Hypsilophodon is een geslacht van kleine, uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland.

Het eerste fossiel van Hypsilophodon werd gevonden in 1849. Het geslacht kreeg zijn naam in 1869 toen door de beroemde bioloog Thomas Huxley de typesoort Hypsilophodon foxii benoemd werd. De naam betekent 'Hypsilophus-tand' en is geïnspireerd door een niet-verwante plantenetende hagedis, niet door de tanden van Hypsilophodon zelf. In 1979 is een tweede soort benoemd, Hypsilophodon wielandi uit Noord-Amerika, maar daarvan werd later duidelijk dat het om een andere dinosauriër gaat. Fossielen van de echte Hypsilophodon zijn alleen bekend van het eiland Wight. Daar zijn enkele tientallen skeletten van Hypsilophodon gevonden zodat de wetenschappers een goed beeld kregen hoe het dier eruitzag.

Hypsilophodon werd tot honderdtachtig centimeter lang en twintig kilogram zwaar. Vroeger werd wel een hogere lengte aangegeven maar dat kwam doordat per ongeluk het bot van een grotere dinosauriër aan Hypsilophodon was toegewezen. Hypsilophodon liep op zijn achterpoten waarbij zijn romp in evenwicht gehouden werd door een horizontale staart die verstijfd was door bundels verbeende pezen. Zijn voorpoten waren nogal klein en niet geschikt om op te lopen. Wel konden de handen planten plukken die de korte spitse kop met een scherpe snavel afbeet. Rijen waaiervormige tanden verknipten het voedsel verder waarna het ingeslikt werd om in de maag door maagstenen vermalen te worden. Lange tijd werd aangenomen dat Hypsilophodon in bomen klom maar naar huidige inzichten leefde hij op de grond en kon hard rennen om te vluchten voor roofsauriërs.

Vondst en naamgeving thumb|400px|Het Mantell-Bowerbank block In 1849 vonden steenwerkers aan de zuidwestkust van het eiland Wight, bij de klip van Barnes High nabij de Cowleaze Chine, een zandsteenblok met daarin een vrij volledig skelet, zij het zonder schedel, van een dinosauriër. Dit specimen staat in de literatuur bekend als het Mantell-Bowerbank block, aangezien het gesplitst werd: het ene stuk verkocht men aan Gideon Mantell, de bekende vroege dinosauriëronderzoeker, het andere aan de natuurvorser James Scott Bowerbank. Mantell beschreef zijn stuk in 1849, als het jong van Iguanodon. In 1855 illustreerde en beschreef Richard Owen beide stukken, nog steeds in de veronderstelling dat het een juveniele Iguanodon was. Later zou het British Museum of Natural History de twee stukken verwerven en verenigen; ze hebben daar de inventarisnummers NHM 28707, 39560-1.

left|thumb|270px|Mantell beschreef als eerste een fossiel van HypsilophodonIn het midden van de negentiende eeuw werden er op Wight veel fossielen verzameld door dominee William Darwin Fox. Daaronder waren ook botten die hij aanzag voor nieuwe resten van jonge iguanodons en die hij in de literatuur vermeldde in 1866 en 1868. Dat laatste jaar stelde hij ook een schedel met een bijbehorende wervel tentoon tijdens een bijeenkomst van de British Association in Norwich en liet een paper daarover voorlezen door F. Fellows. De schedel, gevonden in januari 1868, werd nog voor de lezing bestudeerd door Thomas Huxley, die begeleidend commentaar gaf. In de zomer van 1869 bestudeerde Huxley de fossielen opnieuw in Londen. Hij concludeerde dat het niet om Iguanodon ging en aan de wervel zag hij dat het een vorm betrof die identiek was aan die van het Mantell-Bowerbank block waarvan hij al in december 1867 begrepen had dat het niet aan Iguanodon kon worden toegewezen. In 1869 maakte Huxley het door Fox gevonden specimen, NHM R197, het holotype van de typesoort Hypsilophodon foxii, in een gepubliceerde samenvatting van een voordracht die hij op 10 november dat jaar gehouden had en die een voldoende beschrijving omvatte. Vaak wordt, afgaande op de publicatie van het hele artikel, abusievelijk 1870 als jaar van naamgeving vermeld. Over de etymologie van de geslachtsnaam is later veel verwarring ontstaan. Veel boeken vertalen het direct uit het Klassiek Grieks als 'tand met hoge kroon' maar dat is niet de betekenis die Huxley voor ogen stond. Iguanodon had 'leguaantand' betekend en Huxley wilde nu een analoge naam vormen door het Oudgriekse ὀδών, odoon, 'tand', met de naam van een recente herbivore hagedis te verbinden, waarvoor hij het geslacht Hypsilophus Wagler 1830 koos. De naam betekent dus "Hypsilophus-tand". Het Griekse ὑψίλοφος, hypsilophos, 'met hoge kam', slaat ook niet op de tandvorm maar op de rugkam van deze hagedis — en in ieder geval heeft Hypsilophodon zelf geen hoge tandkronen. De soortaanduiding eert Fox en is een tijdlang vaak als foxi gespeld; de huidige regels schrijven echter voor om in dit geval de oorspronkelijke vorm te volgen — wel is het tegenwoordig gebruikelijk de soortaanduiding met een kleine letter te schrijven. Het paratype van de soort was het Mantell-Bowerbank block dat bij deze gelegenheid opnieuw in detail beschreven werd. Huxley liet niet na op te merken dat Owen in 1855 zitbeen en schaambeen met scheenbeen en kuitbeen verwisseld had, alsmede de linkervoet met de rechtervoet. De beschrijving door Huxley van Hypsilophodon was de eerste die melding maakte van een zeer typerend kenmerk van de Ornithischia: dat in het bekken het schaambeen en het zitbeen parallel lopen. Huxley zag dat als ondersteuning voor zijn hypothese dat vogels, waar dat ook het geval is, nauw aan dinosauriërs verwant zijn; vogels zijn inderdaad dinosauriërs, maar dit kenmerk heeft zich bij hen apart van de ornithischiërs ontwikkeld.thumb|270px|Thomas Huxley gaf Hypsilophodon zijn naam Owen, die in deze periode een zeer slechte relatie met Huxley had, beviel de naam Hypsilophodon niet en hij maakte er in 1874 een Iguanodon foxii van op instigatie van Fox en Hulke; dit kreeg echter weinig navolging: de meeste geleerden bleven gewoon van Hypsilophodon spreken, hoewel er wel discussie was over de geldigheid van het geslacht.

In de loop van de negentiende eeuw werd er nog meer materiaal gevonden, in belangrijke mate opnieuw door Fox, dat vooral beschreven werd door John Whitaker Hulke. Hulke meende in 1874 een huidpantser bij specimen NHM R2477 ontdekt te hebben; later werd aangetoond dat het om de intercostaalplaten van de ribben ging. In 1882 publiceerde Hulke een osteologie van het hele skelet, vergezeld van een, niet al te accurate, skeletreconstructie. In 1905 wijdde baron Franz Nopcsa nog een kort artikel aan de soort maar daarna viel het onderzoek grotendeels stil — William Elgin Swinton schonk er nog aandacht aan ter gelegenheid van het in het BMNH opstellen van twee skeletten — totdat Peter Malcolm Galton een groot aantal studies aan de soort wijdde, te beginnen met zijn dissertatie uit 1967. Hij had in 1965 een aanvang gemaakt met het verder prepareren van de exemplaren in het BMNH. Het werk van Galton leidde tot een sterk verbeterd en voortschrijdend inzicht in de bouw en levenswijze van het dier.

Naar Galtons huidige inzichten is Hypsilophodon alleen op Wight gevonden, in de Hypsilophodon Bed, een één meter dikke mergellaag die parallel aan de zuidwestkust van het eiland in een strook met een lengte van 1200 meter aan het oppervlak komt en die gelegen is in de top van de Wessexformatie. De laag dateert uit het late Barremien, ongeveer 126 miljoen jaar oud. Eerdere berichten dat de soort ook uit het Aptien van de latere Vectisformatie bekend was, bleken op een misverstand te berusten. In het verleden is ook een groot aantal vondsten uit andere gebieden aan Hypsilophodon toegeschreven. Meldingen uit Spanje en Portugal blijken echter toe te behoren aan verwante soorten waarvan er één in 2012 benoemd is als Gideonmantellia. Fossielen uit Groot-Brittannië bleken van Valdosaurus te zijn of ondetermineerbaar. In 1979 benoemde Galton een tweede soort van Hypsilophodon: Hypsilophodon wielandi. De soortaanduiding eert George Reber Wieland. De soort is gebaseerd op een in 1891 door Wieland gevonden dijbeen uit South Dakota, AMNH 2585, maar het taxon beschouwt Galton tegenwoordig zelf als een nomen dubium; het bot behoort wellicht toe aan Zephyrosaurus. thumb|400px|Het in taxonomisch opzicht belangrijkste specimen van Hypsilophodon: het holotype NHM R197. De schedelelementen zijn door Fox met bijenwas aaneengezet; tegenwoordig gebruikt men daar een polyethyleenglycol voor Het aantal specimina van Wight wordt vaak aangegeven als ongeveer twee dozijn, naar een schatting van David Bruce Norman uit 1984. Indertijd was dit al een onderschatting omdat er toen zesenveertig bekend waren. Wel was het een redelijke benadering van het minimale aantal individuen dat door deze vondsten vertegenwoordigd werd. Begin eenentwintigste eeuw was het aantal specimina al opgelopen tot boven de honderd. Nog steeds worden er nieuwe fossielen gevonden, meestal in de vorm van botfragmenten. Onder de meer complete vondsten vallen behalve het holotype en het paratype ook specimina NHM R5829, een skelet van een groot dier, in 1936 opgesteld; NHM R5830 en NHM R196/196a, beide skeletten van jonge dieren, en NHM R2477, een schedel met twee wervelkolommen van twee individuen. De concentratie van een groot aantal, ten dele uitstekend geconserveerde, exemplaren in een beperkt gebied is wel verklaard door aan te nemen dat een hele kudde in één keer in drijfzand omkwam. Later werd deze romantische gedachte echter als ongefundeerd afgewezen; de botten zijn in de loop van vele duizenden jaren samen met de sedimentlagen afgezet en zijn soms op honderden meters afstand van elkaar gevonden. Daarbij hebben ze niet de typische verticale oriëntatie van dieren die omkomen doordat ze in een zuigende laag vastzitten. In 2017 wees een studie er echter op dat de grote aantallen, oorspronkelijk wellicht enige duizenden exemplaren, en gaafheid van de fossielen toch beter te verklaren zijn door het verdrinken van kudden, zij het dan tijdens catastrofale overstromingen bij het uit hun bedding breken van grote rivieren. Er is ook een zandkanaal gevonden dat tijdens zo'n overstroming in de fossielhoudende laag was ingesleten. Er zouden minstens twee van die overstromingen geweest zijn gezien een minimum van twee lagen. De bovenste laag bevatte de meeste fossielen. Er werd gespeculeerd dat deze hogere concentratie samenhing met een verkleining van het leefgebied van de dieren dat uiteindelijk geheel door de zee overspoeld zou worden.