Deze lijst geeft een verklaring van de terminologie zoals die in gebruik is bij de beschrijving van schelpen van mollusken of weekdieren.

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Abaperturaal Buikpotigen Van de mondopening af. - Abapicaal Buikpotigen Van de top af. - Accessorisch schelpstuk Tweekleppigen Een of meer extra schelpstukken die bij sommige tweekleppigen tussen de bovenranden van de beide schelpkleppen liggen. hypoplax, mesoplax, metaplax en protoplax zijn accessorische schelpstukken. Zie ook Palet Witte boormossel Adapicaal Buikpotigen In de richting van de top. - Adaperturaal Buikpotigen In de richting van de mondopening. - Adult Algemeen Volgroeid; volwassen (Zie ook juveniel). - Afgeknot Tweekleppigen Stomp zoals bij schelp van de Afgeknotte gaper Apertura Buikpotigen Zie Mondopening en zie ook: Apertura (mollusken). - Apex Buikpotigen Zie Top. - Appendiculum Tweekleppigen Plooitje op de umbo. bij schelpen van sommige Erwtenmossel-soorten. Area Tweekleppigen Rugveld of escutcheon. Meer of minder duidelijk begrensd langwerpig veld achter de top bij sommige tweekleppigen, in het algemeen afwijkend in sculptuur en kleur van de rest van de schelp. Zie ook lunula. - Axiaal Buikpotigen Ook Radiaal of Longitudinaal. Min of meer evenwijdig aan de lengteas van een slakkenhuis (In: 'axiale sculptuur'). -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Basaal Weekdieren De onderzijde van een dier of schelp (de basale zijde) - Benthos Weekdieren Alle dieren die op en in de zeebodem leven. - Binnenlip Buikpotigen Dat deel van de mondrand wat grenst aan de spil van het slakkenhuis. De binnenlip is meestal glad maar kan tanden, knobbels of lijsten dragen. Als de binnenlip tot buiten de mondopening uitgebreid is, dan spreekt men van callus of eelt. Zie ook: Apertura (mollusken). - Borstels Weekdieren Meestal in bosjes geplaatste, stugge haren op de zoom van keverslakken. - Buitenlip Buikpotigen Dat deel van de mondrand wat niet aan de spil van het slakkenhuis grenst. Zie ook: Apertura (mollusken). - Byssus(draden) Tweekleppigen Een bundel vezels ('byssusdraden') van een kleverig hoornachtig organisch materiaal (een collageen), die wordt afgescheiden door de voet en uithardt in zeewater, en waarmee de dieren zich vasthechten aan een substraat (1) of in de grond (2). (1) Mossel en de Bonte mantel; (2) Korfschelp

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Callus Weekdieren Eelt. (1) Een voortzetting van de gladde binnenwand (binnenlip) van een slakkenhuis op de voorgaande winding. Vaak glanzend, verdikt en duidelijk begrensd. (2) Een knobbel in de slotlijst bij Pisidium soorten. NB.: het woord 'callus' is van oorsprong een mannelijk Latijns woord. Hoewel vaak gesproken wordt van 'het callus' is dit dus onjuist. Het hoort 'de callus' te zijn. Zie ook: Apertura (mollusken). (1) Wulk, (2) Gemaskerde erwtenmossel Cardinaal Tweekleppigen In: 'cardinale tanden'. Bij tweekleppigen de 'hoofd'slottanden die direct onder de umbo aan de binnenzijde van de schelp liggen. Vaak geflankeerd door de laterale tanden. Zie ook: heterodont slot. - Carina Weekdieren Kiel. (1) Duidelijk uitstekende ribbel aan de buitenkant van de schelp van een slakkensoort. Meestal evenwijdig aan de windingsrichting ('horizontaal') verlopend. (2) Een enkele, scherpe en sterk geprononceerde, radiaire rib op de schelp van een tweekleppige. (1) Schijfhoren Caudaal Weekdieren De achterzijde van een dier of voorwerp (caudale zijde) Chevron Tweekleppigen (In: 'chevronsculptuur'). Een sculptuur van zigzag lijnen die de groeilijnen kruisen. Chevronsculptuur kan op de hele schelp aanwezig zijn of slechts op een klein deel. De rugae van najaden kunnen een chevron patroon hebben. Acila cobboldiae en rugae bij Platte zwanenmossel Chondrofoor Tweekleppigen Een meestal relatief grote, lepelvormig vergroeide tand in het slot van sommige tweekleppigen. Strandgaper Clausilium Buikpotigen Aanwezig bij de Clausiliacea, een groep van voornamelijk linksgewonden landslakken. Dit is een meestal ovaal en gebogen kalkig plaatje dat dienstdoet als sluitapparaat voor de mondopening. Het is ontstaan uit plooiingen langs de spil van de schelp. Het clausilium zit met een buigzame (kalkige) steel vast aan de spil en het geheel is van kalk met dezelfde kristalstructuur (aragoniet) als de schelp zelf. Zie ook: Apertura (mollusken). - Columella Buikpotigen Ook: Spil. De denkbeeldige (verticale) as waaromheen een slakkenhuis gewonden is. - Columellaire zijde Buikpotigen Het gedeelte van de mondopening dat tegen de spil of columella gelegen is. Zie ook: Apertura (mollusken). - Concentrisch Buikpotigen en tweekleppigen (1) Wordt gebruikt om de oppervlaktesculptuur van een schelp te beschrijven. Een concentrische sculptuur bestaat uit elementen die evenwijdig aan de windingsrichting van een slakkenhuis, of de onderrand van een schelp verlopen. (2) De groeilijnen van een operculum kunnen concentrisch gerangschikt zijn als de groei van het operculum in alle richtingen min of meer gelijkmatig plaatsvindt. Elke groeilijn verloopt dan min of meer cirkelvormig en wordt omringd door een grotere concentrische groeilijn. Spitse moerasslak, Alikruik, Venusschelp Conchologie Weekdieren De studie van de schelpen van weekdieren Conchyoline Weekdieren Een hoornachtige aan chitine verwante stof die meestal een bruinige tint heeft. Conchyoline wordt gebruikt ter versteviging van het kalkskelet van weekdieren. Verder is het een hoofdbestanddeel van het periostracum, hoornachtige operculums, de gladius van Pijlinktvissen en organen zoals de radula en de 'snavel' bij bepaalde inktvissen (Zeekatten). - Crenulatie Tweekleppigen Zie: gecrenuleerd. -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Depostifeeder Weekdieren Pipetteerder Dorsaal Weekdieren De rugzijde van een voorwerp of dier (dorsale zijde) Doublet Tweekleppigen Beide schelphelften van een tweekleppige die nog met de slotband aan elkaar verbonden zijn. De term wordt eigenlijk alleen bij tweekleppigen gebruikt waar het dier niet meer in zit. Beide kleppen van een doublet raken na verloop van tijd meestal los van elkaar. De twee schelphelften worden ook wel 'losse klep' genoemd. - Dwarsrib Buikpotigen Een sculptuurelement. Min of meer verticaal verlopende rib. -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Eelt Weekdieren Zie: Callus. - Epidermis Weekdieren Opperhuid of periostracum. - Epifragma Buikpotigen Een dekseltje van verhard slijm, waarmee de mondopening van een slakkenhuis tijdelijk wordt afgesloten als het dier lange tijd inactief is (bijvoorbeeld tijdens de winterslaap of gedurende een lange periode van droogte). Als temperatuur of vochtigheid weer gunstig zijn, dan wordt het dier weer actief. Het epifragma wordt dan afgeworpen en vaak (deels) opgegeten. Het epifragma is wit van kleur, structuurloos en kan vliezig zijn maar ook min of meer verkalkt. Komt niet bij soorten voor die al een operculum hebben. Wijngaardslak, Tuinslak Escutcheon Tweekleppigen Rugveld of area. -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Funiculus Buikpotigen Een afgeronde knik die de basis van de winding scheidt van de zijkant. Wenteltrap

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Gapen Tweekleppigen Een tweekleppige 'gaapt' als beide kleppen niet overal op elkaar aan sluiten bij een dichte schelp. Strandgaper Gecrenuleerd Tweekleppigen gekarteld, van inkepingen voorzien. Sommige tweekleppigen hebben een gecrenuleerde onderrand. Zaagje Gladius Inktvissen Veervormige hoornachtige inwendige schelp Pijlinktvis Glochidium Tweekleppigen De larven van de grote zoetwatermossels (Unionidea). Zie Glochidium. - Groeilijnen Weekdieren Lijnen, meestal alleen te zien op het buitenoppervlak en evenwijdig verlopend aan de groeirand van de schelp. Groeilijnen worden veroorzaakt door korte perioden van rust in de groei. Wordt ook wel wat ruimer opgevat omdat fijne ribbelsculptuur eveneens voor groeilijnen worden aangezien. - Gruis Algemeen Een opeenhoping van schelpen, schelpfragmenten en ander materiaal op een strand, door golfwerking geconcentreerd. -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Halfgeknot Tweekleppigen Als van een schelp van een tweekleppige de ene kant meer is afgerond dan de andere. Halfgeknotte strandschelp Heterodont slot Tweekleppigen Een type slot met verschillend gevormde tanden, vaak bestaand uit cardinale tanden direct onder de umbo die aan beide zijden geflankeerd worden door de laterale tanden. Kokkel, Halfgeknotte strandschelp. Hypoplax Tweekleppigen Een van de accessorische schelpstukken. - Hypostracum Weekdieren De binnenste laag van de schelp. De weekdierschelp bestaat uit kalk (Calciumcarbonaat) die in verschillende lagen, ieder met een eigen structuur, is afgezet. Het hypostracum, de binnenste laag van de schelp, waar het dier dus tegenaan ligt, bestaat vaak uit parelmoer. -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Involuut Buikpotigen Als de apex van een slakkenhuis niet uitsteekt boven alle andere windingen maar verzonken ligt, en daarnaast elke winding de voorgaande winding (zowel aan de onder- als aan de bovenzijde van de schelp) omvat, dan is de schelp involuut. - Iriserend Algemeen veelkleurig, alle kleuren van de regenboog vertonend. Onder verschillende hoeken bekeken, vertonen zich andere kleuren. Binnenkant van Platte zwanenmossel

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Juveniel Algemeen Jong, onvolwassen, niet volgroeid (Zie ook adult) -

Term Van toepassing op Verklaring Voorbeeld(en) Kauwplaten Weekdieren Kalkachtige wrijfplaten in de maag van sommige huisjesslakken. Gebruikt om voedsel meet te vermalen Scaphander Kiel Weekdieren Zie: Carina. - Klep Tweekleppigen Ook: Losse klep, een van de twee schelphelften van een tweekleppige. - Knobbel Buikpotigen en tweekleppigen Een sculptuurelement. Een afgerond uitsteeksel, niet veel hoger dan breed. Zie ook: Apertura (mollusken). -