De geschiedenis van Eindhoven gaat over de algemene geschiedenis van de Nederlandse stad Eindhoven en het erfgoed van het voor de geschiedenis van de stad belangrijke bedrijf Philips.

Eindhoven is een stad die het centrum vormt van de gemeente Eindhoven. Het betreft een klein oppervlak, vanouds gelegen binnen de oorspronkelijke omwalling: Emmasingel, Keizersgracht, Wal en Vestdijk. Ook het gebied tussen de Kleine Berg en de Grote Berg, dat oorspronkelijk buiten de omwalling lag, behoorde tot de stad Eindhoven. Thans valt het gebied onder stadsdeel centrum. De grens van de (binnen)stad is moeilijk vast te stellen, aangezien het binnenstadsgebied geleidelijk vastgebouwd is aan de oorspronkelijke randgemeenten. Bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog en latere verkeersingrepen hebben de structuur verder verstoord. Het gebied binnen de rondweg, een nog veel groter gebied, wordt ook wel met (binnen)stad aangeduid.

thumb|300px|Eindhoven rond 1500

Eindhoven tot 1232 Eindhoven ontstond op een hoger gelegen terrein tussen de riviertjes de Dommel en de Gender. Daarnaast stroomde vroeger nog de Laak vanuit het oosten de Dommel in, terwijl stroomopwaarts, binnen het huidige stadsgebied, de Tongelreep in de Dommel stroomt.

Er zijn in de omgeving van Eindhoven weliswaar veel archeologische voorwerpen opgegraven uit de steentijd, de bronstijd en de Romeinse tijd, maar permanente bewoning trad waarschijnlijk pas sinds de 8e eeuw op. Geleidelijk ontstond een knooppunt van wegen dat zowel militair als economisch van belang was. Hoewel in oudere geschiedschrijvingen, zoals die van Tops en Verschueren (1946) nog wordt uitgegaan van het bestaan van een kleine, versterkte stad vóór 1232, zijn daar geen archeologische aanwijzingen voor, zodat men tegenwoordig aanneemt dat de stad gesticht werd en daarna in korte tijd werd gebouwd. Het regelmatige stratenpatroon, dat nog voor een belangrijk deel intact is, getuigt hiervan. Eindhoven moet dan ook gezien worden als een gestichte (en niet geleidelijk gegroeide) nederzetting binnen de stedenpolitiek van Hertog Hendrik I van Brabant die ertoe diende om de hertogelijke macht in dit pas omstreeks 1203 verworven randgebied te bevestigen en de handel te bevorderen. Eindhoven lag immers op het knooppunt van belangrijke handelswegen: van 's-Hertogenbosch naar Luik en van Antwerpen naar Duitsland. Vermoedelijk wilde de hertog ook de textielnijverheid bevorderen door de stichting van markten en overige bedrijvigheid. Een probleem bij de studie van het ontstaan van Eindhoven is het vrijwel ontbreken van geschreven bronnen, daar die bij een stadsbrand in 1486 verloren zijn gegaan.

Vanaf 1232 tot 1648 Eindhoven kreeg al in 1232 vrijheidsrechten en marktrecht van hertog Hendrik I van Brabant. Dit betekent dat er toen al een stad moet zijn geweest. Omstreeks deze tijd werd in de Kempen een netwerk van steden opgezet, met het doel om het gebied economisch te ontwikkelen.

De kerk De kerk, gewijd aan Catharina van Alexandrië, bestond reeds in de 12e eeuw, maar ze werd pas in 1340 voor het eerst genoemd. Dit was een dochterkerk van de dekenale Sint-Petruskerk te Woensel. Deze kerk werd in 1399 verheven tot kapittelkerk. Daarnaast kende ze een beeld van Maria Presentatie, dat doel was van bedevaarten. De kerk werd in brand gestoken door de Geldersen in 1486. Na de herstelwerkzaamheden, die zich voortsleepten van 1489-1515, waaide in 1526 de toren om, terwijl in 1543 de stad en de kerk werden geplunderd door Maarten van Rossum. In 1554 was er opnieuw een stadsbrand waarbij de kerk grote schade opliep. Het beeld van de Maria Presentatie werd in 1566 tijdens de Beeldenstorm vernield, doch daarna weer hersteld. In 1648 werd de kerk onttrokken aan de katholieke eredienst en het werd in dat jaar, nadat beelden waren verwijderd en het interieur was gewit, een protestantse kerk. Toen de Fransen kwamen werd de kerk achtereenvolgens rechtszaal, paardenstal en bakkerij, woonhuis en militair magazijn.

In 1798 kregen de katholieken hun kerk terug, die in 1810 opnieuw werd ingewijd. In 1836 kwam ook de toren in bezit van de parochie. De kerk werd echter te klein bevonden, en men besloot een nieuwe te bouwen, waartoe in 1859 een noodkerk in gebruik werd genomen. Bij de sloop van de oude kerk hield men nauwelijks rekening met het verleden. In 1861 werd de eerste steen van de nieuwe kerk gelegd, en in 1867 werd ze in gebruik genomen. Dit betrof de huidige neogotische Sint-Catharinakerk. Deze werd ontworpen door Pierre Cuypers en valt op door een koor naar het westen. Tussen 2004 en 2006 werd het koor van de middeleeuwse St.-Catharinakerk met de daarin en eromheen begraven stoffelijke overblijfselen, opgegraven onder leiding van de Eindhovense stadsarcheoloog Nico Arts.

De heerlijkheid thumb|245px|right|Villa Ravensdonck anno 2008 Omstreeks 1100 bestond in de buurt van het latere Eindhoven een motteburcht, die ook zetel werd van de heren van Eindhoven. Dit kasteel werd Die Hage genoemd.

Geslacht Van Cranendonck In 1232 was Eindhoven nog in het bezit van hertog Hendrik II van Brabant, maar de heerlijkheid Eindhoven werd vermoedelijk in 1282 uitgegeven aan Willem, heer van Cranendonck. Toen ontstond ook het stadszegel met de drie hoorns, dat verwijst naar het geslacht Cranendonck en dat nog altijd het stadswapen siert.

In 1388 wordt Willem van Milberg als heer van Eindhoven genoemd. Deze versterkte de omwalling en stichtte het kapittel.

Geslacht Van Schoonvorst Van 1412-1434 trad Jan van Schoonvorst als heer van Eindhoven op. Hij was tevens burggraaf van Montjoie (Monschau), en heer van Cranendonck en Diepenbeek. Deze richtte in 1419 de gilden op en liet in 1420 een nieuw kasteel bouwen, het Kasteel van Eindhoven, op de plaats waar nu Villa Ravensdonck staat. Bij het oude kasteel verrees klooster Mariënhage, dat ook tegenwoordig nog bestaat. Het nieuwe kasteel lag binnen de stadsomwalling en maakte deel uit van de verdediging van de stad. De wallen omsloten de huidige kleine binnenstad en de straatnamen Emmasingel, Vestdijk en Wal herinneren nog aan hun aanwezigheid. De stadsomwalling heeft in totaal vijf poorten gehad, waaronder de Stratumse, Gestelse en Woenselse Poort. De stad was overigens maar klein: een hoofdstraat en een paar zijstraten.

Na de dood van Jan van Schoonvorst in 1434 werd Jacob, heer van Gaasbeek, beleend met Eindhoven, maar na de nodige juridische verwikkelingen kwam de heerlijkheid in 1450 aan Jan van Bensdorf, heer van Sevenborne. In 1460 kwam de heerlijkheid in handen van Maria van Schoonvorst, die haar overdroeg aan Jacob I van Horne, die ook graaf van Horn was. Vervolgens werd in 1470 Jacob II van Horne heer van Eindhoven.

Geslachten Van Egmont en Oranje-Nassau Al na betrekkelijk korte tijd werd de heerlijkheid verkocht ten behoeve van Frederik van Egmont (1483). Na diens dood in 1521 werd hij opgevolgd door zijn zoon Floris van Egmont. In 1486 vond in Eindhoven een grote stadsbrand plaats. In 1539 volgde Maximiliaan van Egmont hem op. In 1548 werd hij opgevolgd door zijn dochter, Anna van Egmont, die gravin van Buren was. Zij trouwde in 1551 met Willem van Oranje. Hun zoon was Filips Willem, die in 1558 na het overlijden van zijn moeder heer van Eindhoven werd. Sedertdien is de heerlijkheid altijd in bezit van het huis Nassau gebleven.

De vestingwallen deden dienst tijdens de invallen van de Geldersen, zoals in 1397, toen deze het beleg van de Geldersen weerstonden. In 1583 werd de omwalling afgebroken op last van de hertog van Parma. Het kasteel raakte later in verval en in 1676 werden de laatste bovengrondse resten ervan gesloopt. De fundamenten van dit kasteel zijn nog aanwezig onder Villa Ravensdonck. Naar de inhoud van de slotgracht is omstreeks 2002 archeologisch onderzoek verricht.

Oorlogsgeweld Gelderse Oorlogen

Tegen het einde van de 15e eeuw vonden er diverse gewelddadigheden plaats die een gevolg waren van de internationale politiek. Zo bevonden zich troepen van Maximiliaan van Oostenrijk in de regio, die zich zodanig misdroegen dat de bevolking hiertegen ten strijde trok, waarbij 250 burgers sneuvelden. Door diplomatie kwam een eind aan dit treffen.

In 1486 vielen de Arenbergers, die bondgenoten van Gelre waren, de stad aan en staken deze in brand; er bleven niet meer dan zes huizen (op de Grote Berg) gespaard. In 1493 kwam opnieuw een bende Gelderse ruiters voorbij, die nu echter naar Hamont trok. In 1505 kwamen de Geldersen opnieuw, evenals in 1508. De stad Eindhoven werd gespaard omdat deze goed verdedigd was. De dorpen in de omgeving werden echter bij herhaling verwoest. In 1528 werd een grote slag tegen de Geldersen geleverd, waarop dezen werden teruggedreven. In 1543 nam Maarten van Rossum de stad in en plunderde deze, om vervolgens ook het kasteel Cranendonck in te nemen. Pas toen versterkingen onder Willem van Oranje naderden, trok hij zich terug.

Vervolgens brak een pestepidemie uit, terwijl in 1554 een stadsbrandHet lijkt niet onwaarschijnlijk dat deze stadsbrand iets te maken had met de activiteiten van de heer van Rossum in hetzelfde jaar uitbrak, die zich ten gevolge van de rieten daken snel uitbreidde en een groot deel van de stad verwoestte. Hierna werden bouwverordeningen opgesteld.

Tachtigjarige Oorlog thumb|300px|Eindhoven tijdens de Tachtigjarige Oorlog

De Reformatie bracht geleidelijk aan onrust. In het klooster Mariënhage bevonden zich vele 'ketters', die echter vaak getolereerd werden door het stedelijk gezag, maar waar onder keizer Karel V en vooral onder Filips II jacht op werd gemaakt. Daarnaast zaaide het prinsbisdom Luik, dat het Bisdom 's-Hertogenbosch van Franciscus Sonnius niet wilde erkennen, de nodige verdeeldheid. Diverse hooggeplaatsten, waaronder een aantal schepenen en de kapitteldeken, Goyart van den Berge, sympathiseerden met de reformatorische religie en in 1566 werd vanaf de preekstoel tot de beeldenstorm opgeroepen, die prompt werd uitgevoerd. Ondertussen was in 1567 Alva in de Nederlanden gearriveerd om orde op zaken te stellen. Er werd een lijst van 30 namen opgesteld. Dezen werden uit het land verbannen. Filips Willem werd naar Spanje ontvoerd. De instellingen werden gezuiverd en koningsgetrouwen werden aangesteld. Er werden ook koningsgezinde troepen gelegerd, waarvoor men moest betalen en die zich slecht gedroegen.

Ondertussen begonnen ook prinsgezinde troepen het land af te schuimen. Daarnaast bleef in de stad de sympathie voor de Reformatie wijdverbreid. Bisschop Laurentius Metsius beval Requesens, die Alva als landvoogd had vervangen, maatregelen aan om de onrust te keren. Dit hielp echter weinig. Ook de doopsgezinden waren ondertussen actief in de stad. Er werd weinig tegen verricht en de troepen van Willem van Oranje namen in kracht toe. In 1577 namen prinsgezinde troepen de stad in, die werd geplunderd. In 1578 volgde een nieuwe plundering, nu door Spaanse troepen. Ook vond er op de Oirschotse Heide een veldslag plaats, waarbij de prins werd verslagen. Daarna waren de Spaanse troepen weer elders nodig, en er arriveerden Waalse troepen, onder commando van Haultepenne (Claudius van Barlaymont), ter aflossing. Dezen kregen echter te weinig soldij en misdroegen zich. Hierdoor werd de bevolking weer prinsgezind en er werd een complot gesmeed, waarin de heer van Blaarthem een rol speelde. Dit werd echter opgerold.

In 1581 werd Eindhoven ingenomen door Staatse troepen onder leiding van La Guarde. Doch Haultepenne kreeg bevel om de stad te heroveren, en er volgde een beleg waarbij ook Spinola betrokken was. De Staatsen staken Mariënhage in brand. Uiteindelijk werd de stad ingenomen, en de Staatsen kregen vrije aftocht. In 1582 echter, maakten de Staatsen, onder leiding van Kapitein l'Espine, zich door insluiping opnieuw van de stad meester. Nu kregen de Spanjaarden vrije aftocht.