De Renault FT (vaak aangeduid als de FT-17 in literatuur na de Eerste Wereldoorlog) is een lichte Franse tank uit de Eerste Wereldoorlog die ook is gebruikt tot na de Tweede Wereldoorlog.
Ontwikkelingsgeschiedenis en beschrijving Het toeval speelde bij het tot stand komen van de derde Franse tank zo mogelijk nog een grotere rol dan bij de twee eerste tanks, de Schneider en de Saint-Chamond.
In het lemma over de Schneider kunnen we lezen hoe kolonel Jean Baptiste Eugène Estienne (1860-1936) op 20 december 1915 met ingenieur Brillié van Schneider contact opnam om te informeren hoe snel de productie van een nieuwe tank zou kunnen beginnen. Toen al moet hij de nodige twijfel gevoeld hebben over de capaciteiten van ieder voertuig gebaseerd op de Holt tractor, want op diezelfde dag had hij eerst een voorstel gedaan aan Louis Renault voor de ontwikkeling van een heel nieuw model. Hij toont daarmee het diepe en juiste inzicht dat massaproductie van tanks bij de auto-industrie in de beste handen is, iets wat Engeland en Duitsland ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nóg niet begrepen hebben. Renault wijst dit aanbod echter af. Hij heeft het al te druk. Toch blijft de gedachte hem in het hoofd hangen en brengt hem weldra op andere ideeën.
Eerst gaan Renault en zijn hoofdontwerper, Serre, op 20 mei 1916 eens kijken bij het legeratelier waar de prototypes worden begeleid. Negen dagen later wonen ze rijdemonstraties van het chassis bij. De heren zijn niet bepaald onder de indruk van het hun getoonde. Het zal niet moeilijk zijn iets te bedenken wat dit broddelwerk verre in kwaliteit overtreft. Serre geeft ontwerper Rodolphe Ernst-Metzmaier de opdracht met een radicaal nieuw concept op de proppen te komen.
De publicist Zaloga begint zijn boekje over de FT met de zin: The Renault FT was the world's first modern tank. Deze stelling lijkt wat boud als we bedenken dat de FT dus al in ontwikkeling was voordat de eerste tanks ook maar op het slagveld waren verschenen. Toch luidt de FT het einde in van de oertijd van de tankevolutie. We nemen nu afscheid van de box tank, die alleen ontstaan was uit denkluiheid. thumb|300px|De eerste houten maquette naar het ontwerp van Ernst-Metzmaier van de FT uit 1916
Ernst-Metzmaier herdenkt het hele begrip "tank". Daarbij laat hij zich niet meer beperken door de eigenschappen van een al bestaand tractorchassis. Het enige gegeven is dat de tank zo licht mogelijk moet zijn, want Renault wil niet al te veel investeren. Hoe de tank eruit komt te zien kan beschreven worden als een serie antwoorden op basisvragen die de tank als het ware terugbrengen tot zijn essentie.
Hoeveel manschappen heeft een tank minimaal nodig? Twee, want één man kan niet naar voldoening zowel de tank besturen als de bewapening bedienen.
Hoe moeten die manschappen ten opzichte van elkaar geplaatst worden? Achter elkaar. Dit maakt de tank smaller en dus minder kwetsbaar en geeft beiden een gelijkwaardige positie ten opzichte van de bewegingsas.
Wie zal dan de voorste en wie de achterste zijn? De chauffeur moet voor zitten zodat hij een vrij uitzicht heeft op de weg.
Hoe zal de bewapening geplaatst worden? In een bovengeplaatste koepel zodat de schutter rondom een vrij schootsveld heeft. Hij heeft dan voldoende ruimte zich op te richten. thumb|300px|De eerste maquette in dichte vorm Waaruit bestaat die bewapening minimaal? Uit een 8 mm mitrailleuse. Die volstaat voor de vernietiging van de meeste doelen met uitzondering van zware kazematten. Duitsland is niet in staat zelf in groten getale tanks te produceren.
Waar moet de motor zich bevinden? Achter de ruimte met de schutter. Dat houdt de tank smal, verlegt het zwaartepunt naar achteren zodat hindernissen makkelijker overwonnen kunnen worden en maakt de motor eenvoudiger te koelen en repareren.
Hoe moet de vorm van het loopwerk zijn? Van voren sterk oplopend zodat het klimvermogen vergroot wordt. Een enorm houten klimwiel is een eenvoudige en lichte manier om dit te bereiken.
Moet het voertuig rupsbanden hebben? Jazeker: hoewel dit de prijs verhoogt, is het de enige manier om op het slagveld vooruit te komen. Daarbij zou een echte pantserwagen veel hoger worden en navenant kwetsbaarder.
Welke vorm moet de romp hebben? De pantsering aan de voorkant moet zich aanpassen aan de chauffeur en dus een punt vormen waar zijn onderlichaam in past. De pantserplaten boven zijn benen moeten meteen een dubbel toegangsluik zijn. Thomé kan dergelijk ingewikkelde structuren perfect in staal gieten. Ook de pantserplaten boven de motor moeten ter gewichtsbesparing afgeschuind zijn.
En welke vorm de koepel? De toren van de tank moet de vorm hebben van een lage afgeknotte kegel, waarbij het dak wat naar achteren oploopt en een integraal observatiekoepeltje draagt. Opnieuw een mooi werkje voor Thomé.
Hoe hoog valt het gewicht dan uit? Verbluffend genoeg kan dat zo binnen de vijf ton gehouden worden, zelfs bij toepassing van pantserplaten van 22 mm, die de tank tot de best beschermde operationele Franse tank van de Eerste Wereldoorlog zullen maken. Zelfs met een motor van een luttele 18 pk kan nog stapvoets gereden worden. Dit alles toont het fundamentele succes van het ontwerp als geheel aan. De geringe omvang maakt hem uitermate geschikt voor massaproductie.
300px|thumb|De tweede maquette van de FT in december 1916 thumb|300px|Het prototype van de FT, nog met een gietstalen neus; het kanon is een houten dummy. In de loop van de productie zouden alle gietstalen onderdelen, ook de toren, door goedkopere vervangen worden thumb|300px|FT met korte kanon van 37 mm halfautomaat in het Musée de l'Armée in het Hôtel des Invalides te Parijs. Al deze kenmerken lijken tegenwoordig voor de hand te liggen. Wat is er natuurlijker dan dat de chauffeur voorin zit, de motor achterin en de gevechtsruimte met koepel in het midden? Tegenwoordig heeft 99% van de bestaande tanks deze indeling. Om te begrijpen dat dit allerminst vanzelf spreekt, volstaat een enkele blik op de eerste tank: de Britse Mark I. Daar zit de chauffeur bovenop, de motor onderop en de kanonnen aan de zijkant. En dáárom is de FT in zekere zin inderdaad de eerste moderne tank.
De eerste stap is gezet. Nu is het tijd voor de tweede stap: het veiligstellen van een productieorder. Een toevallige ontmoeting op 16 juli 1916 lijkt daarvoor een mooi opstapje. Renault loopt in de gangen van het Onderstaatssecretariaat van de Artillerie tegen Estienne aan. "Die tank van U, die ga ik voor U bouwen!". Estienne kijkt gepijnigd. Hij kan Renault niet helpen want hij is op dat moment tegen zijn zin ingezet als Hoofd Rekrutering en Opleiding. De heren hebben een lang en diep gesprek maar komen tot de conclusie dat de tijd om tot actie over te gaan nog niet aangebroken is.
Alles verandert op 15 september 1916. De Britten zetten als eerste tanks in en die brengen het Britse volk tot algehele euforie. Zal Frankrijk de mindere zijn van Engeland? Het overleven van de regering eist de zo spoedig mogelijke formatie en inzet van pantsertroepen. Op 30 september wordt Estienne, vanaf 17 oktober brigadegeneraal, geïnstalleerd als commandant van het nieuwe wapen. Renault begrijpt dat de tijd nu wel rijp is. Hij laat die maand een eerste houten maquette op ware grootte aan Estienne zien. Die is zeer tevreden, maar stuit op de tegenwerking van generaal Mouret, dan hoofd motorisering. Die vreest dat dit nieuwe project zijn eigen zeer ambitieuze plannen voor superzware tanks voor de voeten gaat lopen. Op 27 november besluit Estienne dat zijn geduld op is, en richt zich direct tot opperbevelhebber Joffre, die drie dagen later een gunstig advies stuurt aan de Minister van Wapenproductie, Albert Thomas (1878-1932). Thomas voelt zich hierdoor overvallen, want hij heeft bijna alle beschikbare productiemiddelen al toegezegd aan Mouret. Toch durft hij ook Joffre niet voor het hoofd te stoten en keurt op 12 december voorlopig de bouw van één prototype goed, onder de benaming: Tracteur à chenilles, type Louis Renault - Projet numéro II.
Renault kan eindelijk zijn voorstel aan Thomé doen en hoewel die het opzetje begrijpt, is het aanbod te aantrekkelijk om te weigeren. Renault heeft zijn karakter goed begrepen. Op 30 december 1916 toont Renault een tweede maquette, die overigens niet met gebogen gedeeltes overeenkomend met gietstaalelementen, is uitgerust aan het Comité Consultatif de l'Artillerie d'Assaut. Mouret zelf heeft hierin zitting en hij probeert de nadelen van de tank te beklemtonen. Ligt het zwaartepunt niet te veel naar achteren? Het ding is meer een elegante sportwagen dan een echt wapen! Toch besluit men met zeven tegen drie tot een productieorder van 100 stuks. Op 22 februari 1917 wordt die order verhoogd tot 150 exemplaren. Het prototype, op 12 december al lang in ontwikkeling, is eind januari rijklaar en wordt, na inleidende testen door de troepen in Champlieu, op 9 april voor officiële beoordeling aan het leger overgedragen.
Massaproductie thumb|300px|Een FT in het Bovington Tank Museum, achteraf gecombineerd met een vroege gegoten weekstalen toren waarvan er 29 gemaakt zijn voor oefendoeleinden
De volgende dag besluit het Raadgevend Comité voor de Stormartillerie de productieorder te verhogen tot 1150 stuks. De nieuwe opperbevelhebber, generaal Robert Nivelle, ondersteunt dit plan. Maar als diens voorjaarsoffensief, ondanks de eerste Franse inzet van (Schneider)tanks op 16 april, jammerlijk mislukt, schort Albert Thomas op 29 april het plan weer op, als voorwendsel een rapport van commandant d'Alincourt gebruikend, dat stelde dat de schutter al na 20 seconden vuren door de cordietdampen bedwelmd zou raken. Estienne en Renault zijn ten einde raad. Als Thomas op bezoek gaat in Rusland om de nieuwe revolutionaire regering van Kerenski in de oorlog te houden, maken ze van zijn afwezigheid misbruik om Mouret, die nu zelf bang is dat dadelijk geen enkele nieuwe tank meer geproduceerd kan worden, zo gek te krijgen die opschorting weer te herroepen. En dan blijkt de mislukking van het nu beruchte Nivelleoffensief ook gunstige gevolgen te hebben voor de FT.
Op 3 mei 1917 slaat het Franse leger aan het muiten. Een van de maatregelen om de woedende troepen te kalmeren, is de benoeming op 15 mei van de populaire generaal Philippe Pétain tot nóg nieuwere opperbevelhebber. Hij en Estienne zijn dikke vrienden. Pétains motto luidt: J'attends les Américains et les chars. Twee voorwaarden zijn er dus voor een nieuw groot offensief: dat de troepensterkte weer is opgebouwd door een vloed aan verse Amerikaanse soldaten; en dat er een overweldigend groot pantserleger is geschapen. De kwantiteit van de productie wordt zo tot een wapen op zich. Estienne levert er ook de passende tactische doctrine bij: de leer van de "zwerm", de massa aan kleine voertuigen die samen alle weerstand kunnen overwinnen. Bij moderne tactici is die methode weer helemaal in de mode. Plus ça change... thumb|300px|FT in het Musée de l'Armée in het Hôtel des Invalides te Parijs. Dit voertuig heeft de SOMUA Omnibus-toren van gebogen staal