Blitzkrieg (letterlijk: "bliksemoorlog") is een uit het Duits overgenomen term die in drie verschillende hoofdbetekenissen gebruikt wordt, als aanduiding voor drie te onderscheiden tactieken: de strategische overval, de gemechaniseerde bewegingsoorlog en de blitzkrieg in eigenlijke zin.
Tactieken De strategische overval Hierbij wordt de vijand door een verrassingsaanval op zijn centrale commandocentrum lamgeslagen en gedwongen tot een bijna onmiddellijke capitulatie. Een voorbeeld hiervan is Operatie Weserübung, de Duitse aanval op Noorwegen in april 1940. Ook de luchtlandingsaanval van de Duitsers op Den Haag, de tiende mei van dat jaar, was een mislukte poging tot een strategische overval. Begin 21ste eeuw zijn effects-based warfare en shock and awe verwante termen in deze zin. Het is in deze betekenis dat het woord vermoedelijk eind jaren twintig in Duitsland ontstaan is, niet bij professionele militairen, maar in populaire weekbladen, die toen volstonden met geopolitieke beschouwingen over hoe Duitsland ook zonder een groot leger toch aan de nodige Lebensraum zou kunnen komen: door het uitvoeren van een aantal oorlogen, begonnen met een strategischer Überfall, die bliksemsnel voorbij moesten zijn, anders waren de voorraden grondstoffen, olie en munitie op. Duitse beroepssoldaten vonden dit maar zweverige onzin en stonden een gedegen voorbereiding van een zeer lange oorlog voor. Een hardnekkige legende wil dat het woord pas op 25 september 1939 in Time Magazine gebruikt zou zijn na de Duitse inval in Polen.
De gemechaniseerde bewegingsoorlog Typering Deze tactiek is een moderne variant op de oude methode om de vijand te verslaan door de eigen troepen te concentreren - in de gangbare Duitse terminologie stammend uit de negentiende eeuw heet dat het vormen van een Schwerpunkt - op één of meerdere van zijn zwakke punten. Nadat zijn front aldaar doorbroken is, wordt hij door een zo snel mogelijke opmars omvat, zodat hij afgesneden wordt van bevoorrading en zelf niet meer kan manoeuvreren. Hierna volgt zijn vernietiging door concentrische aanvallen, de zogenaamde Kesselschlacht. Later vatte men dit alles pakkend samen onder de omschrijving Keil und Kessel.
De klassieke voorbeelden van de oudere niet-gemechaniseerde Bewegungskrieg zijn de campagnes van het Pruisische leger in de Duitse Oorlog met Oostenrijk-Hongarije in 1866 en in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870-1871. In beide gevallen was — door een snelle ontplooiing van staande troepen en mobilisatie van reservisten dankzij het spoorwegnet en een goede organisatie — de vijand binnen twee maanden effectief verslagen.
Door de ontwikkeling van de tank in de Eerste Wereldoorlog en het op ruime schaal ter beschikking staan van vrachtwagens, kon deze klassieke strijdmethode sterk aan effectiviteit toenemen. De sleutelingrediënten waren het gebruik van moderne technologie, zoals de inzet van duikbommenwerpers als een vorm van langeafstandsartillerie, de inzet van tanks om doorbraken te forceren, de gecombineerde inzet van tanks en gemotoriseerde infanterie voor het uitvoeren van diepe penetraties en omsingelingen, en de decentralisering van bevelvoering. Pantsereenheden, ondersteund door infanterie, artillerie en vliegtuigen, hadden als taak op vitale punten aan te vallen, door concentratie tot een doorbraak te komen en door een zo te vormen corridor de vijandelijke legers te omsingelen. Uiteraard kon de communicatie niet meer via telefoonlijnen worden onderhouden. In plaats daarvan werden bevelen via draagbare radiocommunicatieapparatuur doorgegeven en werd veel persoonlijk initiatief van lagere commandanten verwacht. Nadat de vijand zo ingesloten was, kon hij in samenwerking met de infanteriedivisies verslagen worden.
Ontwikkeling doctrine Deze methode was een reactie op de statische uitputtingsoorlog waarin de Eerste Wereldoorlog was ontaard. Die oorlog was in het westen gekenmerkt door de stellingenoorlog, waarbij infanterie in loopgraven verdekt was opgesteld. Deze loopgraven vormden samen met kazematten een sterke verdediging: elk offensief kostte vele tienduizenden levens en leverde slechts enkele kilometers terreinwinst op. De komst van de tank, de toepassing van concentratie bij de infanterieaanval en het steeds meer inzetten van vrachtwagens brachten aan het eind van de oorlog de eerste doorbraak en een gedeeltelijke terugkeer naar de gewenste bewegingsoorlog.
In de jaren dertig werd deze tactiek bij alle belangrijke strijdmachten, die van de Sovjet-Unie, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, de heersende doctrine. Doordat echter geen enkel land de financiële middelen bezat om zijn legers geheel te mechaniseren, was ieder leger sterk verdeeld over de vraag of de prioriteit bij de motorisering (vrachtwagens) of mechanisering (tanks) moest liggen.
Sovjet-Unie en Frankrijk Bij de Sovjet-Unie en Frankrijk wonnen de voorstanders van de tank het: beide landen besloten tanks te gaan gebruiken voor doorbraken. Het erbarmelijke Russische wegennet maakte de inzet van rupsvoertuigen noodzakelijk. Frankrijk had een tekort aan mankracht (de Franse natie had in tegenstelling tot de andere naties in West-Europa geen sterke bevolkingstoename gekend) en wilde dat compenseren door mechanisering. Het Rode Leger zocht het in de kwantiteit en bouwde een enorme massa goedkope lichtere tanks (T-26); het Franse leger meer in de kwaliteit en schafte als enige ter wereld een effectieve, maar zeer dure, hoeveelheid zware doorbraaktanks aan (Char B1 bis).
Duitsland en het Verenigd Koninkrijk In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk echter lag de klemtoon eerst op de aanschaf van vrachtwagens. Het kleine Britse leger werd geheel gemotoriseerd. Toen echter de spanningen met Duitsland na 1938 sterk toenamen, ging men plannen maken voor de massaproductie van tanks en het (na een experiment begin jaren dertig) opnieuw formeren van pantserdivisies.
De Duitse geschiedenis is erg complex. Vlak na de Machtergreifung door Hitler werd om politieke redenen besloten een apart onafhankelijk Tankwapen te vormen. Op die manier wilde men zich symbolisch losmaken van het Verdrag van Versailles dat Duitsland verboden had zware pantservoertuigen te bezitten. Nadat de eerste drie pantserdivisies opgericht waren, kregen de voorstanders van motorisering de overhand. Ze zorgden ervoor dat er meer geld naar de aanschaf van vrachtwagens ging en verdeelden die zo veel mogelijk over de verschillende infanteriedivisies. Ook een belangrijk deel van de tanks werd over de infanteriekorpsen en cavaleriedivisies verspreid. Dit was natuurlijk tegen de zin van de militairen van het tankwapen. Een van hen, Heinz Guderian, publiceerde in 1937 een boek Achtung: Panzer! (Tanks!) waarin hij de bouw bepleitte van zwaardere tanks voor de doorbraak - die, vanzelfsprekend, bij het tankwapen gebundeld moesten worden. Eind 1938 werd het beleid inderdaad in deze zin veranderd. Geleidelijk werden de tanks weer samengebracht in alleen pantserdivisies (bij de cavaleriedivisies lukte dat door gewoon de naam te veranderen). Door grote vertragingen in de bouw van de zwaardere tanktypen, verbood de officiële Duitse doctrine echter het gebruik (of misbruik) van de dure pantsereenheden voor een doorbraak: die mochten slechts het succes van de infanteriedivisies uitbuiten.
Cavalerie- en infanterietanks Duitsland had als enige een apart Tankwapen en die organisatie bepaalde het tankontwerp: men bouwde tanks die in principe zowel voor de doorbraak als de bewegingsfase geschikt waren. Toen de Duitse Infanterie en Cavalerie ook tanks in hun organisatie opnamen, leidde dat niet tot de bouw van aparte typen. In de andere landen echter waren de tanks over Infanterie en Cavalerie verdeeld, waarbij een arbeidsverdeling toegepast werd: de infanterie-eenheden legden zich toe op de doorbraak en de cavalerie-eenheden op de beweging. Ze ontwikkelden voor die verschillende taken dan ook speciale tanks. Infanterietanks waren langzamer met een geringer rijbereik; cavalerietanks wat minder bepantserd.
Aanval en verdediging Omdat alle landen dezelfde doctrine hadden, zouden ze in geval van oorlog niet alleen volgens die doctrine kunnen aanvallen, maar ook aangevallen worden. Hoe moest men zo'n aanval afslaan?
De Britten, Fransen en Duitsers meenden dat men het best een sterke verdedigingslinie kon aanleggen die zich over het hele front uitstrekte. De infanteriedivisies die zo'n linie moesten bemannen, werden uitgerust met grote hoeveelheden antitankkanonnen. Omdat de bepantsering van de toenmalige tanks vrij zwak was, hoefden die kanonnen niet erg zwaar te zijn en deze methode was dus erg goedkoop en ook bij kleinere landen populair. Antitankkanonnen beschermden echter alleen tegen tanks en ze deden dat zo effectief dat het betwijfeld moest worden of de vijand überhaupt tanks voor de doorbraak zou inzetten. Er moest dus ook een verdediging komen tegen infanteriedoorbraken. Daarvoor kon men tanks ingraven, maar ook een fortenlinie aanleggen (Maginotlinie, Siegfriedlinie). Mocht de vijand echter onverhoopt tóch doorbreken, dan moesten zijn oprukkende tankspitsen afgesneden en vernietigd worden door een achter de hand gehouden pantserreserve. Daarvoor waren de cavalerietanks het meest geschikt.
De Sovjet-Unie koos echter voor een andere verdedigingstactiek. Er werden wel grensfortificaties aangelegd (Stalinlinie) maar de verdediging wilde men net zo voeren als de aanval: als een bewegingsoorlog. De vijand zou de diepte van Rusland ingelokt worden om hem dan met de massa van het leger te omsluiten en vernietigen: eigenlijk een kopie van de aanvalsoorlog - maar nu zou de vijand zo vriendelijk zijn zelf de fatale beweging uit te voeren.
Theorie en praktijk De gemechaniseerde bewegingsoorlog vergt een grote deskundigheid, maar eigenlijk had alleen Duitsland het talent en de opleidingstradities om hem professioneel uit te voeren. De andere landen beseften dat heel goed en probeerden, ieder op eigen wijze, dat probleem te omzeilen.
De Britten hielden hun leger heel klein zodat het een zeer hoog aandeel aan ervaren beroepsmilitairen bezat. In Frankrijk bepleitte kolonel Charles de Gaulle de oprichting van een soortgelijk kernleger van beroepsmilitairen die alle gemechaniseerde eenheden moesten bemannen. Men vreesde echter voor de politieke betrouwbaarheid van zo'n eliteleger en zou ook geen enkele competente officier voor de normale divisies overgehouden hebben. Men probeerde de aanval daarom maar zoveel als mogelijk was te vermijden; in ieder geval moest een offensief zo methodisch mogelijk zijn en strak onder controle gehouden worden om ook in de bewegingsfase steeds met een beslissende overmacht aan troepen te kunnen opereren.
Stalin zocht het advies van tacticus generaal Pavlov toen hij na het officierenkorps goeddeels te hebben uitgemoord in de Grote Zuivering twijfel kreeg over de gevechtskracht van het Rode Leger. Pavlov vertelde Stalin de ongezouten waarheid dat er nu geen hoop was op een succesvolle verdediging door manoeuvres. Hierop paste de Sovjet-Unie zich vanaf 1938 aan de standaardmethode aan en verdeelde zelfs als enige land tanks onder de normale infanteriedivisies om een lineaire verdediging te versterken.
Blitzkrieg in eigenlijke zin thumb|Heinz Wilhelm Guderian, de vader van de Ware Blitzkrieg Soms gebeurt het dat al bij het uitvoeren van de bewegingsfase van de gemechaniseerde bewegingsoorlog de vijandelijke verdediging volledig in elkaar stort zodat er geen afsluitende vernietigingsslag meer hoeft te volgen. In dat geval is de oorlog inderdaad bliksemsnel voorbij. Op zichzelf is zo'n feitelijk gebeuren niets anders dan een variant van de bewegingsoorlog. Iedere aanvaller hoopt dat het zo zal aflopen - maar hij rekent er meestal niet op.