eten hadden, dat zes ochtenden in de week uit de hemel neerdaalde. Ze vroegen om vlees, dat ze vervolgens kregen toen er kwartels vanuit de kust naar Paran zwermden.Numeri 11:4-6, 31
Op de volgende stopplaats, in Hazeroth, klaagden Aäron en Mozes' zuster Mirjam dat Mozes als enige woordvoerder van God optrad. God droeg hen op om voor de tabernakel te verschijnen, waar hij Mozes' alleenrecht als woordvoerder bekrachtigde en Mirjam tijdelijk met melaatsheid besmette. Zij was nu volgens Gods wetten onrein geworden en moest zeven dagen in quarantaine buiten het kamp worden gebracht. Pas na de zeven dagen kon het volk weer verder trekken richting Kanaän.Numeri 12:1, 2, 4-10, 15, 16
Begin van de omzwervingen Voordat het Israëlitische volk Kanaän binnen mocht trekken, kreeg Mozes in Kadesh Barnea de opdracht om het land te laten verkennen door mannen uit de twaalf stammen, uit elk van die stammen een.De mannen van de dertiende stam, die van Levi, deden uitsluitend dienst in en rond de tabernakel en waren dus vrijgesteld van deelname. Toen de twaalf mannen na veertig dagen terugkwamen van hun verkenningstocht deden zij verslag en meldden de grote vruchtbaarheid van het land. Volgens de meeste verspieders waren de inwonende volken echter onverslaanbaar. Alleen Jozua uit de stam Efraïm en Kaleb uit de stam Juda waren optimistisch.
De overwegend pessimistische berichten ontmoedigden een groot deel van het volk, en velen spraken erover om terug te gaan naar Egypte. God sprak vanuit de tabernakel en dreigde het gehele twijfelende volk te zullen verdrijven. Mozes pleitte echter voor hen, waarop God vonniste dat de generatie die de uittocht uit Egypte had meegemaakt het Beloofde Land niet zou bereiken, met uitzondering van Jozua en Kaleb. Hij bepaalde dat de totale reisduur veertig jaar zou bedragen, inclusief de twee jaar die al verstreken waren.Numeri 13 en 14 De resterende jaren moesten de Israëlieten in het droge gebied van Sinaï blijven rondtrekken. De tabernakel werd derhalve nog vele tientallen keren gedemonteerd, getransporteerd en weer ineengezet.Numeri 33:15-49
thumb|links|upright|De dood van Korach, Datan en AbiramIllustratie uit Doré's English Bible door Gustave Doré (1866) Numeri 16 verhaalt over een volgende opstand die werd ontketend door Korach, een Kehatiet uit de stam van Levi, en Datan, Abiram en On uit de stam Ruben, een stam die ten zuiden van de Kehatieten gelegerd lag De opstandelingen beweerden dat het gehele volk heilig was en dat Mozes en Aäron zichzelf onterecht boven het volk plaatsten. Zowel leden uit de gehele stam Levi als uit de overigen stammen mochten volgens hen als priester dienen. Mozes daagde de opstandelingen uit om naar de voorhof van de tabernakel te komen en daar tegelijk met Aäron reukwerk voor God te branden, iets wat volgens Gods wetten alleen Aäron en diens nakomelingen mochten doen. Terwijl 250 opstandelingen in koperen vuurpotten het reukwerk brandden, scheurde de aarde open en kwam er vuur uit de hemel, waarop Korach en zijn medestanders door de aarde werden gedood. De koperen vuurpotten werden geplet om het brandofferaltaar mee te bekleden, als een teken voor het nageslacht.
Om de aanstelling van Aäron te bekrachtigen liet God hem en oversten uit de twaalf overige stammen voor de tabernakel ontbieden. Allen dienden hun staf mee te nemen en daarop hun naam te schrijven. De dertien staven werden vervolgens door Mozes in de tabernakel gelegd. De volgende dag haalde Mozes de staven weer voor het gehele volk tevoorschijn, zodat allen konden zien dat Aärons staf in bloei stond en rijpe amandelen droeg. Om deze gebeurtenis en de bevestiging van Aärons verkiezing te herdenken werd de staf in de Ark van het Verbond gelegd.Numeri 17
thumb|upright|De berg Hor in het huidige Jordanië Na hun lange reis door het Sinaï-gebied kwamen de Israëlieten weer terug in Kadesh Barnea, de plaats waar de omzwervingen begonnen. Hier stierf Mozes' zus Mirjam. Aäron en Mozes maakten de fout om God niet te eren toen zij water voor het volk uit de rots tevoorschijn lieten komen. God verordende derhalve dat ook zij het Beloofde Land niet zouden binnengaan.Numeri 20:1-13 De volgende stopplaats was de berg Hor in het huidige Jordanië. Hier kreeg Mozes van God opdracht om met Aäron en zijn zoon Eleazar de berg te beklimmen en daar het hogepriesterschap van vader op zoon over te dragen. Op de berg zei Mozes tegen Aäron dat hij zijn ceremoniële kleding moest uittrekken en tegen Eleazar dat hij ze moest aantrekken. Aäron stierf op de bergtop en het volk beweende hem daarop dertig dagen.Numeri 20:22-29
thumb|upright|links|Israëlieten aanbidden de Midjanitische goden.Illustratie door Gerard Hoet uit Figures de la Bible (1728)
De laaglanden van Moab Na overwinningen behaald te hebben in een strijd op de Kanaänieten in de Negev en de Amoritische koningen Sihon en Og legerde het volk zich in de laaglanden van Moab.Numeri 21:1-3, 21-25, 33-35; 22:1 Dit gebied lag aan de oostzijde van de Jordaan die de grens vormde van het Beloofde Land, en was volgens het verhaal in de Bijbel de 31e standplaats van de tabernakel. In de plaats Sittim in de laaglanden kreeg het volk, dat voor een groot deel uit een nieuwe generatie bestond die de goden van Egypte niet kende, te maken met de religie van de Midjanieten. Deze was in veel opzichten anders. De Israëlieten aanbaden bijvoorbeeld slechts één god, de Midjanieten hadden een polytheïstische religie en aanbaden beelden van Baäl-Peor en andere goden.