thumb|300px|Hypothetische situatie van de verspreiding van Indo-Europese talen rond 2000 v.Chr. De touwbekercultuurhorizon heeft een gele ondergrond. Het gebied waar de satemisering begonnen is wordt donkerrood weergegeven en valt hier samen met de Sroebna- en de Sintasjta-Abasjevoculturen. thumb|300px| Kentum- en satemtalen was een verouderde onderscheiding in de historische taalwetenschap. Aan het begin van de 21e eeuw speelt het geen rol meer.

De omvangrijke Indo-Europese talenfamilie werd traditioneel onderverdeeld in twee grote groepen, de westelijke kentumtalen en oostelijke satemtalen. De benamingen zijn afgeleid van de Latijnse en Avestische woorden voor 'honderd', resp. centum () en satem .

Aan dit onderscheid werden vroeger belangrijke kenmerken verbonden, maar de vondst van oude of geïsoleerde talen zoals het Luwisch, Hettitisch en Tochaars wijst op een complexere evolutie langs meerdere ontwikkelingslijnen. Tochaars en Hettitisch werden namelijk gesproken in het oosten van het vermoede Indo-Europese taalgebied, hoewel ze kentumtalen waren. Aan de waarde van een specifieke beschrijving van veranderingen die zouden hebben geleid tot de Kentumgroep wordt getwijfeld. Daarentegen wordt algemeen geaccepteerd dat er in de vroege ontwikkeling van het Indo-Europees een klankwet werkzaam was waardoor in de talen waaruit zich het Sanskriet, het Iraans, het Slavisch en andere zogenaamde satemtalen vormden, de oorspronkelijke Proto-Indo-Europese palatovelaren veranderden in sibilanten (sisklanken). Deze ontwikkeling staat bekend als satemisering en kan worden teruggevoerd tot een kerngebied ten noorden van de Zwarte Zee, dat overeenkomt met de verspreiding van de jamnacultuur en dat geïdentificeerd is als de bakermat van de Indo-Iraanse volkeren.

Isoglosse De kentum-satemscheidslijn is de belangrijkste isoglosse van de Indo-Europese taalfamilie. Hierdoor werden twee hoofdgroepen afgebakend waarvan de namen zijn afgeleid van woorden voor het getal honderd, dat zich vanuit het Proto-Indo-Europese (PIE) * ontwikkelde tot respectievelijk het Latijnse centum en het Avestische . Het onderscheid concentreert zich rondom de evolutie uit het Proto-Indo-Europees van ten minste twee verschillende series velaren (veelal gutturale consonanten): de palatiovelaren (*ḱ, *ǵ en *ǵʰ) en de labiovelaren (*kʷ,*gʷ,*gʷʰ). Voor het Proto-Albanees en in het LuwischCraig Melchert, 'Proto-Indo-European velars in Luvian', in: Calvert Watkins (red.), Studies in Memory of Warren Cowgill (1929-1985): Papers from the Fourth East Coast Indo-European Conference, Cornell University, June 6-9, 1985, Berlijn/New York: de Gruyter, 1987, p. 182–204. zijn aanwijzingen gevonden dat er een onafhankelijke derde groep ‘gewone’ velaren (*k, *g en *gʰ) kan hebben bestaan, die dan vervolgens bij de kentumtalen zouden zijn samengesmolten met de PIE-palatovelaren en bij de satemtalen met de PIE-labiovelaren. Echter, behalve dat er te weinig gegevens bestaan om een dergelijke fundamenteel gescheiden ontwikkeling van de twee taalgroepen te kunnen afleiden, kan de ontwikkeling van de satemgroep uitstekend buiten de voorafgaande aanwezigheid van zo'n derde groep velaren. Algemeen wordt aangenomen dat de satemgroep zich heeft losgemaakt van de overige groepen, aangeduid als kentumtalen, door de velaren te palataliseren en vervolgens te veranderen in s-klanken, terwijl de labiale componenten van de PIE-labiovelaren verloren gingen en deze zich daarmee tot velaren ontwikkelden.

De kentumtalen omvatten de Italische talen / Romaanse talen, de Keltische talen, de Germaanse talen, het Grieks en mogelijk een aantal uitgestorven groepen waarvan maar weinig bekend is, zoals de Venetische talen, het vroegere Macedonisch en misschien de Illyrische talen. Het Tochaars had alle velaren-series samengevoegd en bewaard als velaren, en wordt op deze grond geclassificeerd bij de kentumgroep, zonder dat duidelijk is in welk stadium de PIE-labiovelaren zich tot velaren ontwikkeld hebben. De Anatolische talen hebben duidelijk kentumeigenschappen, maar worden vanwege een groot aantal goed gedocumenteerde archaïsche eigenschappen ook wel beschouwd als een aparte subgroep.

De satemtalen omvatten de Indo-Iraanse talen en het Balto-Slavisch (Baltische talen en Slavische talen). Verder worden gewoonlijk een aantal slecht gedocumenteerde uitgestorven talen tot de satemgroep gerekend, zoals de talen van de Thraciërs, de Daciërs en de Frygiërs. De classificatie van de Armeense taal als satemtaal is omstreden, omdat er sprake kan zijn van een secundaire assibilatie zoals die bv. ook in het Frans is opgetreden, maar het bewijs dat de sibilanten uit PIE-palatovelaren in plaats van uit een samengesmolten groep PIE-velaren/labiovelaren ontstaan kunnen zijn, berust op gegevens van te weinig woorden. Het Albanees gold traditioneel als een satemtaal en staat het dichtst bij de Balto-Slavische groep, maar wordt vanwege een aantal zeer archaïsche eigenschappen tegenwoordig liever in een aparte subgroep geplaatst.

Ongeacht of het verschil in kentumtalen en satemtalen voortkwam uit taal- of omgevingsfactoren, werd het onderscheid lang gezien als een vroege opsplitsing van het PIE in een westelijk en een oostelijk gebied. De ontdekking van de Tochaarse taal heeft geleid tot de concurrerende opvatting dat de satemisering een innovatie was die vanuit een centraal gebied uitwaaierde over de omringende IE-volkeren, maar daarbij de perifere gebieden in het westen (bv. de Keltische en Italische talen) en oosten (de Tochaarse talen) nooit heeft bereikt.

Indo-Europese expansie versus de expansie van de Satemgroep 300px|thumb|

Indo-Europese migraties volgens het koerganmodel. De migratie naar Anatolië (gemarkeerd met een gestippelde pijl) zou over de Kaukasus of over de Balkan kunnen zijn gegaan.

Volgens de koerganhypothese van Gimbutas, geïllustreerd door bijgaande kaart, waren er een aantal fasen waarin de volkeren ten noorden van de Zwarte Zee, in de Pontisch-Kaspische Steppe van Oekraïne en Zuid-Rusland, zich over het Euraziatische continent verspreidden. Echter, ten westen hiervan, in het gebied dat zich uitstrekt van Nederland tot de bovenloop van de Wolga en de middenloop van de Dnjepr en van Scandinavië tot aan Zwitserland, bevond zich al de neolithische touwbekercultuur, die eveneens geldt als een drager van minstens een deel van de Indo-Europese cultuur. Gemengde grafvondsten van rond 2900 v.Chr. op de grens van de touwbekercultuur en de trechterbekercultuur in Nederland en Jutland suggereren een lokale continuïteit van Indo-Europese volkeren in noordwestelijk Europa die is terug te voeren tot aan het begin van de trechterbekercultuur, variërend van 3500 v.Chr. in Nederland tot ruim 4300 v.Chr. elders. Deze lokale continuïteit doet niet onder voor die van de Indo-Europese volkeren in de steppen, waardoor in archeologische kringen de kurganhypothese als gedeeltelijk achterhaald wordt beschouwd.Pre- & protohistorie van de lage landen, onder redactie van J.H.F. Bloemers & T. van Dorp 1991. De Haan/Open Universiteit. , NUGI 644

Ook is er continuïteit van de touwbekercultuur met de kogelamforacultuur, die eveneens nog belangrijke agrarische elementen bezat en voor het eerst in 3500 v.Chr. in het noorden van Midden-Europa opkwam, vrijwel tegelijk met de koerganvolkeren van de Pontisch-Kaspische steppen.

Vooral Alexander Häusler heeft zich afgezet tegen elke mogelijke culturele band tussen deze twee cultuurgebieden. Evzen Neustupný heeft zich stelselmatig verzet tegen de opvatting dat de touwbekercultuur een uitheems element in Noord-Europa vertegenwoordigde en suggereerde een lange lokale voorgeschiedenis die kon worden teruggevoerd tot het vroege neolithicum en de kopertijd. Over de kwestie bestaat nog geen enigheid. Buchvaldek merkte verwantschap op tussen de touwbekercultuur en de jamnacultuur en suggereert een gezamenlijk herkomstgebied vanuit een onbekend middelpunt tussen Wisła en Dnjepr. Anderen suggereerden dat de Baalbergse groep (4300-4000 v.Chr.) in centraal Duitsland en Bohemen een inheemse overgangscultuur was tussen de Noord-Europese trechterbekercultuur en de kogelamforacultuur.

Overigens was er volgens de koerganhypothese van Gimbutas niets wat tegen een lokale ontwikkeling van de touwbekercultuur van Noord-Europa pleit, zij het dat volgens haar een heersende klasse vanuit de Pontisch-Kaspische steppen al deze culturen heeft ver-Indo-Europeaniseerd in een proces dat al moet zijn ingezet tijdens de jamnacultuur. Lichardus adopteerde het oude idee dat de trechterbekercultuur uit het oosten kwam en wees als oorsprong zowel de Dnjepr-Donetscultuur als de Sredny Stogcultuur aan, hetgeen weer even hard werd ontkend door sovjet-archeologen.

Uiteindelijk sloot Gimbutas niet uit dat de "eerste migratiegolf" van steppenvolkeren die tussen 4500-4000 v.Chr. Zuidoost-Europa hybridiseerde een domino-effect had op de ontwikkeling van meer westelijk gelegen volkeren. Mallory gaf toe dat deze theorie niet verkeerd was, maar dat er onvoldoende bewijs was om zulke processen te kunnen evalueren. Anno 2007 is deze zogenoemde koerganisering is taalkundig nog altijd een zeer schaars beschreven proces en archeologisch nog altijd onvoldoende ondersteund door vondsten die zouden wijzen op grootschalige vermenging met volkeren afkomstig uit de steppen.

De massale overgang van de vroege Indo-Europeanen naar herdersvolken verliep over een enorm gebied en is snel verlopen. In Nederland spreekt men over hoogstens twee generaties, onder invloed van (religieuze, sociale of economische) impulsen van trechterbekervolkeren uit Oost-Duitsland (de Baalbergecultuur). Van deze herdersvolkeren zijn geen duidelijke nederzettingen bekend, maar de archeologische vondsten wijzen op een sterk gewijzigde religie, een patrilineaire samenleving en kenmerken die typisch zijn voor een strijdbaar volk. In het oosten werd deze cultuur vertegenwoordigd door de jamnacultuur, die veel kenmerken gemeen heeft met de westelijke touwbekerculturen zonder dat deze twee culturen gelden als wederzijds van elkaar afleidbaar.

Het door Gimbutas geschetste beeld van op paarden binnenvallende nomadische herdersvolkeren uit de Pontisch-Kaspische steppen die in scherp contrast stonden met de meer sedentaire volkeren in het westen, werd genuanceerd door Renfrew,Renfrew, C. 1999. Time Depth, Convergence Theory and Innovation in Proto-Indo-European: "Old Europe" as a PIE Linguistic Area, Journal of Indo-European Studies, 27 (3-4): p258-293 die stelde dat zulke ruiters pas voor het eerst rond 1000 v.Chr. op het Europese toneel verschenen. Katrin KellKrell, Kathrin S. 1998. "Gimbutas' Kurgan-PIE Homeland Hypothesis: A Linguistic Critique". In Roger Blench and Mathew Spriggs (eds.) Archaeology and Language, II:267-289. London: Routledge. wees erop dat het PIE getuigt van een aanzienlijke ontwikkeling op het gebied van de landbouw, alsook van een meer sedentaire leefwijze. Ook Mallory stelt dat de ontwikkeling naar het nomadische pastorale bestaan secundair moet zijn geweest. Of deze argumenten de jamnacultuur heeft gediskwalificeerd als unieke PIE-Urheimat of dat zulke diskwalificatie zou berusten op een verkeerde beeldvorming, feit is dat er een neiging bestaat om de werkelijke Urheimat verder terug in de tijd te zoeken, naar een cultuur die minder exclusief van de steppen was.