Jacques Anquetil (Mont-Saint-Aignan, 8 januari 1934 – Rouen, 18 november 1987) was een Frans wielrenner die zowel op de baan als op de weg actief was. Hij was de eerste wielrenner in de geschiedenis die vijfmaal de Ronde van Frankrijk won. Daarnaast was hij de eerste wielrenner die alle drie de Grote Rondes op zijn naam schreef en de eerste renner die de Ronde van Spanje en de Ronde van Frankrijk in één kalenderjaar won.

Zijn specialisme was het tijdrijden, het merendeel van zijn overwinningen behaalde hij via deze discipline. Bij het algemene publiek staat hij bekend om zijn openheid over het gebruik van doping en rivaliteit met Raymond Poulidor. Gezien zijn prestaties in de jaren 1950 en 1960 wordt hij gezien als een van de beste mannelijke wielrenners aller tijden.

Biografie Jeugd (1934-1951) Jacques Anquetil werd geboren op 8 januari 1934 in Mont-Saint-Aignan, een plaats dicht bij de stad Rouen. Zijn vader was metselaar en zijn moeder was tot aan de geboorte van Anquetil werkzaam in een wasserette. Het gezin verhuisde naar Bois-Guillaume, waar op 12 april 1940 Anquetils jongere broer Philippe werd geboren.

Vader Ernest had die tijd nabij Quincampoix een stuk land waar hij aardbeien teelde. Hier hielp Anquetil zijn vader en verdiende zo zijn eerste spaarcenten. Op vierjarige leeftijd kreeg hij zijn eerste fiets, een Alcyon, en fietste hiermee dagelijks anderhalve kilometer naar school. Toen hij de lagere school in 1947 afrondde, ging hij naar het technisch lyceum in Sotteville-les-Rouen. Hier haalde hij meerdere diploma’s en ontdekte zijn passie voor sporten en zijn uithoudingsvermogen. In deze periode besloot hij zich volledig toe te wijden tot de wielersport en werd hierin mede aangespoord door de radioverslagen die hij toen meekreeg over de Ronde van Frankrijk, waar destijds duels werden uitgevochten tussen onder andere Fausto Coppi, Louison Bobet en Rik Van Steenbergen. Niet veel later moedigde zijn goede vriend Maurice Dieulois hem aan zich aan te sluiten bij de plaatselijke amateurclub.

Dieulois stelde Anquetil voor aan de directeur van de amateurclub waar Dieulois destijds pas kort rondliep, André Boucher. Boucher zag al snel dat Anquetil een renner was met potentie. Aan zijn officiële eerste race nam hij deel op 8 april 1951, de Grand Prix de Gai-Sport die plaatsvond in en om Le Havre. Hij verscheen hier echter niet op de lijst van de gefinishte renners omdat de koerscommissaris hem niet over de finish had zien komen. Ploeggenoot en vriend Dieulois won deze wedstrijd. De eerste overwinning voor Anquetil liet niet lang op zich wachten. Amper een maand later, op 3 mei 1951, won hij de Prix Maurice Latour in Rouen. Na meerdere wedstrijden in het jeugdcircuit van Normandië te hebben gewonnen werd de competitie afgesloten met een tijdrit van 85,6 kilometer. Dieulois en Anquetil startten hier als laatste omdat ze aan de leiding gingen in het klassement. Ondanks het verschil van vier minuten in de starttijd haalde Anquetil zijn vriend in en won de tijdrit. Daarnaast eindigde hij als beste jongere en won hiermee zijn eerste klassement.

Veelbelovende amateur (1952-1953) Mede doordat hij negen regionale wedstrijden won, bewees de 19-jarige Anquetil in 1952 aan Boucher dat hij een veelbelovende renner was. Ook was hij op andere plekken in Frankrijk succesvol, zo won hij de eerste editie van de Grote Prijs van Frankrijk. Boucher wist een plek te vinden langs het parcours in een greppel. Hiervandaan wist hij, de matig gemotiveerde Anquetil, de juiste duw in de rug te geven en hij reed gemotiveerder naar de finish dan eerder. Later in het jaar werd hij ook nationaal kampioen van Frankrijk in de amateurcategorie. Geselecteerd voor de nationale Franse ploeg nam hij eveneens in 1952 deel aan de Olympische Zomerspelen. In de wegwedstrijd eindigde hij als twaalfde, hij kwam vijf minuten later over de eindstreep dan de Belgische winnaar André Noyelle. Op dezelfde Spelen won Anquetil brons in de ploegentijdrit, die reed hij samen met Alfred Tonello en Claude Rouer.

Voor aanvang van het wielerseizoen van 1953 verkreeg Anquetil een licentie om deel te nemen aan wedstrijden als onafhankelijke renner.Een renner die onafhankelijk deelnam aan wedstrijden stond niet onder contract bij een professionele ploeg. Echter kreeg deze renner wel toestemming van de wielerbond om deel te nemen aan professionele wedstrijden. Door deze bevoegdheid kon hij zich meten tegenover de professionele renners. Wederom won hij negen regionale koersen, waaronder de tijdrit in de Ronde van de Manche. Deze overwinning kende extra waarde omdat onder andere Jean Brankart en Albert Bouvet als beroepsrenner aan de start verschenen. Eind augustus won hij het eindklassement van Maillot des As, waar hij twee jaar eerder het jongerenklassement won. In de allesbeslissende tijdrit was hij maar liefst negen minuten sneller dan de nummer twee, Claude Le Ber. Anquetil reed over 122 kilometer een gemiddelde van 42,052 kilometer per uur.

Carrière (1953-1969) Start als prof (1953-1954)

De prestaties van de jonge Anquetil werden nauwlettend in de gaten gehouden. Eind september bood baas van de ploeg La Perle-Hutchinson, Francis Pélissier, hem zijn eerste contract aan en Anquetil ging gelijk 30.000 Franse franken per maand verdienen.Omgerekend naar euro's gaat het om een bedrag van ongeveer 4500,- Dit was destijds het gemiddelde salaris voor de renners van de ploeg van Pélissier. Nog in dezelfde week nam Anquetil voor het eerst deel aan de Grote Landenprijs, een tijdrit van 140 kilometer die werd verreden in en rond de Franse hoofdstad Parijs. Als jongste deelnemer van deze wedstrijd wist hij hier overtuigend te winnen door de rit bijna zeven minuten sneller af te leggen dan Roger Creton, die de tweede tijd reed. Met deze prestatie kwam Anquetil dertig seconden tekort op het record van de Zwitser Hugo Koblet. In totaal nam Anquetil negen keer deel aan deze wedstrijd, alle negen edities won hij. Kort na zijn eerste deelname aan de Grote Landenprijs, won hij de Grote Prijs Lugano, een tijdrit van 75 kilometer die werd verreden in en om het Zwitserse Lugano. Eveneens in oktober bracht Anquetil een bezoek aan de Italiaanse Fausto Coppi. Hij had de wens om, net als Coppi, campionissimo te worden.Campionissimo is de term die gebruikt wordt voor de beste Italiaanse wielrenner, Anquetil had de wens om de Franse versie hiervan te worden. De term is voor het eerst gebruikt door de Italiaan Gaetano Belloni. Na een keuring van de verzorger van Coppi zagen de heren potentie in de jonge Fransman, zodoende gaven ze hem veel advies waaronder trainings- en voedingsschema's. Echter sloeg Anquetil deze allemaal af, hij wilde het op zijn manier doen. Op deze manier opende hij de strijd met de Italiaan en vertrok, na enkele fietstochten door het landschap, terug naar Normandië. In de eerstvolgende wedstrijd waar beide heren aan de start verschenen, de Trofeo Baracchi, won Coppi samen met Riccardo Filippi, Anquetil eindigde als tweede met Antonin Rolland.

In 1954 reed hij nog voor dezelfde ploeg en nam half maart deel aan de twaalfde editie van Parijs-Nice. Hij verscheen hier aan de start als kopman van de ploeg en won de tijdrit van Cannes naar Nice. Aan het eind van de wedstrijd eindigde hij als zevende in het eindklassement. In de jaren die volgden won hij acht etappes en vijfmaal het eindklassement in Parijs-Nice. Niet veel later nam hij deel aan het wereldkampioenschap wielrennen, in de wegwedstrijd eindigde hij als vijfde met drie minuten achterstand op de winnaar, zijn landgenoot Louison Bobet. Verder in het seizoen van 1954 won hij nog de Grote Landenprijs en de Grote Prijs Lugano. In de Grote Landenprijs vestigde hij een nieuw snelheidsrecord, dat even daarvoor ook al was verbroken door de Belg Jean Brankart. Na dit succes in een vallei nabij Chevreuse moest de twintigjarige Anquetil in dienstplicht. Hier wist hij, al dan niet met de nodige moeite, te regelen dat hij wel mocht deelnemen aan wedstrijden zoals de Grote Prijs Lugano, deze wedstrijd wist hij (na een moeizame reis vanuit zijn woonplaats in Normandië naar Lugano) naar zijn hand te zetten.

In deze periode genoot Anquetil voor het eerst van landelijke bekendheid, die steeds groter werd in Frankrijk en daarbuiten. Tevens werd hij door zijn prestaties in het tijdrijden aangeduid als meester in deze discipline en gezien als een belangrijke figuur in de destijds opkomende generatie wielrenners.

Aanval en herkansing werelduurrecord (1955-1956) In zijn derde, en tevens laatste, jaar bij de ploeg La Perle-Hutchinson reed hij onder andere Parijs-Roubaix, waar hij als vijftiende eindigde. Na actief te zijn geweest in het Critérium du Dauphiné trok hij enkele dagen later de sprint aan voor André Darrigade en hielp hem aan de overwinning van het nationale kampioenschap op de weg. Op het wereldkampioenschap wielrennen liet Anquetil zich zien door aanwezig te zijn in de vluchtMet vlucht als wielerterm wordt bedoeld dat de renner(s) in een groep voor het peloton rijden, hedendaags zijn dit veelal renners die rijden voor een "kleine" wielerploeg. In de tijd van Anquetil was het ook gebruikelijk voor renners met een grotere naam om in de vlucht te zitten. Renners die in de vlucht zitten zijn niet altijd onderdeel van een kopgroep, die rijdt aan de kop van de wedstrijd. van deze wedstrijd, de Belg Stan Ockers won de wedstrijd en Anquetil kwam als zesde over de finish na Marcel Janssens. Twee weken later won hij de Grote Prijs Martini en zegevierde voor de derde maal op rij in de Grote Landenprijs, waar hij een recordtempo van 40 kilometer per uur reed.

Eveneens in 1955 deed hij een poging om het werelduurrecord te verbreken. Het record stond destijds al voor dertien jaar op naam van Fausto Coppi. De zogeheten aanval vond 25 oktober plaats, op de Velodromo Maspes-Vigorelli in Milaan. Met de aanwezigheid van zo'n 10.000 toeschouwers en enkele voorname wielrenners ging hij om zeven uur 's avonds van start. Op deze baan startte hij relatief snel waardoor hij snel een voorsprong had op zijn tijdschema. Echter bleek al snel dat deze tactiek niet werkte, Anquetil kwam 623 meter te kort voor het werelduurrecord dat dus nog altijd op naam bleef van Coppi.

Begin december van 1955 haalde hij zijn eerste professionele zege op de baan. Anquetil versloeg hier op het nationaal kampioenschap titelverdediger Isaac Vitré bij de achtervolging.

Vanaf 1956 reed hij bij de wielerploeg Helyett-Potin, waar hij tot en met 1961 voor zou blijven rijden. Kortstondig in 1956 nam hij deel aan wedstrijden namens het Italiaanse Bianchi-Pirelli, de ploeg van Coppi. In maart prolongeerde Anquetil zijn titel als nationaal kampioen bij de achtervolging op de baan, voor Henri Andrieux. Deze titel prolongeerde hij in juni, wederom voor Isaac Vitré. Niet veel later na zijn derde titel bij de achtervolging in het baanwielrennen kreeg hij toestemming van zijn commandant bij het leger om een nieuwe poging te doen om het werelduurrecord te verbeteren. Voor dit project verzamelde Anquetil vier begeleiders die hem zouden ondersteunen. Dit waren zijn verzorger Sadi Duponchel, trainer en fietsenmaker André Boucher, kapitein Gueguen en manager Daniel Dousset. De helft van de opbrengst zou Anquetil schenken aan de moeder van een soldaat die omkwam bij de Slag om Palestro, Algiers.