De titels van de Nederlandse koninklijke familie betreffen de diverse titels van leden van de koninklijke familie van Nederland die tegenwoordig worden, of in het verleden werden, gevoerd. Het gaat daarbij om (erfelijke) titels die verbonden zijn of waren aan de functie van staatshoofd, titels die verbonden zijn aan het lidmaatschap van het Koninklijk Huis en ook overige, al dan niet persoonlijke, adellijke titels van personen die geen lid zijn van het Koninklijk Huis, maar wel lid zijn van de koninklijke familie.

Inleiding Oorspronkelijk waren sommige titels van de leden van het Koninklijk Huis vastgelegd in de Grondwet, werden andere titels vastgesteld bij Koninklijk Besluit, en werden de overige titels gevoerd volgens gebruik. In 1983 werden alle titels uit de Grondwet verwijderd met de bedoeling om ze in een op de Grondwet gebaseerde wet vast te leggen. De geslachtsnaam en de titels van kinderen geboren uit een huwelijk met een lid van het Koninklijk Huis worden sinds 1 januari 1998 volgens artikel 5 lid 12 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bij Koninklijk Besluit bepaald. De titels van de Koning, de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, de vermoedelijke opvolger van de Koning, en de leden van het Koninklijk Huis, worden sinds 12 juni 2002 geregeld in de Wet lidmaatschap koninklijk huis.Wet lidmaatschap koninklijk huis.

Het lidmaatschap van het Koninklijk Huis was oorspronkelijk niet (grond)wettelijk geregeld. Uitgegaan werd van het gebruik in de Europese vorstenhuizen dat het Koninklijk Huis bestond uit de Koning, een Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, de vermoedelijke opvolger van de Koning, de kinderen van de Koning, de kinderen van de vermoedelijke opvolger van de Koning, en tot slot de overige nakomelingen in de mannelijke lijn van de Koning. Ook de echtgenotes van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en de overige prinsen waren lid van het Koninklijk Huis, welk lidmaatschap behouden werd gedurende de tijd dat ze weduwe waren. Hertrouwde de weduwe dan verloor ze het lidmaatschap. De echtgenoten van de regerende koningin en de prinsessen waren geen lid van het Koninklijk Huis. In de toestemmingswetten voor de huwelijken van respectievelijk koningin Wilhelmina en prinses Juliana werd daarom expliciet vastgelegd dat hun echtgenoten lid van het Koninklijk Huis zouden worden. Voor de echtgenoten van de prinsessen Beatrix en Margriet werd dit bepaald in op de toestemmingswet gebaseerde koninklijke besluiten.

Sinds 1983 bepaalt artikel 39 van de Grondwet dat het lidmaatschap van het Koninklijk Huis bij wet geregeld moet worden. Dit gebeurde bij de Wet lidmaatschap koninklijk huis (Wet van 30 oktober 1985, Stb. 578, in werking getreden op 9 december 1985), waarin werd bepaald dat lid waren: de Koning, zij die krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen, een Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, en de echtgenoten van hen die het lidmaatschap van het Koninklijk Huis bezitten. Voor hen die het lidmaatschap van het Koninklijk Huis bezaten als echtgenote of echtgenoot, bleef dit lidmaatschap gedurende hun staat van weduwe of weduwnaar behouden, zolang de overleden echtgenote of echtgenoot bij leven lid van het koninklijk huis zou zijn geweest.

Bovenstaande wet werd in 2002 vervangen door een nieuwe Wet lidmaatschap koninklijk huis (Wet van 30 mei 2002, Stb. 2002, 275, in werking getreden op 12 juni 2002). In deze wet wordt bepaald dat lid van het Koninklijk Huis zijn: de Koning, de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan, de vermoedelijke opvolger van de Koning, zij die krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen en deze niet verder bestaan dan in de tweede graad van bloedverwantschap, en de echtgenoten van hen die het lidmaatschap van het Koninklijk Huis bezitten. Voor hen die het lidmaatschap van het Koninklijk Huis bezitten als echtgenote of echtgenoot, blijft dit lidmaatschap gedurende hun staat van weduwe of weduwnaar behouden, zolang de overleden echtgenote of echtgenoot bij leven lid van het Koninklijk Huis zou zijn geweest. Omdat daarmee het aantal leden van het Koninklijk Huis zou worden ingeperkt, werd als overgangsbepaling vastgelegd dat zij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet meerderjarig lid zijn van het Koninklijk Huis en krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen lid van het Koninklijk Huis blijven. Zij behouden hun lidmaatschap zolang zij krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen. Lid blijven voorts hun echtgenoten, weduwe of weduwnaar. De kinderen van prinses Margriet — die op het moment van inwerkingtreding van de wet de koning verder bestonden dan in de tweede graad van bloedverwantschap — behielden door deze overgangsbepaling het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Na de invoering van de wet huwden de prinsen Johan Friso, Pieter-Christiaan en Floris zonder de in de Grondwet vereiste toestemming en konden daardoor de Koning niet meer opvolgen. Ze verloren daardoor het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Bij de troonsbestijging van koning Willem-Alexander in 2013 verloren de kinderen van prins Constantijn het lidmaatschap van het Koninklijk Huis omdat zij — hoewel ze de Koning volgens de Grondwet nog steeds kunnen opvolgen — de Koning verder bestaan dan in de tweede graad van bloedverwantschap en op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet geen meerderjarig lid van het Koninklijk Huis waren. Eveneens kunnen sinds de troonsbestijging van koning Willem-Alexander de prinsen Maurits en Bernhard de Koning niet meer opvolgen en verloren ze daardoor, samen met hun echtgenotes, het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Tot slot werd bij de troonsbestijging van koning Willem-Alexander de bovengenoemde overgangsbepaling van toepassing op prinses Margriet en haar echtgenoot mr. Pieter van Vollenhoven. Prinses Margriet kan volgens de Grondwet de Koning nog steeds opvolgen, maar ze bestaat de Koning verder dan in de tweede graad van bloedverwantschap. Ze was, net als haar echtgenoot, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet meerderjarig lid van het Koninklijk Huis.

Noot: In de Nederlandse wet- en regelgeving wordt de titel van het staatshoofd, de Koning der Nederlanden, altijd in mannelijke vorm gebruikt. In dit artikel worden daarom deze titels ook in mannelijke vorm gebruikt. De titels van leden van het Koninklijk Huis en leden van de koninklijk familie worden in dit artikel genoemd zoals ze vermeld staan in het vaststellingsbesluit.

Titels van de Koning der Nederlanden Soeverein Vorst der Nederlanden (1813–1815) Op 30 november 1813 keerde prins Willem Frederik van Oranje-Nassau terug in de Nederlanden. Hij was samen met zijn vader stadhouder Willem V op 18 januari 1795 in ballingschap gegaan. Op 1 december werd hij bij proclamatie van de Commissarissen-Generaal van het Algemeen Bestuur uitgeroepen tot «Z.K.H. Willem den Eersten Souvereine-Vorst van Nederland».Proclamatie van 1 december 1813: Willem I uitgeroepen tot Souvereine-Vorst van Nederland. De dag daarop aanvaardde Willem de soevereiniteit.Proclamatie van 2 december 1813: Willem I aanvaardt de Souvereiniteit van Nederland.

Koning der Nederlanden (sinds 1815)

Nadat de Franse keizer Napoleon I op 1 maart 1815 uit ballingschap terugkeerde, riep Soeverein Vorst Willem I zich op 16 maart uit tot Koning der Nederlanden. De titel «S.M. le Roi des Pays-Bas» werd op 9 juni 1815 bevestigd in artikel 70 van de Slotakte van het Congres van Wenen, en daarmee erkend door Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland.

Vanwege de troonsbestijging van koningin Wilhelmina werd bij de Wet van 22 juni 1891, Stb. 125 (in werking getreden op 1 september 1891), bepaald dat zolang een koningin de kroon draagt, bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiële benamingen, waarin het woord "Koning" voorkomt, in plaats daarvan het woord "Koningin" wordt gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk wordende taalkundige veranderingen.Wet i.v.m. het overgaan van de Kroon op een Koningin. Deze wet leidt sinds de troonsbestijging van koning Willem-Alexander een slapend bestaan, maar is niet ingetrokken.

Aanspreektitels De aanspreektitel voor de Koning is Majesteit. Dit is alleen vastgelegd in de hierboven genoemde Slotakte van het Congres van Wenen.

De koningen Willem I, Willem II, Willem III werden ook aangesproken met de van origine Franse aanspreektitel Sire. Dit was een gebruik aan de Europese hoven waar het Frans als hoftaal werd gebruikt. De aanspreektitel Sire kan alleen gebruikt worden voor een koning die een man is, niet voor een regerende koningin. Omdat Nederland in de periode 1890–2013 alleen regerende koninginnen had, is Sire in Nederland in onbruik geraakt. Dit in tegenstelling tot België, waar Sire nog steeds gebruikt wordt. Koning Willem-Alexander wordt daarom niet met Sire aangesproken, toegestaan is het overigens wel.

Volgens de etiquette is het gebruiken van een lagere aanspreektitel dan waar iemand recht op heeft onbeleefd, in het verleden werd het zelfs als beledigend beschouwd. Koningin Juliana had echter een voorkeur om met ‘Mevrouw’ te worden aangesproken, terwijl koningin Beatrix er bij officiële contacten prijs op stelde om met Majesteit te worden aangesproken. In de Haagse politieke kringen stond ze dan ook bekend als ‘de Majesteit’.

Prins van Oranje-Nassau (sinds 1813)

In 1732 bepaalde stadhouder Willem IV dat zijn nakomelingen in de mannelijke lijn de titel «Prins(es) van Oranje-Nassau» zouden dragen. De koningen Willem I, Willem II, Willem III en koningin Wilhelmina voerden deze titel, omdat zij nakomelingen in de mannelijke lijn van stadhouder Willem IV waren. De koninginnen Juliana en Beatrix voerden de titel Prinses van Oranje-Nassau omdat zij deze titel mochten voeren op grond van respectievelijk het Besluit van 30 december 1908, Stb. 425 en het Besluit van 26 oktober 1937, Stb. 5.

Sinds 12 juni 2002 bepaalt artikel 9 lid 1 van de Wet lidmaatschap koninklijk huis dat de Koning de titel «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» draagt.

Groothertog van Luxemburg (1815–1890) Koning Willem I deed in 1815 afstand van zijn bezittingen in Nassau en ontving in ruil daarvoor het hertogdom Luxemburg. Luxemburg werd op 9 juni van datzelfde jaar in de Slotakte van het Congres van Wenen verheven tot groothertogdom. De koningen Willem I, Willem II en Willem III voerden de titel Groothertog van Luxemburg in de preambule van Nederlandse wetten en besluiten na de titel Prins van Oranje-Nassau.

Omdat de grondwet van Luxemburg bepaalt dat «La Couronne du Grand-Duché est héréditaire dans la famille de Nassau, conformément au pacte du 30 juin 1783, à l’art. 71 du traité de Vienne du 9 juin 1815 et à l’art. 1er du traité de Londres du 11 mai 1867.» en het verdrag van 30 juni 1783 (de Erneuerte Nassauische Erbverein) opvolging door vrouwen uitsloot, werd koning Willem III bij zijn overlijden in Luxemburg niet door zijn dochter Wilhelmina opgevolgd, maar door hertog Adolf van Nassau. Daarmee ging de titel voor de Nederlandse koningen verloren.

Hertog van Limburg (1839–1867) Bij het op 19 april 1839 ondertekende Verdrag van Londen, dat de onafhankelijkheid van België regelde, werd het oostelijke deel van de provincie Limburg als hertogdom Limburg toegekend aan koning Willem I, als compensatie voor het verlies van het westelijk deel van het groothertogdom Luxemburg (de Belgische provincie Luxemburg). Omdat het groothertogdom Luxemburg lid was van de Duitse Bond en het hertogdom Limburg compensatie voor het aan België afgestane deel van Luxemburg was, werd het hertogdom Limburg ook lid van de Duitse Bond.Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden, Londen, 19-04-1839. De titel Hertog van Limburg werd in de preambule van Nederlandse wetten en besluiten niet gevoerd.