Sinocalliopteryx gigas is een vleesetende theropode dinosauriër, behorend tot de groep van de Coelurosauria, die tijdens het Vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige China.

Vondst en naamgeving De soort is in 2007 benoemd en beschreven door Ji Shu'an, Ji Qiang, Lü Junchang en Yuan Chongxi. De geslachtsnaam is afgeleid van Sinae, Latijn voor de Chinezen en het Oudgriekse καλός, kalos, "schoon", en πτέρυξ, pteryx, "vleugel". De soortaanduiding betekent "reus" in het Latijn, een verwijzing naar de grote lichaamsomvang in vergelijking met verwante soorten.

Het fossiel, holotype JMP-V-05-8-01, is gevonden bij Hengdaozi, Sihetun, in de provincie Liaoning, in de Jianshangoulagen van de Yixianformatie (Jehol-groep) uit het Barremien-Aptien, ruwweg 125 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrijwel compleet skelet met schedel, samengedrukt op een enkele plaat. Het heeft zo'n uitstekende staat van conservering dat ook de lichaamsbedekking in de vorm van "protoveren" bewaard is gebleven. In de buikholte bevonden zich tevens vier gastrolieten: maagstenen. Het betreft een volwassen individu.

In 2012 werd een tweede specimen vermeld, CAGS-IG-T1, dat aan een Sinocalliopteryx sp. was toegewezen. Hetzelfde jaar werd het in detail beschreven. Het omvat de schedel, een stuk staart, handen, voeten en de buikholte. In veel details kan het het holotype aanvullen, vooral omdat het minder extreem is platgedrukt. Ook dit tweede exemplaar heeft resten van een lichaamsbedekking bewaard, in de vorm van lange filamenten op de staart. Opnieuw gaat het om een volwassen individu.

Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Sinocalliopteryx is een relatief grote tweevoetige compsognathide roofsauriër. De beschrijvers bepaalden de lichaamslengte op 237 centimeter. In 2010 schatte Gregory S. Paul het gewicht op twintig kilogram. Sinocalliopteryx heeft lange ledematen en een langwerpig hoofd. Zijn lichaam maakt zo een wat stakerige indruk. Het tweede specimen, CAGS-IG-T1, is nog groter. De schedelelementen zijn een 10% langer wat wijst op een lichaamslengte van ruim tweeënhalve meter. De voetelementen zijn zelfs een derde langer wat het kenmerk van de lange ledematen beklemtoont. Een dergelijke individuele variatie in de proporties is echter extreem en zou een aanwijzing kunnen zijn dat het toch om een ander taxon gaat of het specimen althans uit een afwijkende evolutiefase stamt van een populatie die in een proces van anagenese aan het veranderen was. De beschrijvers geven als alternatieve verklaring dat het een geval is van allometrie, het veranderen van de proporties tijdens de groei. Die allometrie zou dan positief zijn terwijl zij bij theropoden typisch negatief is: grotere exemplaren hebben juist relatief kortere ledematen.

De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast ten opzichte van de verwant Huaxiagnathus: de grote omvang, het feit dat de achterste tak van de praemaxilla ondanks een aanzienlijke lengte niet boven het niveau van de maxilla uitkomt; een langere ellepijp.

In 2011 bepaalden Cristiano dal Sasso en Simone Maganuco in het kader van hun studie van Scipionyx ook verschillende autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, van Sinocalliopteryx die de soort zou bezitten volgens de door hun berekende fylogenie. Sommige daarvan waren eenduidig en werden in al hun meest waarschijnlijke stambomen gevonden: vergrote foramina aan de buitenzijde van het traanbeen; een zwak ontwikkelde processus olecrani van de ellepijp; de schacht van het zitbeen buigt naar beneden toe; de voorste tak van het jukbeen onder de oogkas is kort en hoog; het opperarmbeen is minder dan half zo kort als het dijbeen; het tweede middenhandsbeen is aan de binnenste bovenkant verbreed; het derde middenhandsbeen heeft minder dan 80% van de lengte van het tweede middenhandsbeen; het tweede kootje van de tweede vinger heeft minder dan 120% van de lengte van het eerste kootje; de tanden van de praemaxilla zijn gekarteld; het raakpunt tussen het jukbeen en het traanbeen ligt hoger dan de onderkant van de oogkas.

Bepaalde kenmerken waren niet eenduidig afwijkend van de naaste verwanten: de onderkant van de hersenpan heeft geen uitholling tussen het basioccipitale en het basisfenoïde; de buikribben hebben zijstukken die korter zijn dan de middenstukken; de voorrand van het voorblad van het darmbeen heeft een kleine inkeping; de praemaxillaire tanden zijn veel kleiner dan de maxillaire.

Skelet

Schedel en onderkaken Het is lastig om de precieze vorm van de schedel van Sinocalliopteryx te bepalen daar die in het holotype van voor naar achteren is samengedrukt wat de illusie geeft van een vrij korte kop. Zoals de beschrijvers het cranium hebben gereconstrueerd is de schedel in feite juist zeer langwerpig. Zijn absolute lengte is met naar schatting 292 millimeter aanzienlijk. Het bovenprofiel is daarbij tamelijk bol. Dat zet zich voort in een naar achteren hellend achterhoofd; men kan zeggen dat dit wat afhangt of juist de snuit ten opzichte van de achterkant van de schedel. Dat de snuit zo lang is, ligt niet aan de praemaxilla die vooraan een korte ronde punt vormt. Dit voorste schedelbot draagt vier tanden die erg kort zijn maar althans grotendeels wel gekarteld: de eerste twee hebben een karteling op hun achterzijde hoewel die geen echte snijrand vormt; bij de vierde is de achterste snijrand van vertandingen voorzien. Erachter ligt het bovenkaaksbeen of maxilla dat het grootste deel van het zijvlak van de snuit uitmaakt. De maxillaire tanden zijn niet door een diasteem gescheiden van de premaxillaire. Ze staan zeer wijd uiteen, met een tussenruimte gelijk aan de breedte van twee tandkassen. Dit kan echter veroorzaakt zijn door het om en om uit de tandkas verdwenen zijn van de tanden: er zijn namelijk maar zes maxillaire tanden per zijde in het holotype aanwezig, een uitzonderlijk laag aantal; ongeveer twaalf is normaal bij Mesozoïsche theropoden van die grootte. Een groter aantal dan zes wordt bevestigd door het specimen CAGS-IG-T1 dat ook een zevende maxillaire tand bewaart en daarbij een totaal van minstens tien tandkassen toont terwijl er nog één of twee meer kunnen zijn geweest. De achterste maxillaire tanden, vanaf de tweede tandpositie, zijn zowel aan hun voorrand als achterrand gekarteld; CAGS-IG-T1 toont drieënhalf tot vier vertandingen per strekkende millimeter. De grootste bekende maxillaire tand heeft een tandbasislengte van negen millimeter. Vanaf de tweede maxillaire tand zijn de tandkronen tamelijk fors en tonen bovenaan een plotse knik naar achteren.

De maxilla heeft een bovenste tak die schuin naar achteren steekt maar niet parallel gaat lopen met de kaakrand. Achteraan begrenst de maxilla de onderkant van de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis. Deze is vrij kort, niet verder naar voren reikend dan de achterste tandposities, en gelegen in zich een veel verder naar voren uitstrekkende verdieping waarin zich vooraan een kleine cirkelvormige tweede opening lijkt te bevinden, de fenestra maxillaris; bij CAGS-IG-T1 schijnt deze echter afwezig te zijn. Ook nog voor deze uitholling bevindt zich nog een aanzienlijk stuk van het bovenkaaksbeen. Boven de maxilla wordt de bovenkant van de snuit gevormd door de neusbeenderen. Tussen het neusbeen en de praemaxilla bevindt zich een lang liggend spleetvormig neusgat. Achteraan vormen de neusbeenderen twee kleine zijdelingse verheffingen op de snuit die bij leven misschien door schubben tot echte hoorntjes gemaakt werden die doorliepen tot op het traanbeen dat bij CAGS-IG-T1 een lage en langwerpige zwelling laat zien. De fenestra antorbitalis wordt achteraan van de oogkas door dit L-vormige traanbeen gescheiden. Dit heeft dus geen duidelijke achterste tak: de voorkant van de bovenzijde van de oogkas wordt gevormd door een klein prefrontale. De oogkas, waarbinnen een scleraalring van minstens tien plaatjes het oog ondersteunde, is relatief klein met een rechte bovenrand en een in een puntige boog uitlopende onderzijde die voor en achter omvat wordt door een stevig jukbeen. De voorste tak daarvan heeft dus een uitloper omhoog richting onderste tak van het traanbeen en maakt een opvallend groot deel uit van de achterrand van de fenestra antorbitalis. De bovenste tak raakt een driestralig postorbitale. Daarachter ligt een vrij smal hellend onderste slaapvenster. De achterste tak van het jukbeen raakt aan een klein quadratojugale waarvan de bovenste tak erg kort is en de naar voren krommende onderste tak van het squamosum. Het meer naar binnen liggende quadratum is rechter en licht hellend.

Als een van de weinige compsognathiden is bij Sinocalliopteryx ook het achterhoofd bekend. Het bovenste been daarvan, het supraoccipitale, draagt een middenrichel aan beide zijden begrensd door uithollingen, de fossae ligamenti nuchae, als aanhechting voor de pezen van de nekspieren.

Bepaalde beenderen van het verhemelte zijn zichtbaar op de plaat van het holotype maar zo sterk bedekt dat afgezien is van een beschrijving. Bij CAGS-IG-T1 zijn meer elementen zichtbaar maar sterk verplaatst zodat hun identificatie problematisch is.

De onderkaken van Sinocalliopteryx zijn niet heel laag ten opzichte van de schedelhoogte maar door de lengte van de kop zijn ze toch langwerpig. Het bovenprofiel is tamelijk vlak. De onderkaak versmalt zeer geleidelijk naar voren toe en buigt in het midden iets omlaag om bij het uiteinde weer wat naar boven te krommen. Er is geen duidelijke opening in de buitenste zijkant. Achter het onderste kaakgewricht steekt het retroarticulair uitsteeksel ver uit. De dentaire tanden zijn vooraan nogal klein; de achterste hebben kartelingen op beide snijranden. De tanden in de onderkaak zijn tamelijk sterk naar achteren gebogen en ook schuin naar achteren gericht.

Postcrania

De wervelkolom van Sinocalliopteryx bestaat uit elf halswervels, twaalf ruggenwervels, vermoedelijk vijf sacrale wervels en minstens negenenveertig staartwervels.

De nek is matig lang met vooraan hoge en achteraan lage doornuitsteeksels en zeer lange en dunne nekribben die een lengte hebben van drie wervels. De voorste ruggenwervels missen pleurocoelen, pneumatische openingen. Bij de achterste ruggenwervels nemen de doornuitsteeksels opvallend in lengte toe en verbreden van achteren naar voren gemeten ook zodat ze opvallend waaiervormig worden. De staart is niet zo extreem lang als bij andere compsognathiden. Bij de vijfde sacrale wervel bevindt zich aan de voorste basis van het doornuitsteeksel een schuin naar voren en beneden gerichte kam die uitloopt in de ruwe aanhechting voor de vijfde rib. De doornuitsteeksels en chevrons van de staartwervels hellen sterk naar achteren; de laatste maken aan hun basis een hoek van slechts 30° met de lengteas van de staart. De chevrons van de middenstaart zijn L-vormig. De ribben zijn lang en dun. Het derde paar heeft verbredingen aan zijn uiteinden die als verbinding dienden met sternale ribben die naar de borstbeenderen voerden. Er zijn twaalf paar buikribben waarvan de korf slechts laag is doordat de buitenste segmenten kort zijn. Het voorste paar bestaat zelfs alleen uit middensegmenten.