thumb|150px|In een aantal talen wordt een geschreven vraag afgesloten met een vraagteken Een vraag is een zin die bedoeld is om informatie in te winnen, een verzoek te uiten of tot denken aan te zetten. In veel landen wordt zo'n zin op schrift beëindigd met een speciaal teken dat in het Nederlands "vraagteken" wordt genoemd. In de spreektaal stijgt de toon meestal aan het eind van de zin. Door de manier van vragen stellen en de keus voor de persoon die vragen stelt, kan een gesprek in een bepaalde richting worden gestuurd.
Vraagsoorten Vragen kunnen worden ingedeeld in soorten, hoe dat indelen gebeurt is afhankelijk van het vakgebied van waaruit een indeling wordt gemaakt. Vragen kunnen verschillen naar het doel van de vraagsteller, de vorm van de vraag of de situatie waarin deze gesteld wordt. Men stelt bijvoorbeeld vragen om een ander een podium te geven om kennis ten toon te spreiden, of men stelt vragen om een ander duidelijk te maken dat diegeen minder kennis heeft, of van een lagere rang of stand is.
Open en gesloten vraag Een bekend onderscheid uit de communicatiewetenschap en de psychologie is de indeling in open vraag en gesloten vraag. De open vraag is er later bijgekomen en blijkt in de literatuur geen eenduidige definitie te hebben.
Open vraag Een open vraag is algemeen gesteld een vraag waarop degenen waarvan een antwoord wordt verwacht, met een eigen bedacht, open antwoord kan komen.
Als voorbeeld: Hoe vindt u de samenwerking bij onze organisatie?
Een open vraag kan een vragend voornaamwoord bevatten, zoals wie, wat en welke. Ze staan meestal aan het begin van de zin: Wie? (vragen naar het onderwerp) Welke? (vragen naar het onderwerp met keuze uit beperkte groep)
Een open vraag met een vragend bijwoord Waar, waarheen, waarvandaan? (vragen naar een plaats of richting) Wanneer, hoe laat, hoelang, hoe vaak? (vragen naar het tijdstip, de tijdsduur, periode of frequentie) Hoe? (vragen naar een manier of methode) Waarom, waardoor, hoezo, waartoe? (vragen naar de reden, oorzaak, verklaring en doel) Wat voor? (vragen naar de aard of kwaliteit)
In de motiverende gespreksvoering worden de open vragen omschreven in de sfeer van vragen die uitnodigen tot een gesprek, geen weerstand oproepen en waardoor iemand bereid is iets te vertellen over wat hem of haar bezighoudt. Belangrijk is er geen oordeel in te leggen ("Wat vind je zo vervelend aan de situatie?" wordt dan in een voorbeeld beantwoord met: ik vind het niet vervelend, dat is jouw oordeel. En dan stopt het gesprek).
In de Intervisiewaaier van Jeroen Hendriksen en Jantine Huizing wordt gesproken over "het analyseren van de werkvraag met behulp van open, ruimtegevende vragen. Stel feitelijke vragen maar ook vragen over gevoelservaringen en emotionele beleving."
In kollegiale konsultatie en Intervisie van werkgroep DOZ (1986) wordt gesproken over: Probleemverhelderende vragen Situatieverkennende vragen Vragen buiten het probleem om Didactische vragen
Gesloten vraag Een gesloten vraag is een vraag, waarin de antwoord-mogelijkheden meer begrensd zijn. Bij een gesloten vraag is het aantal antwoordmogelijkheden beperkt. Soorten gesloten vragen zijn de ja-nee vraag of de (meer-)keuzevraag.
In het algemeen krijgt men met open vragen meer informatie in de antwoorden dan de vraagsteller zelf kan bedenken. Bij gesloten antwoorden de informatie krijgt waarnaar men expliciet vraagt. Bij gesloten vragen kan een respondent eenvoudiger begrijpen waar het een vraagsteller om gaat en een "gewenst antwoord" geven.
Voorbeeld van een gesloten vraag: Heeft u bij onze organisatie expliciet racistische ervaringen gehad? Voorbeeld van een open vraag: Wat voor ervaringen heeft u bij onze organisatie gehad?
Voor beantwoording van de vraag wat een open vraag is, bestaat geen eenduidig concept.
Ja-nee-vraag Een ja-neevraag of werkwoordelijke vraagzin begint met de persoonsvorm van het werkwoord en als antwoord kan er ja of nee gegeven worden. Voorbeelden: Heb jij een computer? Vertrekken zij morgen? Komt hij morgen niet? Kan dit niet wachten?
Een ja-neevraag kan de vorm van een mededelende zin aannemen. In dat geval gaat de klank aan het eind van de zin omhoog om het als een vraag te laten klinken: Jij hebt een computer?
Vragen kunnen als ja-neevraag gesteld worden, zonder het feitelijk te zijn. Voorbeeld: Kunt u mij zeggen hoe laat het is? Kunt u mij de boter geven? Hierop verwacht men niet het antwoord ja of nee, maar de tijd of de boter. Wanneer er wel met nee geantwoord wordt, zou er uit beleefdheid een uitleg bij gegeven moeten worden.
Als het om computerprogrameertaal gaat, krijg je op bovenstaande twee vragen het antwoord ja of nee, daar moet je de vraag anders opbouwen.
In het Hongaars heeft een gesloten vraag of "beslissingsvraag" een eigen type intonatie om aan te geven dat het om een vraag gaat, maar open vragen die beginnen met een vraagwoord hebben dezelfde intonatie als een mededelende zin.
Keuzevraag In de keuzevraag zijn de antwoorden in de vraagstelling genoemd. Voorbeeld: Bent u voor of tegen het project? Wil je een croissant of een krentenbol? Verwant aan de keuzevraag is de meerkeuzevraag die vaak in examens, onderzoeken en psychologische testen wordt gebruikt. Voordeel is dat de antwoorden snel en geautomaiseerd nagekeken kunnen worden. Nadeel is, dat wanneer de vraagstelling en de keuze-antwoorden meerdere mogelijkheden inhouden, of vanuit een bepaalde veronderstelling zijn gesteld, vanuit een bepaalde groep personen met dezelfde kenmerken en leefwereld, de respondenten het goede antwoord niet kunnen vinden.
Suggestieve vraag Met een suggestieve vraag wordt gedoeld op een vraag die een suggestie wekt over een door de vraagsteller veronderstelde gang van zaken, waardoor degeen aan wie de vraag wordt gesteld moeilijk een antwoord kan geven dat neutraal is. Een voorbeeld: "Kort nadat u de overeenkomst over de aankoop van jachtvliegtuigen rond had, kocht u een groot buitenhuis in Wassenaar." De suggestie die wordt gewekt, is dat er onder de tafel een grote som geld aan de aflsuiter van de overeenkomst is gegaan. Ook al ontkent degeen aan wie de vraag wordt gesteld dat de gang van zaken zo was als de vraagsteller meent, veel mensen die de vraag hebben gehoord zullen denken dat er smeergeld is gevloeid.
Suggestieve vragen kunnen ook worden gesteld om het antwoord in een richting te sturen die de vragensteller wenst, of denkt dat juist is. Voorbeelden van eenvoudige suggestieve vragen zijn: Je bent toch wel met me eens dat we vanavond terug gaan? Je dacht zeker dat ik je zou vergeten? We zijn een heel eind gekomen vandaag, vinden jullie niet?
Directe en indirecte vraag (bron?) Vragen kunnen onderverdeeld worden in directe en indirecte vragen.
Een directe vraag eindigt altijd met het vraagteken ? (zie leestekens) Voorbeeld: Wanneer kom je?
Een vraag kan ook als indirecte vraag gesteld worden, zonder dat het de grammaticale vorm van een vraag heeft. Voorbeeld: Ik zou graag weten, wanneer je komt.
Gerichte of lineaire vraag (bronnen?) De gerichte vraag of ook wel lineaire vraag kan zowel open als gesloten gesteld worden en vraagt naar concrete gegevens en feiten. Het antwoord is vaak kort en de vraag alleen leidt daardoor weinig tot uitdieping van het onderwerp. Voorbeelden: Wat is er gebeurd? / Heeft u verwondingen? Hoe laat was u ter plekke? / Was u alleen? Hoeveel? Hoe vaak? Maar bijvoorbeeld niet het gebruik van hoe of waarom.
Strategische vraag (bron?) Bij een strategische vraag is het antwoord wel ongeveer bekend, maar wordt de vraag toch gesteld om het antwoord letterlijk te horen of om de andere partij nogmaals te laten nadenken over de inhoud van het antwoord. Voorbeelden: Wat had ik je nu gezegd? (bijvoorbeeld door ouder aan kind gesteld) Hoe hard denkt u dat u hier mag rijden? (verkeerspolitieagent) Begrijp ik goed dat u zegt...? (controlevraag)
Reflectieve vraag (bron?) De reflectieve vraag is bedoeld om iemand over zijn eigen situatie of rol te laten nadenken. Voorbeeld: Hoe kijk je naar jezelf in deze situatie? Wat is jouw aandeel hierin? Wat denk je dat er van je verwacht wordt?
Retournerende vraag (bron?) De retournerende vraag, ook wel wedervraag genoemd, is een vraag die als antwoord dient op een eerder gestelde vraag. Voorbeeld: Hoe oud ben je? Waarom wil je dat weten? Ben je katholiek? Heeft de paus een balkon? Mag ik je wat vragen? Waarom vraag je dat?
Doorvraag De doorvraag gaat door op het antwoord dat gegeven werd. De doorvraag werkt heel stimulerend en brengt vaak veel informatie naar boven. Voorbeelden: Wat bedoelt u daarmee? Kun je een voorbeeld geven? Wat zouden daar de gevolgen van kunnen zijn?
Relationele en circulaire vraag (bron?) Een relationele vraag moet antwoord geven op de onderlinge relatie tussen twee personen en de verschillen in beleving. In mediation wordt deze vraag bijvoorbeeld gesteld. Voorbeelden: Hoe was de relatie in het verleden? Wat voor gedachten voor toekomst? Waar is het beide partijen om te doen? Een circulaire vraag wordt eveneens gebruikt in een gesprek met een bemiddelaar. Hierbij wordt aan beide partijen een vraag gesteld, waarbij de tweede vraag, de circulaire vraag, doorgaat op het antwoord van de startvraag. Voorbeeld: Wat is er nodig voor u om uit dit conflict te komen? Wat kunt u geven om daaraan tegemoet te komen?
Negatieve vraag (bron?) Negatieve vragen hebben een ontkenning in de zin. Voorbeeld: Moet je niet werken? Negatieve vragen drukken op verschillende manieren bevestiging of ontkenning uit. Negatief geformuleerde vragen zijn vaak voor meer uitleg vatbaar of moeilijk te begrijpen. Dit komt doordat het soms onduidelijk is of geantwoord moet worden op het tegengestelde of op het niet-ontkende. Voorbeelden: Kom je mee? is een duidelijke vraag. Kom je niet mee? is niet het tegengestelde daarvan, maar heeft een aanvullende betekenis, net als een voorafgaand vermoeden of veronderstelling: de ander zou immers toch sowieso niet meekomen. Een antwoord met ja of nee is ook niet zonder meer mogelijk omdat het tot misverstanden kan leiden. Aan iemand zonder paspoort kan gevraagd worden: Heb je een paspoort? Of: Heb je geen paspoort?. In beide gevallen kan de persoon in kwestie er nee op antwoorden, terwijl de vragen tegengesteld lijken.
Zuigende vraag (bron?) Een zuigende vraag is een suggestieve vraag die specifiek bedoeld is om een reactie uit te lokken, meestal om iemand op de kast te jagen of kwaad te maken en bepaalde reacties uit te lokken. Voorbeelden: Vindt u ook niet dat u gefaald heeft? Heeft u als technisch directeur eigenlijk nog wel iets te zeggen hier? Wat vindt u daar nou zelf van?
Persisterende vraag (bron?) De persisterende vraag is een vraag die steeds wordt herhaald ongeacht het antwoord. Voorbeelden: Wat dacht u dat er zou gebeuren? Antwoord: Wat dacht u dat er zou gebeuren? Enzovoorts.
Retorische vraag Een retorische vraag is niet echt een vraag maar een stijlfiguur. Het is een bewering in vraagvorm en er wordt dan ook geen antwoord op verwacht. De retorische vraag kan zowel stimulerend werken, als verzet op roepen. Voorbeeld: Zijn we niet allemaal trots op de geleverde prestatie? Een ander gebruik van de retorische vraag is de hypothetische vraag die bijvoorbeeld vaak door conferenciers wordt gebruikt als grap of om het publiek te choqueren, of als confronterende vraag in een politievraaggesprek. De vraag lokt namelijk uit dat met elk antwoord dat iemand geeft meer informatie wordt losgelaten dan hij van plan was. Voorbeeld: Heb je je vrouw nog geslagen dit weekend?
Hypothetische vraag Een hypothetische vraag heeft een vooronderstelling in zich voor onderzoek en om de beeldvorming aan het werk te zetten of om een denkproces bij de ander op gang te brengen. Voorbeelden: Stel dat de fractievoorzitter opstapt; wilt u dan fractievoorzitter worden? Wat gaat u doen als de deal niet doorgaat?
De vraag als denk- en beschrijvingsinstrument Vragen in de journalistiek