Welden is een dorp in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen. Het vormt een deelgemeente van Oudenaarde, het was een zelfstandige gemeente tot aan de gemeentelijke herindeling van 1971.

Welden is een landelijk dorp in de Vlaamse Ardennen, het ligt tussen de heuvels van de rechteroever van de Schelde, aan de noordoostgrens van Oudenaarde. Ten oosten ligt Zwalm en ten noorden Zingem.

Welden is, gezien zijn oppervlakte, nog relatief dunbevolkt. Langs de Schelde bevindt zich het natuurgebied de Reytmeersen. De dorpskern concentreert zich rond enkele belangrijke kruispunten; daarbuiten vindt men hoofdzakelijk glooiende akkers. Naast de dorpskern liggen in Welden nog de gehuchten Neerwelden, Raes Bos (in de volksmond: Bossche) en Vogelzang.Ph. Vander Maelen, Dictionnaire géographique de la Flandre orientale, 1834 De N46 snijdt het dorp in twee delen: een noordwestelijk deel en een zuidoostelijk deel. Noordwestelijk deel: Welden-dorp en Neerwelden liggen langs de Schelde. Raes Bos en Vogelzang beslaan de zuidoostelijke helft van de gemeente. Tegenwoordig vinden er ook geen eucharistievieringen meer plaats maar vinden ze plaats te Ename.

Geschiedenis Vroege geschiedenis De naam Welden zou een pre-Germaanse oorsprong hebben. Het dorp ontstond, net als het gehucht Neerwelden, op de licht verheven drogere, matig natte gronden van de Scheldezone. Zowel Welden als Neerwelden liggen net boven het oude overstromingsgebied van de Schelde met zijn schorren en weiden.

Het bescheiden en afgelegen dorpscentrum grenst aan de Scheldemeersen, 1250 meter verwijderd van de stroom. De drooglegging van het overstromingsgebied door middel van grachten ving wellicht aan tijdens de ontginningsperiode van de 11e en 12e eeuw. Ten noordoosten van de dorpskern ligt de Weldenkouter op hoger gelegen lemig zand; ten zuiden daarvan doorsnijdt de vallei van de Oossebeek de gemeente. Het vroeger beboste en moerassige gebied ten oosten en ten zuiden van de Oossebeek werd ook pas in de 11e à 12e eeuw ontgonnen. Ten zuidoosten van de provinciebaan Aalst-Oudenaarde vormt de 40 m hoge zogenaamde "Hoge Berg" een heuvel die aansluit bij het heuvelachtig landschap van Mater behorend tot de Vlaamse Ardennen. Over de kam van voornoemde heuvel loopt een oude verbindingsweg zogenaamde "Ronsen Heerweg" die van Nederzwalm richting Mater loopt.

Er zijn sporen van bewoning uit het neolithicum aangetroffen in het uiterste noorden, in het gehucht Neerwelden. Het gehucht Neerwelden situeert zicht ten oosten van Welden, waar de straten Kouterstraat, Olmstraat, Roostraat, Rothstraat en Schuisplanklos samenkomen. Het is niet uitgesloten dat net als in de relatie Ename–Nederename, Neerwelden ouder is dan Welden. Op de wijk Neerwelden, aan de rand van de kouter in het noorden van de gemeente, wijst de concentratie aan gevonden silexmateriaal, binnen een vroegere Scheldebocht te Hoog Brugghe, op mogelijke occupatie in het laat Neolithicum en de vroegere Bronstijd. Op verschillende plaatsen laten Romeinse vondsten toe te veronderstellen dat er ook in die periode bewoning was – onder meer te Neerwelden (onder andere ter plekke van de voormalige herberg, nu vakantiehuis "In Den Akker") en op de wijk Peerdestok (Vleesstraat en Mattenbosstraat).

Van een oude vermelding uit 811 als "Wildo super fluviola Wildia" (Wildo op het riviertje Wildia) wordt in twijfel getrokken of hiermee Welden bedoeld werd. Een volgende vermelding dateert uit 1110 als Welines, waar men gewaagt van het altaar van Wenlines, dat na de verovering van de oostelijke Scheldeoever door de graaf van Vlaanderen op het Duitse rijk, door de bisschop aan de Sint-Salvatorabdij van Ename toegewezen werd voor het verzorgen van de eredienst en het innen van de tiendepenning. Latere vermeldingen zijn "Uuellinis" (1115), "Wenlin" (1110-1130), "Wellina" (1176).

thumb|Voormalige Pontweg en pont naar Heurne in Welden op de Ferrariskaart

De dorpskern was met de omgeving verbonden via twee lokale verbindingswegen. De eerste weg liep naar de Schelde. Dit was de vroeger zogenaamde Pontweg (later omgedoopt tot Mgr. Lambrechtstraat), die in noordelijke richting naar het Scheldeveer tussen Welden en Heurne leidde. De tweede weg liep van Nederename (Reytstraat) wellicht via de Kouterstraat over Neerwelden naar Nederzwalm. De huidige rechtstreekse verbindingsweg (provinciale baan) tussen Nederename en Nederzwalm werd pas veel later aangelegd.

Welden was oorspronkelijk een dorp van boeren en veehouders. Welden was ingedeeld in een aantal heerlijkheden. De eigenaar van de heerlijkheid had recht op de helft van de opbrengst van de oogst van het land. De andere helft kwam toe aan de horige, maar hiervan diende hij een tiende af te staan aan de kerk. De abdij van Ename had recht op een tiende van alle oogsten in ruil voor het onderhoud van de eredienst en zijn bedienaar, de pastoor. Het is niet duidelijk of in de middeleeuwen ook het zogenaamde banrecht afgekondigd was in de heerlijkheden van Welden, wat betekende dat de bewoners zich voor het malen van graan moesten wenden tot de molen van hun heer.

Tot in de 11e eeuw lag Welden niet in het graafschap Vlaanderen, maar in Brabant, en de Schelde was de grens tussen Vlaanderen en Brabant. Het behoorde tot het graafschap Biest, waarvan de zetel niet gekend is, maar waarvan men vermoedt dat het het Romeinse district (pagus) Velzeke opvolgde.

Na de verovering van de rechter (oostelijke) Scheldeoever behorende tot het Duitse rijk door de graaf van Vlaanderen, werd de bevolking van Welden door de bisschop van Kamerijk in 1110 toegewezen aan de Sint-Salvatorabdijvan Ename, die de eredienst verzorgde, en de tiendepenning inde. In het graafschap Vlaanderen viel Welden onder kasselrij van het land van Aalst. De eerste heerlijkheid Welden was eigendom van de heer van Schorisse. De tweede heerlijkheid van Welden werd "Eeckhove" genoemd. Graaf Egmont verkocht in 1627 zijn heerlijkheid Welden aan de niet-edelman Laureins Volckaert. De tweede heerlijkheid Eeckhove werd in de 17e eeuw gekocht door de niet-edelman Sebastien d'Hane, waarna de heerlijkheid werd geërfd door een van zijn kinderen en nadien een van zijn kleinkinderen. Na het overlijden van dit kleinkind werd de heerlijkheid Eeckhove in 1715 verkocht aan de Aalsterse koopman Nicolaas Van Overstraeten voor 13.000 gulden. Het is het wapenschild van deze eigenaar van de heerlijkheid Welden, dat het latere dorp Welden heeft overgenomen in zijn wapenschild.

Gedurende woelige periode van de opgang van het calvinisme, keerde de grote meerderheid van de bevolking in Welden zich naar de hervorming en werd protestants (calvinistisch). In 1566 volgden Weldenaars de Beeldenstorm. Naast de inboedel van de kerk werd ook de pastorij van Welden verwoest. Bij de daaropvolgende repressie van het calvinisme, werden Pieter van den Hole en Jan van Wyemeersch onthoofd (jaar 1545). Al wie zich niet tot het katholicisme bekeerde diende te vluchten. Geschat wordt dat ongeveer de helft van de bevolking de wijk nam. Pas door het oprichten van een dicht net scholen, waar alle kinderen een katholieke opvoeding kregen, opgezet via een dicht net van kleine kloosters, kwam er ook te Welden in de 19e eeuw een echte doorbraak van het katholicisme.

In de Oostenrijkse periode werd de N46 aangelegd. Deze weg is reeds te zien op de Ferrariskaart.

18e en 19e eeuw Toen Keizer Jozef II, geïnspireerd door de liberale ideeën van die tijd, het systeem van heerlijkheden wou afschaffen, leidde dit tot een opstand van diegenen die hun voorrechten zouden verliezen. Deze Brabantse Omwenteling van 1789 bracht het volgende jaar een reactie teweeg van de plattelandsbevolking die de hervormingen van de keizer steunde. Het epicentrum van deze Zuid-Vlaamse plattelandsopstand van 1790 lag in Sint-Maria-Latem, Nederzwalm en Welden. De baljuw van Welden, Van Cauwenberghe, de vertegenwoordiger van de heer van Welden, werd door de woedende dorpsbevolking aangevallen. De pastoor van Welden werd eveneens bedreigd. De kapitein van de opstand was Jean-Baptist Leyman, een visser te Welden. De opstand werd neergeslagen door het leger en door vrijwilligerskorpsen van de Verenigde Nederlandse Staten.L. Dhondt "De plattelandsopstand der Gelijken van 1790. Bijdrage tot de kennis van de crisis van de Oude Maatschappij en de politieke en ideologische geschiedenis van het platteland" in Handelingen van de geschied- en Oudheidkundige kring van Oudenaarde, XIX, 1978, pp. 185-259 Leyman werd als schrikwekkend voorbeeld op de markt te Oudenaarde opgehangen. De Oostenrijkers konden de streek heroveren en vervolgden de Oudenaardse baljuw De Smet, ten voordele van de familie Leyman.

thumb|Voormalig klooster van Welden. Een belangrijke post in de herkatholisering van de gemeente na de calvinistische periode. Het kloostergebouw werd ondertussen afgebroken. In 1794 vielen de Franse revolutionairen binnen. Door de afschaffing van het systeem van de heerlijkheden, reeds ingezet door Jozef II, werd Welden een zelfstandige gemeente. De Fransen ontmoetten steun van de opstandelingen van 1790 (o.a. Philips De Waele).

De bevolkingsgroei van Welden hing samen met de productie van lijnwaad als huisnijverheid. De piekperiode van deze huisnijverheid situeert zich rond 1845 tot 1850. Toen de machinale katoenfabrieken, geconcentreerd in de steden Ronse en Oudenaarde, de lijnwaadhuisnijverheid verdrong, verhuisden velen naar de steden en verminderde ook de Weldense bevolking weer.

thumb|Voormalig smidse en aanpalend café "In de oude Mode" of "Mote" op de hoek van de voormalige Pontstraat en de Nederenamestraat. In 1830 telde men twee graanmolens, 12 smeden, voerlieden, klompenmakers en kleermakers. Ook waren er twee vissers en een schaapherder. Waarschijnlijk bestond toen ook reeds de mandenvlechterij. Ph. Vander MaelenPh. Vander Maelen, Dictionnaire géographique de la Flandre orientale, 1834 vermeldt dat 26% van de oppervlakte van het dorp bestond uit hakhout. In 1930 piekte de mandenvlechterij, die vooral rond de kerk geconcentreerd was. De straat Mandemakerstraat herinnert hier nog aan. Kinderen hielpen mee met het oogsten van de wijmen op de velden. Samen met het verdwijnen van de mandenvlechters, verdween in 1990 verdween ook het laatste veld wijmen in het dorp. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw waren naast de Schelde enkele steenbakkerijen te vinden.

De wijk Bossche werd in de 19e en eerste helft van de 20e eeuw gezien als het armere deel van de gemeente. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw waren vele huizen van leem, en de meeste huizen hadden een dak van stro. De landbouwers van de wijk Bossche hadden geen paarden en ploegden met speciaal hiertoe opgeleide koeien en ossen. Op het einde van de 19e eeuw werden het volledige gebied "Swynsveld", het oostelijk deel van de gemeente, met de Peerdestokbeek als grens, toegevoegd aan de gemeente Nederzwalm. De reden van deze overdracht is niet gekend. Het plan van de gemeente, inclusief het Swynsveld is te zien op het Primitief Kadaster uit 1830-1833,Cartesius.be de kaarten van Popp uit 1842-1879 en die van Vander Maelen uit 1846-1854.Geopunt.be