Hooiwagens (Opiliones) vormen een orde van geleedpotige dieren. Deze spinachtigen zijn meer verwant aan rolspinnen of schorpioenen dan aan echte spinnen. Er zijn meer dan zesduizend soorten, (2005) Synopsis of the described Opiliones of the world. Gearchiveerd op 4 augustus 2017. waarvan er ongeveer 25 in noordwestelijk Europa voorkomen. Bekende soorten zijn onder meer de gewone hooiwagen (Phalangium opilio), bonte hooiwagen (Paroligolophus agrestis) en de muurhooiwagen (Opilio parietinus).

Hooiwagens onderscheiden zich van andere spinachtigen door hun ovale lijfje dat in feite een vergroeiing is van de cephalothorax (kopborststuk) en het abdomen (achterlijf). Veel soorten hebben lange, dunne pootjes waarmee ze hun omgeving aftasten. Aan de cephalothorax bevinden zich ook de kaken en twee langwerpige palpen. Alle soorten leven uitsluitend op het land, zowel op de bodem als in struiken, bomen en de kruidlaag.

Verschil met spinnen Hooiwagens hebben net als spinnen acht poten, die bij veel hooiwagens zeer lang zijn. Ze onderscheiden zich van de spinnen doordat beide delen van het lijf zozeer met elkaar vergroeid zijn dat ze één geheel lijken te vormen. Het lijf is dus niet ingesnoerd zoals bij spinnen, waarbij duidelijk een kopborststuk en een opisthosoma te onderscheiden zijn. Bovendien zijn hooiwagens niet in staat om spindraden te maken en hebben ze doorgaans maar één paar ogen. Ook hebben hooiwagens geen gifklieren.

Hooiwagens hebben geurklieren waarmee een helder vocht afgescheiden kan worden dat vermoedelijk dient als communicatiemiddel tussen soortgenoten. Wanneer ze zich bedreigd voelen, scheiden ze een melkachtig vocht af met een onaangename smaak en geur.

Hooiwagens worden vaak verward met trilspinnen, spinnen die veel op een hooiwagen lijken en veel in huizen voorkomen.

Autotomie Indien een hooiwagen wordt aangevallen, kan deze een of meer poten laten vallen om zo te ontkomen. Ook andere spinachtigen hebben dit vermogen tot autotomie, maar hooiwagens laten de poten bij het minste of geringste vallen. Door een soort pacemaker in het bovenste beensegment blijft zo'n losse poot nog enige tijd bewegen, een paar seconden tot een uur. Er wordt wel gesteld dat dit een aanvaller kan afleiden, zodat de hooiwagen meer kans heeft weg te vluchten. thumb|rechts|Een hooiwagen eet een staart van een skink. De meeste hooiwagens zijn omnivoor in de ruimst mogelijke zin; ze eten zowel dode plantendelen als aas, en ook levende planten en levende prooien worden gegeten. Het belangrijkste voedsel bestaat uit insecten en andere kleine dieren, waarbij ook kannibalisme voorkomt. Er zijn echter ook strikt rovende soorten.

Voortplanting De paring vindt na een niet of nauwelijks ontwikkelde balts plaats door directe sperma-overdracht, in tegenstelling tot spinnen die het sperma overdragen in speciale pakketjes, spermatoforen genaamd. De eieren worden met een legboor in de aarde gelegd.

Reuzenhooiwagens Sinds zomer 2008 wordt er in Noordwest- en Centraal-Europa melding gemaakt van een sterke toename van zogenaamde reuzenhooiwagens, een nog niet geïdentificeerde soort uit het geslacht Leiobunum. De eerste meldingen van deze soort kwamen uit 2004, in de buurt van het Nederlandse Nijmegen.

Met poten tot negen centimeter lang is hij ongeveer een derde groter dan de inheemse hooiwagen en verder onderscheidt hij zich door een lichte metaalgroene glans. Ook heeft hij een sterkere sociale samenhang: overdag kruipen tientallen tot honderden hooiwagens samen om zich te beschermen tegen vijanden. 's Nachts gaan ze allemaal weer individueel op jacht.

Waarschijnlijk zijn de reuzenhooiwagens via internationale handel in Nederland terechtgekomen en hebben ze zich daarvandaan verspreid naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Voor de mens is ook deze hooiwagensoort ongevaarlijk, maar andere dieren (zoals inheemse hooiwagens) zouden potentieel verdrongen kunnen worden en zelfs potentieel uitsterven.Wijnhoven et al 2007

Taxonomie Deze orde is onderverdeeld in de volgende taxa: Onderorde Cyphophthalmi Simon, 1879 Geslacht Ankaratra Shear & Gruber, 1996 Geslacht Marwe Shear, 1985 Geslacht Shearogovea Giribet, 2011 Familie Parasironidae Karaman, Mitov & Snegovaya, 2024 Infraorde Boreophthalmi Giribet, Sharma, Boyer, Clouse, de Bivort, Dimitrov, Kawauchi, Murienne & Schwendinger, 2012 Familie Sironidae Leach, 1816 Familie Stylocellidae Hansen & Sørensen, 1904 Infraorde Scopulophthalmi Giribet, Sharma, Boyer, Clouse, de Bivort, Dimitrov, Kawauchi, Murienne & Schwendinger, 2012 Familie Pettalidae Shear, 1980 Infraorde Sternophthalmi Giribet, Sharma, Boyer, Clouse, de Bivort, Dimitrov, Kawauchi, Murienne & Schwendinger, 2012 Familie Neogoveidae Shear, 1980 Familie Ogoveidae Shear, 1980 Familie Troglosironidae Shear, 1993 Onderorde Dyspnoi Hansen & Sørensen, 1904 Superfamilie Acropsopilionoidea Roewer, 1923 Familie Acropsopilionidae Roewer, 1923 Superfamilie Ischyropsalidoidea Simon, 1879 Familie Ischyropsalididae Simon, 187 Familie Sabaconidae Dresco, 1970 Familie Taracidae Schönhofer, 2013 Superfamilie Troguloidea Sundevall, 1833 Familie Dicranolasmatidae Simon, 1879 Familie Nemastomatidae Simon, 1872 Familie Nipponopsalididae Martens, 1976 Familie Trogulidae Sundevall, 1833 Onderorde Eupnoi Hansen & Sørensen, 1904 Superfamilie Caddoidea Banks, 1893 Familie Caddidae Banks, 1893 Superfamilie Phalangioidea Latreille, 1802 Geslacht Hesperopilio Shear, 1996 Familie Globipedidae Kury & Cokendolpher, 2020 Familie Neopilionidae Lawrence, 1931 Familie Phalangiidae Latreille, 1802 Familie Protolophidae Banks, 1893 Familie Sclerosomatidae Simon, 1879 Onderorde Laniatores Thorell, 1876 Infraorde Grassatores Kury, 2002 Geslacht Alpazia Özdikmen & Kury, 2006 Geslacht Anamota Šilhavý, 1979 Geslacht Arulla Suzuki, 1969 Geslacht Ausulus Roewer, 1927 Geslacht Babrius Thorell, 1890 Geslacht Bebedoura Roewer, 1949 Geslacht Belemarua Roewer, 1949 Geslacht Biconibunus Roewer, 1915 Geslacht Bindoona Roewer, 1929 Geslacht Bissopius Roewer, 1949 Geslacht Caecobunus Roewer, 1927 Geslacht Caribula Šilhavý, 1979 Geslacht Cleombrotus Sørensen, 1932 Geslacht Contuor Roewer, 1963 Geslacht Detlefilus Roewer, 1949 Geslacht Gjellerupia Roewer, 1913 Geslacht Gunturius Roewer, 1949 Geslacht Heterobabrius Roewer, 1915 Geslacht Isaeolus Roewer, 1954 Geslacht Jimeneziella Kury & Alonso-Zarazaga, 2011 Geslacht Johorella Roewer, 1943 Geslacht Kokoda Roewer, 1949 Geslacht Manuelangelia Kury & Alonso-Zarazaga, 2011 Geslacht Metapellobunus Roewer, 1923 Geslacht Microconomma Roewer, 1915 Geslacht Mirda Šilhavý, 1973 Geslacht Munis Roewer, 1963 Geslacht Neoparalus Özdikmen, 2006 Geslacht Octophthalmus Wood, 1869 Geslacht Ortizia Roewer, 1952 Geslacht Ostracidium Perty, 1833 Geslacht Parabupares Suzuki, 1982 Geslacht Paraconomma Roewer, 1915 Geslacht Paraphalangodus Roewer, 1915 Geslacht Pegulius Roewer, 1949 Geslacht Peltamma Roewer, 1927 Geslacht Pentos Roewer, 1952 Geslacht Phalangodinus Roewer, 1912 Geslacht Philacarus Sørensen, 1932 Geslacht Pseudomitraceras Roewer, 1912 Geslacht Pucallpana Avram & Soares, 1983 Geslacht Seblatus Roewer, 1949 Geslacht Sergitius Roewer, 1949 Geslacht Siryseus Roewer, 1949 Geslacht Spalicus Roewer, 1949 Geslacht Spinolatum Goodnight & Goodnight, 1942 Geslacht Stygnomimus Roewer, 1927 Geslacht Tarmaops Roewer, 1956 Geslacht Turquinia Šilhavý, 1979 Geslacht Tweedielus Roewer, 1933 Geslacht Valifema Šilhavý, 1979 Superfamilie Assamioidea Sørensen, 1884 Superfamilie Epedanoidea Sørensen, 1886 Superfamilie Gonyleptoidea Sundevall, 1833 Superfamilie Phalangodoidea Simon, 1879 Superfamilie Samooidea Sørensen, 1886 Superfamilie Sandokanoidea Özdikmen & Kury, 2007 Superfamilie Zalmoxoidea Sørensen, 1886 Infraorde Insidiatores Loman, 1901 Superfamilie Travunioidea Absolon & Kratochvíl, 1932 Superfamilie Triaenonychoidea Sørensen, 1886

Externe links Verspreidingsgegevens van hooiwagens in België Naamlijst Opilionida op natuurcijfers.nl Vraag en antwoord over reuzenhooiwagens