Totok is het Indonesische of Maleisische woord voor een in het voormalig Nederlands-Indië geboren of wonende Europeaan, meestal Nederlander. Een totok is weliswaar in Indië geboren of heeft daar (langere tijd) gewoond, maar heeft – in tegenstelling tot gemengde Indo-Europeanen – geen inlandse ouders of voorouders.
De term totok wordt ook gebruikt voor in Nederlands-Indië woonachtige, maar in China geboren Chinezen. Voor Chinezen die in Nederlands-Indië geboren zijn, wordt de term Peranakan-Chinezen gebruikt. De betekenis van het woord totok is: 'van ongemengd bloed', 'van vreemde afkomst', 'niet in Nederlands-Indië geboren'; 'volbloed Chinees', 'volbloed Nederlander',Indië, een verre oorlog van dichtbij, Herinneringen van vrouwen in bezet Nederlands-Indië, door Esther Captain, Annelies van der Schatte Olivier, 1994/'95, pag. 315-316 voor welke laatste de term 'totok' een verkorting was van 'belanda totok' ('belanda' betekent: 'Nederland(s)'). Indische Nederlanders werden aangeduid als 'belanda indo'.
Het woord totok werd ook vaak pejoratief gebruikt voor nieuwelingen, die – 'vers van de boot' – het Indische levensritme en de lokale gebruiken nog niet gewoon waren of moeite hadden zich aan de Indische omstandigheden aan te passen. Volgens een andere bron zou tottoh eigenlijk 'schildpad die uit zee komt om zich dik te eten en dan weer in zee verdwijnt', betekenen.Taal en Letteren, jaargang 7, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1897, pag. 43
Veel totoks ontwikkelden een grote liefde voor Indië of Indonesië. De Indische cultuur en de opvoeding door een inlandse baboe of kindermeisje, die vaak de taal en cultuur van het land overbracht, is een terugkerend thema van totok-schrijvers.
Bekende totoks Bram van der Stok, 1915 Erik Hazelhoff Roelfzema, 1917 Hella Haasse, 1918 Peter Tazelaar, 1920 Rudy Kousbroek, 1929 Rob Slotemaker, 1929 Carel Jan Schneider, 1932 Willem Nijholt, 1934 Ben Bot, 1937 Jeroen Brouwers, 1940 Peter Andriesse, 1941 Liesbeth List, 1941 Vera de Vries, 1943 Kester Freriks, 1954