De terminologie van de oud-Griekse godsdienst is ons voornamelijk gekend uit drie soorten bronnen: literaire, epigrafische en archeologische bronnen. De godsdienst van het oude Griekenland berust op een geheel van riten en praktijken. Ze mag dan ook niet worden verward met de Griekse mythologie. Deze beschrijft de mythen eigen aan de antieke Griekse wereld, die niet erg gebonden zijn aan religieuze gevoelens maar zelfs in essentie puur literair kunnen zijn, terwijl de godsdienst draait rond godsdienstige riten en praktijken in het oude Griekenland. Men moet om te beginnen beseffen dat de Oud-Griekse godsdienst geen zaak van persoonlijk geloof is. Ze is voor alles publiek en staat in betrekking met de gemeenschap, vanwaar ook haar belangrijke implicaties voor het politiek leven. In feite beperkt ze zich niet tot enkele sferen van het dagelijkse leven, maar kan ze alle aspecten omvatten. Hierdoor maken de oude Grieken geen echt onderscheid tussen het religieuze en profane domein: elk moment van het leven kon bepaald zijn door een min of meer formele rite, een gebed, een religieuze praktijk. Het is ook daarom dat de oud-Griekse kunst van een religieuze aard is.
Het heilige Het heilige bestaat als dusdanig niet in de oud-Griekse godsdienst. Men kan echter wel vier verwante begrippen onderscheiden in het Oudgrieks, die men niet met elkaar mag verwarren.
/ hierós De term / hierós; een begrip dat reeds in de Myceense tijd werd gebruikt, kon bijna alleen gebruikt worden bij zaken (af en toe bij personen, bijvoorbeeld hierophantes bij de mysteriën van Eleusis) die in nauwe verbinding stonden met een godheid of heiligdom. Het verwijst naar de zaken die toelaten om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen voor het voltrekken van een rite. Het gaat hierbij om toevallige of door de omstandigheden voorgeschreven, en niet essentiële, vormen van het heilige. Aldus kon een plaats hierós worden zolang de ceremonie daar plaatsvond (de offerplaats), hetzelfde ging ook op voor een doordeweeks voorwerp (het mes om het offerdier te kelen was ook hierós) of zelfs een mens (de celebrant). I feit is de priester ( / hiereús) niet iemand buiten de civiele maatschappij: de priester schijnen geen aparte sociale klasse te hebben gevormd, maar eerder vervulden eerder zoiets als een administratieve functie in de oud-Griekse maatschappij. Vaak is de priester niet meer dan een functionaris gekozen door het lot of verkozen voor een of meer jaren, waarbij het priesterschap als een staatsaangelegenheid werd gezien, die vaak kortstondig was. Tijdens zijn mandaat was de priester slechts in functie tijdens liturgische handelingen. Er bestond dus niet een gehiërarchiseerde en georganiseerde oud-Griekse clerus als autonomen instelling, maar het priesterschap schijnt een essentieel publieke - zelfs politiekeMerk wel op dat dit niet betekent dat priesters ook politieke macht hadden, sommigen hadden we invloed, zoals de Pythia, maar dit waren eerder uitzonderingen die de regel bevestigden. - aangelegenheid te zijn geweest.
Dit essentiële occasionele aspect van / hierós helpt aldus het gesubstantiveerde meervoud / ta hierá te begrijpen, dat afhankelijk van de context « cultushandelingen », « cultusplaatsen », « cultusvoorwerpen », of meer algemeen « zaken geheiligd aan de cultus » kon betekenen.
/ hósios De term / hósios, die altijd in contrast moet gezien worden met hierós kan ofwel « « vroom », « heilig » of « gedesacraliseerd » betekenen. Zo is het hósios dat wat is voorgeschreven of toegelaten door het goddelijk recht. Een wezen dat door bezoedeling onzuiver is geworden, die daardoor wordt uitgesloten van de riten en de toegang ontzegd tot de téménos, wordt weer hósios nadat hij zich heeft ontdaan van alle blaam. Het gesubstantiveerde meervoud / tà hósia (« de zaken die hósios zijn ») betekent « de goddelijke wetten », in contrast met / tà díkaia, « de menselijke wetten » (zie ook oud-Grieks recht).
/ hágios De term / hágios, die in de oudheid zelf zeldzaam was en is afgeleid van het werkwoord / házomai (« respectueuze vrees hebben tegenover iets/iemand »), heeft slechts betrekking op zaken die in verband staan met het goddelijke en aldus onbereikbaar of transcendent zijn. Het is opvallend dat deze term in het modern Grieks gebruikt wordt om de christelijke heiligen aan te duiden.
/ hagnós De term / hagnós, die in de oudheid vaker werd gebruikt dan hágios en ook afgeleid van / házomai (« respectueuze vrees hebben tegenover iets/iemand »), wijst op de zuiverheid van zowel zaken als personen, zij het nu goden of mensen. Het karakteriseert dus datgene dat verwijderd is van het dagelijks leven en de gewone wereld door haar zuiverheid. Het staat in dit opzicht tegenover / hierós dat slaat op zaken en personen die zich in de gewone wereld bevinden. Een plaats die definitief hagnós was, is natuurlijk de / témenos, een naam afgeleid van het werkwoord / témnô, « snijden », en betekent dan ook letterlijk « afgesneden ». De téménos is in feite een zone, een plaats, een plek van variërende grootte die men scheidt van het menselijke domein, aldus definitief toebehorend aan de goed. Een plaats werd vaak een téménos na een theophánia, goddelijke verschijning of manifestatie, dat zich kon uiten in een natuurfenomeen (bijvoorbeeld door een blikseminslag), een of ander voorteken, of simpelweg elke gebeurtenis of fenomeen aan welk men goddelijke oorsprong toeschreef door zuivere interpretatie. De ruimte van de témenos wordt zeer duidelijk gemarkeerd door horoi ((grens)stenen), omdat ze in geen enkel geval mag worden bezoedeld. Men kon de témenos niet betreden zonder zuiver te zijn en respect te hebben voor de verboden, die verschilden van de ene plaats tot de ander. Een Grieks heiligdom heeft daarom ook bijna altijd een téménos. Oorspronkelijk was de téménos (zoals we het aantreffen bij Homeros) ook een stuk land dat was gereserveerd voor een heros of een monarch om deze te verzekeren van inkomsten.
Angst, vrees en schroom Zoals de Griekse mythen bekend zijn, zo lijkt haar religie onbekend. Een van de redenen voor deze paradox komt voort uit een nog steeds niet opgelost probleem: het is niet makkelijk, bij een gebrek aan directe getuigenissen — de meerderheid van de bronnen zijn literair —, zich uit te spreken over de werkelijke aard van het geloof en religieuze gevoel van de oude Grieken. In zekere zin is het onmogelijk simpelweg te bevestigen dat de Grieken in hun mythen zouden hebben geloofd en hun een reëel verdienste toeschreven met betrekking tot hun rituele praktijken. Twee feiten komen echter naar voren uit de teksten: de inhoud was geaccepteerd door de Grieken van die tijd; de vroomheid (en niet het geloof) was reëel. De oud-Griekse godsdienst schijnt dus niet de aanvaarding van dogma's te hebben vereist, maar eenvoudigweg respect voor de riten.
In verband hiermee moet men op het belang van angst, vrees of schroom in de oud-Griekse religie wijzen, zoals blijkt uit de verscheidene termen met / seb (gevaar, angst, veneratie) in: zo kent men de woorden / sébomai (vereren), / sébas (ontzag, eerbied, schaamte), / semnós (vereerd), / eusébeia (eerbiedigheid, piëteit; vroomheid), / theosébeia (godsvrucht) en / asébeia (oneerbiedigheid, goddeloosheid). Ook de term / aidôs (angst voor, schroom en eerbied tegenover de goden) werd vaak gebruikt.
De volgende termen hebben specifiek betrekking hebben op de eerbied voor riten: / eusébeia en / asébeia. Zonder dogma is het moeilijk de notie van vroomheid te bevatten, maar bij die van de goddeloosheid daarentegen is die minder het geval. Men beschouwt haar als een gebrek aan respect met betrekking tot de riten van de polis, dat werd beschouwd als een misdaad die viel onder de rechtspraak van het tribunaal. Dus, indien de aanhangers van een nieuwe religie of god hun cultus wensten uit te oefenen binnen de polis, moesten deze hiervoor toestemming vragen, waarna het ter stemming werd voorgelegd. Op grond van deze stemming gebeurde de integratie van de god of cultus, of de uitsluiting ervan, in de polis. Het is omwille van dit soort « goddeloosheid » dat Socrates (ca. 469-399 v.Chr.) tot de doodstraf bracht, die hem werd opgelegd door de polis Athene. Deze werd in feite veroordeeld voor goddeloosheid omdat hij in zijn polis een cultus zou hebben ingevoerd zonder de religieuze en burgerlijke integratierituelen te hebben gerespecteerd. Zoals men ziet had de Griekse goddeloosheid weinig te maken met geloof. Meer zelfs, men beschouwde de excessen van « vroomheid », zoals bijgeloof, ook als goddeloosheid.
Men kan eusébeia dus het best definiëren als het tegenovergestelde van asébeia: het is het respect voor een juiste omgeving, de erkenning van de beperkingen waarbij men de goddelijke weten niet mocht verbreken (hybris). Het gaat bovenal om de voorouderlijke tradities te respecteren en aan de godheden te geven wat hun toekomt (offers, gebeden),op gevaar af deel te nemen aan de riten zonder de diepere betekenis ervan te kennen. De eusébeia is bovendien civiel (zoals gezegd is het priesterschap ook meestal een civiel ambté): elke polis wordt beschermd door een beschermgodheid. Wanneer men deze niet genoeg respect betoond, riskeert men dat deze zijn bescherming terugtrekt, wat een gevaar betekent voor alle burgers. Aldus kan men de zware straf verklaren die men Socrates gaf: door illegaal nieuwe culten te introduceren, riskeerde hij het de goden van de polis te beledigen en hun bescherming te doen verzwakken.
Zuiverheid De zuiverheid is in de oud-Griekse godsdienst niet moreel maar materieel. Dit is zeer belangrijk want men kan niet deelnemen aan riten of een témenos, heiligdom of niet, betreden, tenzij men rein is. De term / katharós, dat zowel « zuiver » als « rein » betekent, is dan ook een belangrijke term in deze context. Omdat men de témenos niet mocht betreden als men / akáthartos (« onrein ») was, werd er een / perirrhanterion aan de ingang geplaatst. Bij sommige riten was het wassen van de handen zelfs voorgeschreven. De noties van zuiverheid en onzuiverheid hangen af van de context: iets dat in het ene geval als katharós beschouwd werd, kon in een andere context juist akáthartos zijn.
Dit is bijvoorbeeld het geval voor bloed. Dit is intrinsiek zuiver noch onzuiver, alles hangt af van de beoogde rite: het bloed van het slachtoffer is zuiver, dat van een dode dat op de aarde valt onzuiver. Het is om deze reden dat elke moordenaar, of hij nu sterfelijk is of niet, zijn smet « af te wassen » na de strijd, zelfs indien dit gedaan was uit loyaliteit of in het belang van de polis. Op eenzelfde manier zijn de dood van een verwant (zelfs niet bloederig) of het baren bronnen van bezoedeling, die de bezoedelden ervan weerhield het priesterschap op te nemen, deel te nemen aan bepaalde ceremonies en een témenos te betreden.
Men treft sporen aan van deze ambigue houding tegenover bloed aan in de mythologie: Orestes moet, nadat hij zich op bloedige wijze heeft gewroken op de moordenaar van zijn vader Agamemnon (wat men beschouwde als zijn plicht), boete doen voor zijn bezoedeling terwijl hij wordt achternagezeten door de Erinyen. Het is pas na een vrijspraak door Athena gevolgd door een zoektocht hem opgedragen door Apollon (dat erin bestond een beeld van Athena uit Tauris naar Athene terug te brengen) dat deze wordt gezuiverd van het bloed van zijn slachtoffers en rust vindt van de Furiën;