thumb|Het Maison Carrée in Nîmes (gebouwd eind 1e eeuw v.Chr. of begin 1e eeuw n.Chr.) vertoont duidelijk de kenmerken van een Romeinse 'Italische podiumtempel': een losstaande trap, hoog podium, ruime portico.

De geschiedenis van de Romeinse religie gaat terug tot het vroege 1e millennium v.Chr. - introd. , A History of Rome, Oxford, 20043, p. 30., maar neemt pas aan het begin van de 3e eeuw v.Chr. vaste vorm aan. Zoals het overgrote deel van de antieke religies behoort ze tot de polytheïstische volks- en stammenreligies. Zij wordt gekenmerkt door een veelvoud aan riten, die als doel hadden de natuurlijke en publieke orde te handhaven. Daarin wijkt zij af van religies die, zoals het christendom, het heil van het individu beogen. Als verplichte staatsgodsdienst van het oude Rome eindigde haar gebruik met de tolerantie-edicten van 311 en 313 n.Chr. ten gunste van het christendom. Ze verdween aan het begin van de 6e eeuw.

Wezen Het numen thumb|Huisaltaar (Lararium) in Herculaneum, vóór 79 n.Chr. In de polytheïstische Romeinse religie met haar fenomenologische beschouwing van de natuur en haar streven om de pax deorum (de goddelijke voorgewende vreedzame orde) te bewaren, ontbrak oorspronkelijk – anders dan in de oud-Griekse godsdienst, waarvan ze zeer verschilde – een antropomorf pantheon, waarbij de goden en godinnen als wezens met menselijke trekken werden ervaren. De onnoembare, in eigenlijke zin „gevreesde“, goden en godinnen van Rome bleven daardoor schimmig. Hierdoor beschikten de Romeinen niet over een oorspronkelijke, of slechts zwak ontwikkelde, eigen Romeinse mythologie. Toch hadden de Romeinen wel degelijk een persoonlijk begrip van hun goden en godinnen, en beschouwden hen als individuen met een eigen wil, maar vaak trad, achter de goddelijke wilshandeling, de godheid als dusdanig terug. Voor het wezen van de Romeinse religie stond het zakelijke krachtsbegrip numen (mv. numina) centraal, wat zoveel betekent als "goddelijke werken". Dit is sinds de 2e eeuw v.Chr. geboekstaafd. De goddelijke, respectievelijk numineuze, wil kon zich in alle levende wezens uiten, net als in natuurlijke en maatschappelijke voorvallen en handelingen, zodat de Romeinse wereld door een veelvoud aan abstracte numina, hoofdzakelijk begrippen van Romeinse waarden: aequitas ("eerlijkheid"), concordia ("eendracht"), gravitas ("serieusheid"), honor ("eer"), libertas ("vrijheid"), mens ("geest"), pietas ("plichtsbesef"), salus ("heil"), sobrietas ("soberheid"), spes ("hoop") en virtus ("moed") als functiegoden werd beheerst, die de mensen cultisch en sociaal-rechterlijk in acht namen. De ontwikkelingen die de religie gedurende de periode van haar bestaan doormaakte, veranderden in wezen niet de significante Romeinse, onpersoonlijke visie op het transcendente en de innerlijke instelling van de Romeinen tegenover hun religio. Zelfs na de diepgaande monotheïstische transformaties van de late oudheid kon in het begrip numen, de goddelijke werking voor de goddelijke gestalte, verder op de voorgrond blijven.Ammianus Marcellinus, Res Gestae XIX 1.4: „verum caeleste numen […] adegerat in immensum se extollentem credentemque, quod viso statim obsessi omnes metu exanimati supplices venirent in preces.“ („Kennelijk had een goddelijke macht […] hem tot zo’n waanzinnige hoogmoed gedreven, dat hij dacht dat de belegerden, alleen al bij zijn aanblik door vrees verlamd, om genade zouden smeken.“) (trad. , 2002)

De religio Het begrip religio verbonden de Romeinen aan het werkwoord religere (herlezen, overdoen, nauwgezet in acht nemen).Cicero, De natura deorum II 72: „qui autem omnia quae ad cultum deorum pertinerent diligenter retractarent et tamquam relegerent, sunt dicti religiosi ex relegendo.“ („En mensen die alles wat met verering van de Goden te maken heeft zorgvuldig nagingen en als het ware ‘hernamen’ <van relegere> zijn religiosi genoemd, naar relegere. (Evenzo komt ‘elegant’ van eligere <‘uitkiezen’>, ‘diligent’ van diligere <‘houden van’> en ‘intelligent’ van intellegere <‘bevatten’>. In al deze woorden zit dezelfde grondbetekenis van ‘eruit nemen’ als in religiosus.).“) (trad. , 1993 [= 2003]) De andere, ook mogelijke, herleiding tot religare (opnieuw binden, goed binden)Augustinus, De Quantitate Animae XXXIV 80: „est enim religio vera, qua se uni Deo anima, unde se peccato velut abruperat, reconciliatione religat.“ („(het) is immers de werkelijke religie, die de ene God met de ziel, omdat deze zich door vergrijp als het ware had losgerukt, tot verzoening brengt.“) vond sinds de keizertijd in het bijzonder ingang in het Christelijk milieu. Zo duidt religio in het tweede geval de persoonlijke binding van de mensen aan een transcendente macht („God“), in de eerste de zorgvuldige inachtname van de traditionele cultische gebruiken, die de betrekkingen tussen de menselijke en de „heilige“ sferen moest herstellen. Het uiterlijke verkeer met de goden had het wederkerige karakter van de do ut des-mentaliteit („ik geef opdat jij zou geven“): men vervulde punctueel de rituele plichten en deed iets voor de goden, waarop men van dezen – zelf ook niet boven de normen staand, maar aan deze gebonden  – een tegenprestatie verwachtte. Zonder dat zich daaruit een gebrekkige innerlijkheid van de religie deed blijken, overheerste in de voor-Christelijke tijd het begrip van religio als de som van de gehele cultuspraktijk, die mensen en goden aan elkaar bond.

thumb|Munt van keizer Herennius Etruscus met de offergereedschappen voor de pietas-cultus, voor 251 n.Chr. Ook begrippen zoals pietas (plichtsbesef tegenover goden én mensen) hebben in de heidense wereld een betekenis, die niet met het christelijk begrip vroomheid kan worden gelijkgesteld. Als exemplarisch voor het Romeinse wezen van deze pietas gold de legendarische stamvader Aeneas, die bij zijn vlucht uit het brandende Troje de beelden van de penates én zijn vader op de rug droeg. Daarom kreeg hij het epitheton pius sinds Vergilius' Aeneis steeds aan zijn naam toegevoegd. De fides, een van de vroegste en belangrijkste Romeinse numina, betekende trouw en belofte van een verdragsbesluit; de aanwending van het woord door de christenen in de betekenis van geloof als het zich op God verlatende grondvertrouwen (aldus de overtuiging door de heilsopenbaring van Jezus) had geen equivalent in de Romeinse religie, die zich niet in een dogmatische godsvoorstelling en een samenhangende theologie manifesteerde. Daardoor bevredigde ze echter een complex veelvoud aan spirituele behoeften van haar aanhangers, die in het polytheïstische milieu uit de, zich overlappende, religieuze werkelijkheden konden kiezen.

Cultus Cultusformalisme Rituelen maakten in Rome vrijwel dagelijks deel uit van het leven. In de keizertijd waren er voor 45 data officiële staatsfeesten vastgelegd. Vaak kregen de rituelen steeds weer een nieuwe zingeving. Toch was het bijzonder strikte vasthouden aan de overgeleverde riten een typisch kenmerk van de Romeinse religie. Het resulteerde in een amper te overzien geheel van ge- en verboden voor alle culten. Reeds de kleinste afwijkingen bij het uitvoeren van overgeleverde heilige handelingen dwongen tot herhaling, om niet de goddelijke toorn uit te lokken. De libri Sibyllini, die door de staat werden bewaard, bevatten rituele voorschriften, die alléén bij buitengewone omstandigheden na een senatus consultum mochten worden geraadpleegd. Op andere momenten gold hun inhoud als geheim. Uit dit taboe, dat rust op de communicatieve aspecten van een aan een plaats, voorwerp en handelingen gebonden religie, komt een religiositeit naar voren waarbij magische redenen een buitengewoon belangrijke rol speelden.

left|thumb|310px|Antieke gebedshouding met uitgespreide armen en naar voor gehouden handpalmen. Deze afbeelding is een muurschildering uit de Calixtuscatacombe in Rome, vroege 4e eeuw n.Chr. Tot de belangrijkste religieuze handelingen in Rome behoorden het gebed, de gelofte en het offer. Het offer werd voornamelijk gezien als een heilige maaltijd met de goden, aan wie men dieren (bijvoorbeeld het zeer plechtige offer van een suovetaurilia, d.i. een beer (mannelijk varken), schaap en stier, of de equus october (oktober-paard), veldvruchten of dranken aanbood. In het huishouden lag de nadruk op het brengen van onbloedige offers. Ook het "wapenoffer" speelde een belangrijke rol. Hierbij werden buitgemaakte uitrustingsstukken van de verslagen, vijandelijke veldheer op het altaar van Iuppiter) neergelegd (d.i. de spolia opima). Of er na de zware nederlagen in de oorlogen met Carthago (in 228 en 216 v.Chr.) in Rome daadwerkelijk mensenoffers werden gebrachtLivius, Ab Urbe condita XXII 57.6: „interim ex fatalibus libris sacrificia aliquot extraordinaria facta, inter quae Gallus et Galla, Graecus et Graeca in foro boario sub terram vivi demissi sunt in locum saxo consaeptum, iam ante hostiis humanis, minime Romano sacro, imbutum.“ („intussen bracht men enige buitengewone offers krachtens de fatales libri (d.i. Sibyllijnse boeken), onder dewelke een Galliër en Gallische, een Griek en Griekse in het Forum Boarium levend zijn afgedaald in een stenen omheinde plaats, al voordien door menselijke slachtoffers, een volstrekt niet Romeins offergebruik, doordrenkt.“), is omstreden. Verder was de lustratio belangrijk. Hierbij liep vee, soms ook een militaire eenheid, in een feestelijke processie rond een plaats om deze onder de bescherming van de goden te stellen. Hoewel de oorspronkelijke apotropaeïsche handeling van deze magische daad bescherming moest bieden, trad in de tussentijd de verzoeningsreinigende (cathartische) functie op de voorgrond. Enkele lustrationes veranderden in openbare processies (armilustrium, tubilustrium, equirria). Een groot reinigings- en beschermoffer van het volk vond elke vijf jaar plaats onder de naam lustrum. Bijzondere religieuze handelingen waren ook de supplicatio (openbare processie) en de gratulatio (dankfeest).

Ten slotte speelde ook de divinatio, de waarzeggerij of verklaring van goddelijke tekenen, een belangrijke religieuze rol. In Rome is de ontwikkeling van een vrije profetie niet van de grond gekomen omdat deze het lastig zou kunnen maken voor de politieke elite. Het onderzoek naar de wil van de goden lag bij de staat, die dit door vakkundige zieners (haruspices, augures) via ingewikkelde regels liet uitvoeren. De officiële divinatio vond plaats in de vorm van een ingewandenschouw (vooral van de lever), de schouw van de vlucht van vogels, de observatie van het weerlicht, het dodenorakel en de duiding van andere voortekenen (prodigia, ostenta, omina, monstra), waarbij elke ongewone gebeurtenis, of fenomeen, in het alledaagse leven of in de natuur als een goddelijke wilsuiting gold. De haruspices, die tot de keizertijd altijd van Etruskische afkomst waren, voorspelden de toekomst. De augures vroegen goddelijke toestemming voor een geplande gebeurtenis of plan. Belangrijke staatshandelingen mochten slechts ex auspicato worden uitgevoerd. Op de zieners werd vaak kritiek geuit, maar zij behielden de bewondering van de massa (er bestonden naast de door de overheid aangestelde haruspices ook een groot aantal rondtrekkende profeten) tot het einde van de oudheid.

Publieke cultus thumb|Keizer Marcus Aurelius (161–180 n.Chr.) voltrekt capite velato (met ritueel bedekt hoofd) een staatscultus voor de Iuppitertempel op het Capitool. (restant van een reliëf van een verwoeste triomfboog)

Het middelpunt van de Romeinse religie was, overeenkomstig de traditie, de aan de goddelijke trias Iuppiter Optimus Maximus, Iuno en Minerva gewijde, grote tempel op het Capitool, die aan het eind van de 6e eeuw v.Chr. werd gebouwd. Hier vonden de plechtigste godsdienstige rituelen plaats.