De mark Brandenburg of het markgraafschap Brandenburg was een markgraafschap en keurvorstendom (Keur-Brandenburg, Keur-Mark) in het oosten van het Heilige Roomse Rijk. Al verheven tot keurvorsten kwamen de heersers van Brandenburg in 1618 in het bezit van het hertogdom Pruisen. Na de verheffing van Pruisen tot koninkrijk in 1701 werd Brandenburg meestal als deel van Pruisen beschouwd, hoewel het formeel tot 1806 als zelfstandige staat bleef voortbestaan.
Geografie Het gebied van het markgraafschap ligt in het oosten van het tegenwoordige Duitsland en het westen van Polen. Geografisch omvat het de gebieden van de Duitse deelstaten Brandenburg, Berlijn, de streek Altmark van Saksen-Anhalt en de Neumark, die nu verdeeld is tussen de woiwodschappen Lubusz en West-Pommeren. Delen van de huidige deelstaat Brandenburg zoals Neder-Lausitz en de gebieden die tot 1815 onderdeel uitmaakten van het Koninkrijk Saksen hoorden niet bij het gebied van de mark. Het huidige Land Brandenburg en de voormalige Mark Brandenburg vallen dus niet samen.
Het gebied werd gevormd tijdens de laatste ijstijd en was een streek van morenes, ijsvalleien en vele meren. De mark werd afgebakend door twee depressies en heuvelruggen. De depressies werden afgescheiden door rivieren en meren, moerassen en veengronden aan de kust. Deze gronden werden gebruikt om turf te winnen, zijn nu ontgonnen en droog.
De noordelijke landrug of de Baltische landrug van het Mecklenburgse Merenplateau strekte zich amper over Brandenburg. De circa 230 kilometer lange heuvelrug in het zuiden van de mark begint in het Lausitzer Bergland bij Żary en loopt door langs Trzebiel en Spremberg, dan noordwestwaarts langs Calau en het eindigde in de barre en droge Fläming-stuwwal. De zuidelijke depressie ligt ten noorden van de heuvelrug die door het Spreewald tussen Baruth en Plaue an der Havel loopt. De noordelijke depressie ligt ten zuiden van de Baltische heuvelrug en wordt afgebakend door de laaglanden van de rivieren de Noteć en Warta, het Oderbruch, het bekken van de Finow, de moerassen van het Havelland en de rivier de Oder.
thumb|left|300px|Provincie Brandenburg, circa 1905.
Tussen de twee depressies is een laag plateau dat uitstrekt van Poznań ten oosten van Brandenburg door Torzym (Sternberg) in de Neumark het Spreeplateau en de Mittelmark. Van het zuidoosten tot het noordwesten is het plateau door het laagland van de rivieren de Leniwa Obra en de Oder, de stroomgebieden van de Lausitzer Neisse, de benedenloop van de Spree en de Havelvallei. Tussen deze valleien zijn een aantal hooglanden en plateaus rond de steden Barnim, de Teltow, de Semmelberg bij Bad Freienwalde (157 m), de Müggelberg bij Kopernick (115 m), de Havelberg (97 m) en de Rauenheuvels bij Fürstenwalde (112 tot 152 m).
De bodem van het gebied bestaat voornamelijk uit droge zanderige grond, grote gebieden waar dennenbonen en erica groeit. In de hooglanden en de plateaus is de bodem lemig die grond kan goed gebruikt worden voor landbouw.
Mark Brandenburg had een koel landklimaat met temperaturen rond 0 °C in januari en februari en rond 18 °C in juli en augustus. Er valt tussen 500 mm en 600 mm neerslag per jaar, waarvan het meeste in de zomer valt.
Geschiedenis Ontstaan van de mark
thumb|300px|Brandenburg, ca. 1150.
De oorspronkelijke bewoners van Brandenburg, Germaanse stammen als de Sueben en de Longobarden, maakten in de tijd van de volksverhuizingen plaats voor Saksen, die in het noordwesten van Brandenburg woonden, en Slavische stammen zoals de Sprewanen en de Havelli. De Slaven trouwden met de Saksen en de Bohemers. Na de Saksenoorlogen werd het gebied in het Karolingische Rijk opgenomen en kreeg het onder Karel de Grote de naam Noordmark, in 1304 vermeld als de Altmark. Het moest het stamhertogdom Saksen beschermen tegen de Slaven. Hierom werd markgraafschap Noord-Saksen opgericht. Ook de bisdommen Brandenburg en Havelberg werden in 945 en 949 na de kerstening van de Slaven voor dit doel opgericht. De twee bisdommen waren onderdeel van het prinsbisdom Mainz.
Koning Hendrik de Vogelaar veroverde het gebied en de stad Branibor (Brandenburg an der Havel) in 928-929. Door zijn zoon, Keizer Otto I de Grote, ontwikkelde het gebied zich in 936 onder leiding van markgraaf Gero tot een nieuwe Noordmark, meer noordoostwaarts gelegen dan de eerdere Noordmark, later Altmark geheten. Dat het gebied meer noordoostwaarts was gelegen, kwam door de eerste fase van de Duitse Ostsiedlung. Na de dood van markgraaf Gero werd de Noordmark van de rest van Saksen gescheiden. Noordmark en de bisdommen gingen verloren door een opstand van de Slavische Wenden in 983. Tot de ondergang van het bondgenootschap tussen de Wenden en de Lausitzers in het midden van de 11e eeuw bleef het gebied onafhankelijk van het Heilige Roomse Rijk. De opbouw van het bestuur van het Heilige Roomse Rijk kwam in het noordoosten, ondanks het opzetten van bisdommen en marken, voor 150 jaar tot stilstand.
Prins Pribislav van Havelland heerste vanaf 1127 over het slot Brenna (Brandenburg an der Havel). Tijdens zijn heerschappij werden nauwe banden met de Duitse adel en het Heilige Roomse Rijk onderhouden. De hoofdstad werd verplaatst naar Spandau. De oostgrens tussen de Havelli en de Sprewanen werd erkend als de Havel-Nuthegrens. Prins Jaxa van Köpenick van de Sprewanen leefde in Köpenick ten oosten van deze grens.
Onder de Ascaniërs left|thumb|300px| standbeeld van Albrecht van Brandenburg op de Siegesallee, geflankeerd door bisschop Wigger van Brandenburg and bisschop Otto van Bamberg.
Tijdens de tweede fase van de Ostsiedlung kreeg Albrecht de Beer, uit het Huis der Ascaniërs, de Noordmark in leen. Hij breidde met zijn oostwaartse politiek het gebied uit waarbij hij delen van de Prignitz en het Havelland verwierf. Vanaf 1123-5 haalde hij banden aan met Pribislav. Zijn zoon Otto kreeg de regio Zauche als doopcadeau. In 1134 werd Albrecht door keizer Lotharius III als markgraaf van de Noordmark aangewezen. Hij noemde zich, nadat hij zijn residentie naar Brandenburg had verplaatst, als eerste 'markgraaf van Brandenburg'. Pribislav werd tot koning verheven, maar dit werd later teruggedraaid. In hetzelfde jaar zorgde Albrecht voor de opvolging door de inboedel van de kinderloze Pribislav in te nemen. Na de dood van Pribislav in 1150 ontving Albrecht in 1150 het hof van het Havellandse Brenna. De Ascaniers begonnen met de bouw van het kasteel van Spandau.
In tegenstelling met hun leiders die het christendom aannamen, aanbad het gewone volk uit het Havelland de Slavische goden en ze waren tegen het aantreden van Albert. Jaxa van Köpenick, een mogelijk familielid van Pribislav, maakte ook aanspraak op Brandenburg. Dit deed hij door middel van geweld en met Poolse hulp nam hij het Havelland in bezit. Ouder historisch onderzoek dateerde deze verovering in 1153, maar er zijn geen zekere bronnen voor deze datum. Moderne historici, zoals Lutz Partenheimer, dateren deze gebeurtenis in de lente van 1157, omdat het volgens hem anders onwaarschijnlijk zou zijn dat Albert vier jaar niet op de handelingen van Jaxa zou reageren.
Na een bloedige overwinning op 11 juni 1157 kreeg Albert de mogelijkheid Brandenburg terug te veroveren. Hij wist Jaxa uit het gebied te verjagen en een nieuwe heerlijkheid te creëren. Albert liet zich betitelen als markgraaf van Brandenburg. (Adelbertus Die gratia marchio in Brandenborch) en zo ontstond op 3 oktober 1157 het nieuwe markgraafschap Brandenburg.
right|300px|thumb|Brandenburg tot het uitsterven van de Ascaniërs in 1320.
In de volgende 150 jaar verwierven de Ascaniers de Uckermark, de regio’s Teltow en Barnim ten oosten van de Havel en de Nuthe en ze breidden het gebied van de mark uit naar de rivier de Oder. Met het bemachtigen van de Neumark (‘’Nieuwe mark”) ten oosten van de Oder werden de Lebus en de Lausitz verkregen door aankoop van land, huwelijk en steun aan de Poolse Piasten.
Door de zanderige ondergrond van grote delen van Brandenburg die slecht was voor landbouw, werd het gebied bekend als “de zandbak van het Heilige Roomse Rijk”. Albrecht liet het gebied door Westfaalse en Frankische immigranten uit de Altmark, Fläming, de Harz en het Rijnland immigranten het gebied koloniseren. Na de innamen van gebied langs de Elbe en de Havel in 1160 kwamen Nederlanders en Vlamingen naar Brandenburg omdat ze kennis hadden om dijken te bouwen. De verdediging van Brandenburg lieten de Ascaniers over aan ridders die in dorpen werden geplaatst en kastelen stonden in de grensregio van de Neumark. Als gevolg van de tanende keizerlijke macht in de 14e eeuw, begonnen de ridders kastelen te bouwen in het hele graafschap waarmee ze hun onafhankelijkheid zeker stelden.
Tijdens het bewind van de Ascaniers ontstonden steden als Köpenick, Spandau, Cölln, Berlijn en Frankfurt an der Oder en werd de Slavische bevolking talig en cultureel geassimileerd.
Na de dood van Albrecht in 1170 werd hij opgevolgd door zijn zoon Otto I van Brandenburg. De Ascaniers hadden een politiek van het uitbreiden van het gebied naar het oosten en het noordoosten met het doel om door Pommeren de Oostzee te bereiken Deze politiek bracht ze in conflict met de koning van Denemarken. Na de Slag bij Bornhöved in 1227 gaf Otto zijn claim op Pommeren op, maar hij kreeg het van Keizer Frederik II in 1231 als vazal in leen. Het midden van de 13e eeuw was een periode van belangrijke ontwikkelingen voor het Ascanische huis. Ze verworven de stad Stettin en de Uckermark in 1250. Dit gebied ging later verloren aan het Hertogdom Pommeren. Hendrik de Jonge van Brandenburg was de laatste Ascanische graaf die stierf in 1320 en hiermee stierf de dynastie uit.
Onder de Wittelsbachers thumb|300px|Het Heilige Roomse Rijk van 1273 tot 1378.
Na het uitsterven van de Brandenburgse Ascaniërs in 1320 beleende keizer Lodewijk de Beier, uit het Huis Wittelsbach, zijn zoon Lodewijk de Brandenburger met het markgraafschap. Lodewijk de Beier versloeg de Habsburgers (de "Brandenburger") in 1323. Het gevolg van de moord op provoost Nikolaus von Bernau in 1325 was dat Brandenburg gestraft werd met het pauselijke interdict. Vanaf 1328 voerde Lodewijk een oorlog tegen Pommeren, dat in zijn ogen een opstandige vazal was, en deze oorlog (onderdeel van het langlopende Brandenburgs-Pommers conflict) eindigde in 1333. Markgraaf Lodewijk I werd niet erkend door de lokale Brandenburgse adel. Na de dood van keizer Lodewijk IV in 1347 werd het markgraafschap geconfronteerd met de Valse Waldemar, die zich voordeed als de afgezette markgraaf Waldemar van Brandenburg. De valse Waldemar werd erkend als markgraaf van Brandenburg op 2 oktober 1348 door keizer Karel IV uit het huis Luxemburg. Na een vredesovereenkomst tussen de Luxemburgers en de Wittelsbachers in Eltville werd de valse Waldemar uit zijn ambt gezet omdat hij de keizer bedrogen had. In 1351 gaf Lodewijk het markgraafschap aan zijn jongere halfbroers Lodewijk II (de "Romein") en Otto V in ruil voor de alleenheerschappij over Opper-Beieren.
Lodewijk eiste dat de valse Waldemar zijn rechten op Brandenburg opgaf. Hij wist Brandenburg door geweld en intrige te verwerven en de valse Waldemar te verjagen. De markgraaf van Brandenburg werd door de Gouden Bul van 1356 bevestigd in de sinds 1257 bestaande status van keurvorst. Het graafschap werd een "keurvorstendom" (Kurfürstentum) van het Heilige Roomse Rijk. De markgraaf van Brandenburg had de titel van "Aarts-Kamerheer van het Rijk". Na de dood van Lodewijk in 1365 nam Otto V van Beieren de heerschappij in Brandenburg over. Hij verwaarloosde de mark en verkocht Neder-Lausitz, dat hij aan het Huis Wettin beloofd had, echter in 1367 schonk hij dit gebied aan keizer Karel IV. Een jaar later verloor hij de stad Deutsch Krone aan koning Casimir III van Polen.
Onder de Luxemburgers