De geschiedenis van Scandinavië is de gemeenschappelijke geschiedenis van de Scandinavische landen— Denemarken, Noorwegen en Zweden, Finland en IJsland.
Prehistorie In het zeer bosrijke Scandinavië had men weinig behoefte om werktuigen uit mineralen te maken. Bijgevolg resten er ons maar weinig overblijfselen uit Scandinavië daterend uit de steen-, brons- of ijzertijd behalve enkele werktuigen uit steen, brons en ijzer, wat juwelen en versieringen en steenmannen (begraafplaatsen). Gelukkig bezitten we ook een wijdverspreide en rijke verzameling aan rotstekeningen, die ook wel petrogliefen worden genoemd.
Steentijd
Laat-paleolithicum Terwijl het ijs zich terugtrok, graasden rendieren over de vrijkomende toendravlaktes van Denemarken en het meest zuidelijke Zweden. Mensen van de Hamburgse cultuur leefden en jaagden in grote gebieden van zo'n 100.000 km². Zij volgden de seizoensgebonden migraties van rendieren over de kale toendra. In dit gebied was er weinig vegetatie, behalve arctische witte berk en lijsterbes. Langzaam verscheen er een taiga-bos.
Rond 13.400 jaar geleden ontstond de Brommecultuur in Zuid-Scandinavië. Tijdens dit tijdperk warmde het klimaat sneller op waardoor het gebied ook geschikt werd voor ander wild dan rendieren. Dit bood ook de Brommecultuur de kans zich permanent te vestigen in een veel groter deel van Zuid-Scandinavië (en het zuidelijke Baltische gebied).
Lokale klimaatveranderingen rond 12.500 jaar geleden veroorzaakten culturele veranderingen en maakten de eerste vestiging van mensen in de noordelijke delen van Scandinavië mogelijk. Een duizend jaar durende koudere periode zorgde dat de taiga weer vervangen werd door toendra. Mensen leefden ook hier van de rendierjacht, en waren deel van de Ahrensburgcultuur. Rond 11.500 jaar geleden brak het pre-boreale tijdperk aan toen het lokale klimaat opnieuw opwarmde. Dit bood mensen van de Ahrensburg de mogelijkheid om zich op de opkomende toendra van Noord-Scandinavië te vestigen. Hierna brak het Boreaal aan in Scandinavië.thumb|Een pijlpunt uit de Agrensburgcultuur.
Mesolithicum
In het 7e millennium v.Chr., toen het rendier en de jagers zich richting noordelijke Scandinavië hadden begeven, begonnen er bossen in het gebied te ontstaan. Een cultuur, Maglemosecultuur genaamd, was gevestigd in Denemarken en Zuid-Zweden, en ten noorden daarvan, in Noorwegen en meest zuidelijk gelegen gebied van Zweden ontstond de Fosna-Hensbackacultuur, die voornamelijk langs de rand van de bloeiende bossen was gevestigd. Het gebruik van vuur, boten en stenen werktuigen liet deze mensen uit de steentijd toe te overleven in noordelijk Europa. De Scandinavische jagers-verzamelaars volgden de kuddes en de zalmtrek, zich naar het zuiden begevend tijdens de winter, en opnieuw naar het noorden tijdens de zomer. Deze vroege volkeren hadden culturele tradities die leken op die uit andere gebieden in het verre noorden – waaronder het huidige Finland, Rusland en over de Beringstraat in de noordelijkste landstrook van Noord-Amerika (delen van het huidige Alaska en Canada).
Tijdens het 6e millennium v.Chr., was zuidelijk Scandinavië bedekt met gematigd loofbos en gemengd bossen. In deze bossen leefden dieren zoals de oeros, wisent, eland en het edelhert. Stammen, wiens cultuur Kongemosecultuur wordt genoemd, leefden van de jacht op deze dieren. Zoals hun voorgangers, jaagden zij ook op zeehonden en visten in de visrijke waters. Ten noorden van de Kongemosecultuur, leefden in het meest zuidelijke gebied van Noorwegen en Zweden andere jager-verzamelaars, wiens cultuur Nøstvet- en Lihultcultuur wordt genoemd, nakomelingen van de Fosna-Hensbackacultuur. Deze mensen jaagden nog steeds aan het einde van het 6e millennium v.Chr. in hun gebied, toen in het zuiden de Kongemosecultuur door de Ertebøllecultuur werd vervangen.
Analyse van DNA uit menselijke resten heeft aangetoond dat de jager-verzamelaars die in het zuiden en noorden van Scandinavië woonden twee genetisch verschillende groepen vormden die in ten minste twee afzonderlijke migratiegolven in Scandinavië arriveerden. Mensen in het zuiden waren onderdeel van de Westelijke Jager-Verzamelaars (Western Hunter-Gatherers, WHG), die ook in grote delen van west en zuid-west Europa leefden. Mensen in het noorden waren gerelateerd aan de Oostelijke Jager-Verzamelaars, afkomstig uit gebied van de bovenloop van de Wolga in het huidige Rusland. Deze groepen mensen vermengden zich in Scandinavië en vormden zo een unieke groep Scandinavische Jager-Verzamelaars.
Neolithicum
Tijdens het 5e millennium v.Chr. leerden de Ertebøllemensen pottenbakken van de naburige stammen in het zuiden, die begonnen waren het land en dieren te cultiveren. Ongeveer 6.000 jaar geleden migreerden mensen van de megalithische trechterbekercultuur via het huidige Denemarken naar Scandinavië en vervingen de mensen van de mesolitische jager-verzamelaarcultuur. Deze mensen waren gerelateerd aan mensen van neolitische culturen in de rest van Europa en Anatolië. Deze culturen leefden een agrarisch bestaan. De overgang van het jager-verzamelaarbestaan naar een agrarisch bestaan was mogelijk door een stabilisatie van het klimaat, en wordt aangeduid als de Neolitische Revolutie.
Rond 5.200 jaar geleden verscheen er wederom een nieuwe jager-verzamelaarcultuur in Scandinavië. Dit was de pitted-warecultuur. Mensen die tot deze cultuur behoorden waren genetisch nauw verwant aan de jager-verzamelaars van het Mesoliticum. Er is niet veel bekend over interacties tussen deze twee culturen, maar in ten minste één nederzetting zijn voorwerpen van beide culturen gevonden, de Alvastra paalnederzetting.
thumb|Bootvormige strijdbijl uit Närke.Het is onbekend welke taal deze vroege Scandinaviërs spraken, maar naar het einde van het 3e millennium v.Chr. toe, werden zij overrompeld door nieuwe stammen waarvan vele geleerden menen dat deze Proto-Indo-Europees spraken, de strijdbijlcultuur. Deze nieuwe volken trokken verder naar Uppland tot aan de Oslofjord en zij legden vermoedelijk de basis voor de taal die de voorouder van de moderne Scandinavische talen zou zijn. Deze nieuwe stammen waren individualistisch en duidelijk patriarchaal met de strijdbijl als een viriel symbool. Zij waren herders van vee en met hun komst trad het grootste deel van zuidelijk Scandinavië het neolithicum in.
Aan het einde van het Neolithicum nam de bevolking sterk af. Dit wordt de "Neolithische achteruitgang" genoemd. Onderzoek van grafvelden heeft aangetoond, dat in die periode de pest rondwaarde in het hoge noorden.https://www.nature.com/articles/s41586-024-07651-2
Spoedig zou echter een nieuwe uitvinding haar weg naar Scandinavië vinden, die een periode van culturele vooruitgang in de regio zou inluiden: de bronstijd.
Bronstijd
thumb|left|Petrogliefen van Scandinavië (Häljesta, Västmanland in Zweden). Composietbeeld. Bronstijd. De gliefen zijn geschilderd om hen zichtbaarder te maken. Het is onbekend of zij oorspronkelijk werden geschilderd of ingekerfd. Hoewel de Scandinaviërs tamelijk laat door middel van handel deelnamen aan de Europese bronstijdculturen, vindt men in Scandinavische sites rijke en goed-bewaarde voorwerpen van wol, hout en geïmporteerd Centraal-Europees brons en goud. Tijdens deze periode ontstond in Scandinavië de eerst bekende geavanceerde beschaving in dit gebied, volgend op de steentijd. De Scandinaviërs namen vele Centraal-Europese en mediterrane symbolen over, terwijl ze tegelijkertijd nieuwe stijlen en voorwerpen creëerden. Myceens Griekenland, de Villanovacultuur, Fenicië en het oude Egypte zijn allen beschouwd geweest als mogelijke inspiratiebronnen voor Scandinavische kunstwerken van deze periode. De reden voor de buitenlandse invloed wordt gezocht in de barnsteenhandel, en barnsteen dat in Myceense graven van deze periode wordt gevonden, is teruggevoerd tot de Oostzee. Enkele rotstekeningen beelden boten af en de grote steenformaties bekende als steenschepen doen vermoeden dat scheepvaart een belangrijke rol speelde in het leven in die periode. Verscheidene petrogliefen beelden boten af die als zeer waarschijnlijk mediterraan geïdentificeerd worden.
Uit deze periode zijn er vele heuvels en velden met rotstekeningen bewaard, maar hun betekenis is sinds lang verloren gegaan. Er zijn ook talrijke bronzen en gouden artefacten. De eerder ruwe vorm van de rotstekeningen in vergelijking met de bronzen kunstwerken heeft geleid tot de theorie dat zij door een verschillende cultuur of verschillende sociale groepen werden gecreëerd. Tijdens de bronstijd bestond er geen geschreven taal in Scandinavië.
Nadat hij gelijkaardige rotstekeningen in Qobustan gebied in Azerbeidzjan zag, ontwikkelde archeoloog en historicus Thor Heyerdahl de hypothese dat de Scandinavische oorsprong kan worden teruggevoerd tot de regio van het huidige Azerbeidzjan. Hij suggereerde eveneens dat, op basis van de Noorse mythologie en een 13e-eeuws verhaal, de Scandinavische hoofdgod Odin eigenlijk een oorsprong kent in Azerbeidzjan en vandaaruit naar Scandinavië kwam., Scandinavian Ancestry. Tracing Roots to Azerbaijan, in Azerbaijan International 8 (2000), pp. 78-83.
De noordelijke bronstijd werd door een warm klimaat gekarakteriseerd (die met dat van de Middellandse Zee kan worden vergeleken), wat een betrekkelijk grote bevolkingsdichtheid toestond, maar de periode eindigde met een klimaatsverandering in een verslechterend, natter en kouder klimaat (soms gedacht geleid te hebben tot de legende van de Fimbulwinter) en het schijnt heel waarschijnlijk dat het klimaat de Germaanse stammen naar het zuiden continentaal Europa deed binnentrekken. Tijdens deze periode was er een Scandinavische invloed in Oost-Europa (en duizend jaren later, gaven de talrijke Oost-Germaanse volkeren die zich beriepen op een Scandinavische oorsprong (bijv. Longobarden, Bourgondiërs, Goten en Herulen) het ontstaan aan de naam Scandinavië (Scandza, dat is "baarmoeder van naties" in Jordanes' Getica).
Pre-Romeinse ijzertijd
De bronstijd eindigde zoals gezegd met een verslechterend, kouder en natter klimaat. De pre-Romeinse ijzertijd is bekend doordat het aantal archeologische vondsten voor deze periode zeer pover is. Dit is ook de periode waarin de Germaanse stammen bekend geraken in de mediterrane wereld en aan de Romeinen.
In het begin was ijzer waardevol en werd het slechts voor decoratie gebruikt. De oudste ijzeren voorwerpen waren naalden, maar er zijn ook ijzeren zwaarden en sikkels gevonden. Brons bleef gebruikt worden gedurende heel deze periode, maar werd nu voornamelijk als decoratie gebruikt. De tradities waren een voortzetting van die uit de bronstijd, maar er waren sterke invloeden van de Hallstattcultuur in Centraal-Europa. Zij gingen verder met de bronstijdtraditie van crematie (zie urnenveldencultuur). Tijdens de laatste eeuwen verspreidde de Centraal-Europese La Tène-cultuur zich over Scandinavië vanuit Noordwest-Duitsland en er zijn vondsten voor deze periode uit alle provincies van zuidelijk Scandinavië. Van deze tijd hebben archeologen zwaarden, schildknoppen, speerkoppen, scharen, sikkels, tangen, messen, naalden, gespen, ketels, enz. gevonden. Brons bleef verder gebruikt worden voor torques en ketels, waarvan de stijl een voortzetting van die uit de bronstijd was. Een van de bekendste vondsten is de Dejbjergwagen van Jutland, een vierwielige wagen van hout met bronskleurige onderdelen.
Romeinse ijzertijd
Terwijl vele Germaanse stammen vaak in contact kwamen met de cultuur en de militaire aanwezigheid van het Romeinse Rijk, bevond het merendeel van Scandinavië zich aan de periferie van de Latijnse wereld. Met uitzondering van de korte verwijzingen naar de Zweden (Suiones) en de Gauten (Gautoi), bleef Scandinavië grotendeels onvermeld bij Romeinse auteurs.