Dit artikel beoogt een overzicht te geven van de geschiedenis van de regio Palestina.

Palestina kan worden gedefinieerd als het zuidelijk deel van de Levant. Dit is al vanaf de prehistorie een druk doorgangs- en verblijfsgebied geweest van stammen en volkeren van diverse origine. In deze regio zijn daardoor herhaaldelijk verschillende culturen met elkaar in botsing gekomen. Tezelfdertijd was het gebied in veel opzichten een smeltkroes, waar de verworvenheden van de omringende culturen op elkaar inwerkten. Het gebied ligt op de overlappingszone van vier oude culturen: de Mesopotamische in het oosten, de Anatolische in het noorden, de Minoïsche in het westen en de Egyptische in het zuiden. Deze cultuurgebieden hebben grote invloed op de gebeurtenissen in Palestina uitgeoefend, wat leidde tot het opkomen en verdwijnen van verschillende rijken en stadstaten.

In de oudste, breedste, niet-politieke zin wordt hiermee 'het oude Palestina' aangeduid, een landstreek in het oude Kanaän die de huidige staten Israël en Palestina omvat, benevens delen van Jordanië, Syrië en Libanon. Zo opgevat lopen Palestina's grenzen van de Libanese kustplaats Sidon oostwaarts richting Damascus, naar het zuiden tot aan de Golf van Akaba, en dan in noordwestelijke richting naar Rafah aan de Middellandse Zee. Het gebied heeft talloze namen gehad in zijn vele millennia lange geschiedenis, waarvan Kanaän de oudst bekende is. Etnisch en politiek werd het gebied al gauw een onsamenhangend geheel vanwege de doortocht en intocht van meerdere volken. Deze deelden wel voldoende elementen in hun taal en hun cultuur om allen bij elkaar als Kanaänieten te worden beschouwd, al dient gezegd dat de heterogeniteit toenam naarmate de geschiedenis in dit gebied voortgang vond, en dat er veel conflicten zijn geweest.

Vanouds was het gebied, dat met "Kanaän" wordt aangeduid, variërend in omvang, maar altijd gelegen op het kruispunt van een groot cultureel netwerk, waarvan de hoofdpolen zich bevonden in Mesopotamië, Anatolië, het Oude Egypte en Minoïsch Kreta. Naarmate deze gebieden zichzelf ontwikkelden fungeerde Kanaän steeds meer als doorgangsgebied, en onderging het de invloed van al deze evoluerende culturen. Bovendien waren er vanouds rondtrekkende nomaden, die zowel handelsproducten als cultuurgegevens meevoerden. Verder stroomde op zeker moment omstreeks 2500 tot 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, via de Kaukasus naar het zuidwesten en overspoelde uiteindelijk ook Kanaän. thumb|300px|Levant situeringskaart. De belangrijkste gebieden en steden in en rond de regio. thumb|300px|De Levant: Syrië en Palestina.

Steentijd

De steentijd van de Levant omvat de prehistorie vanaf de komst van de eerste mensen tot het eind van de kopertijd. Vanaf de bronstijd vinden we de eerste geschreven bronnen, en kan men spreken van het begin van de historische tijd.

Vroegpaleolithicum Met betrekking tot de Levant en Palestina in het specifiek wijzen meerdere bronnen op leven in deze regio in de steentijd. De Homo erectus was de eerste mens die Afrika verliet en zich in de Levant vestigde; hiervan zijn vondsten gedaan bij Ubeidiya in de Jordaan rift op de grens van het huidige Jordanie en Israel. De site leverde vuistbijlen van een Acheuléen-type op, naast enige menselijke overblijfselen. De dierlijke resten omvatten een nijlpaardbot en een paar zeer grote hoorns van een uitgestorven runderachtige en zijn gedateerd tot het Vroeg Paleolithicum (ca. 1,5 miljoen - 250.000 v. Chr.).

Middenpaleolithicum Tijdens het middenpaleolithicum (250.000-50.000 jaar geleden) ontwikkelde zich de Levalloistechniek voor steenbewerking, en bewoners zoals Neanderthalers en vroege anatomisch moderne mensen leefden in grotten zoals Tabun, Skhul in het Karmelgebergte en Qafzeh nabij Nazareth, waarbij de laatste twee sites cruciaal bewijs leverden voor de vroege migratie van Homo sapiens uit Afrika rond 100.000-90.000 jaar geleden.

Laatpaleolithicum Het laatpaleolithicum (50.000-20.000 jaar geleden) wordt gekenmerkt door verfijnde bladwerktuigen en de dominantie van anatomisch moderne mensen, met belangrijke vindplaatsen zoals Ksar Akil in Libanon. Deze periode legde de fundamenten voor de latere overgang naar landbouw en permanente nederzettingen die het Neolithicum (nieuwe steentijd) zou kenmerken.

Het epipaleolithicum, wordt geacht in Palestina rond 20.000 v.Chr. te beginnen. In de Levant vond in dit tijdvak een van de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de mens plaats: de overgang van nomadisch jagen-verzamelen naar een maatschappij van landbouwers en veehouders. De periode begint met de Kebaracultuur (ca. 20.000-14.500 v.Chr.), die zich kenmerkt door kleine, mobiele groepen jager-verzamelaars die microlietische steenwerktuigen vervaardigden—kleine geometrische bladwerktuigen die als pijlpunten en messen werden gebruikt—met belangrijke sites zoals Ein Gev aan het Meer van Galilea. Het daaropvolgende Geometrisch Kebaran (ca. 14.500-12.500 v.Chr.) vertoont nog meer gespecialiseerde microlieten met geometrische vormen zoals trapezia en driehoeken. De periode culmineert in de revolutionaire Natufische cultuur (ca. 12.500-9.000 v.Chr.), de eerste semi-sedentaire samenleving in de regio, met ronde stenen huizen, mortieren en stampers voor graanverwerking, sieraden van schelpen en been, en de vroegste begraafplaatsen met grafgiften, gedocumenteerd op sites zoals ʿAin Mallaha, de Shuqbagrot en Tell es-Sultan (oud-Jericho). De Natufians ontwikkelden sikkelbladen met "glans" van graanoogst, hielden mogelijk proto-domesticatie van wilde granen, en creëerden kunst inclusief antropomorfe en zoömorfe beeldjes, wat wijst op complexe rituele praktijken en de directe voorloper vormde van de Neolithische revolutie.

Met het ontstaan van landbouw begon het Neolithicum (jonge of nieuwe steentijd, ongeveer gedateerd van 10-9.000 tot 4500 v. Chr.). Deze ontwikkeling was in veel opzichten een mijlpaal in de geschiedenis van de mens en onze planeet. Er moet overigens benadrukt worden dat het ontstaan van landbouw een geleidelijke ontwikkeling was, die vele generaties in beslag nam. Gedurende het Neolithicum week het klimaat in Palestina nog steeds af van het huidige. Er viel niet alleen meer regen, deze viel ook in alle seizoenen. Het Pre-Pottery Neolithic A (PPNA, ca. 10.200-8.800 v.Chr.) wordt gekenmerkt door de eerste permanente dorpen met ronde stenen huizen, de domesticatie van wilde granen zoals emmer en einkorn, en de spectaculaire site Jericho (Tell es-Sultan), waar een massieve stenen toren en stadsmuur werden gebouwd—mogelijk de oudste monumentale architectuur ter wereld. Het Pre-Pottery Neolithic B (PPNB, ca. 8.800-6.500 v.Chr.) toont verdere revolutionaire ontwikkelingen met rechthoekige huizen, de domesticatie van geiten, schapen en runderen, en de beroemde gepleisterde schedels en antropomorfe beelden van 'Ain Ghazal (net over de Jordaan in het huidige Jordanië) en Jericho, die wijzen op complexe doodsrituelen en voorouderverering. Het Keramisch neolithicum (ca. 6.500-4.500 v.Chr.) introduceert keramiek, met de Yarmukian-cultuur die zich kenmerkt door versierde aardewerk en de vroegste domesticatie van varkens, gevonden op sites zoals Sha'ar HaGolan (in detail beschreven op de Yarmukian pagina) met zijn unieke "pebble figurines". Deze periode legde de fundamenten voor urbane beschavingen en wordt beschouwd als een van de meest transformatieve fasen in de menselijke geschiedenis.

Kopertijd

Tussen ca. 4500 en 3300 v.Chr. kende Palestina de Kopertijd, gekenmerkt door de Ghassulian-cultuur met dorpsbewoning, koperbewerking en opvallende kunst, zichtbaar in opgravingen bij Beër Sjeva (Bir al-Saba), Teleilat Ghassul (net over de Jordaan rivier in het huidige Jordanie) en En Gedi. Rond 3300 v.Chr. begon de vroege Bronstijd, waarin de overgang naar stedelijke samenlevingen en de opkomst van de Kanaanitische cultuur plaatsvond, zichtbaar in de eerste stadsmuren en monumentale bouw bij Jericho, Megiddo en Ai. Tijdens de Bronstijd (ca. 3300–1200 v.Chr.) ontwikkelden stadstaten zich verder, ontstonden internationale handelsnetwerken met Egypte en Syrië, en werden rijke archeologische vondsten zoals paleizen, tempels en schriftelijke bronnen gevonden in steden als Hazor, Lachis en Megiddo.

Bronstijd

Hoewel enkele eerdere archeologen beweerde dat de bronstijd in Palestina begon met een onbevolkt of zeer dun bevolkte periode, hebben latere opgravingen en ontdekkingen toch een ander beeld gegeven. Tijdens de Bronstijd (ca. 3300–1200 v.Chr.) kende Palestina een duidelijk aanwezige, maar in omvang sterk fluctuerende bevolking, beïnvloed door onbekende natuurlijke en menselijke factoren zoals klimaatveranderingen, migraties en conflicten. Vanaf het einde van de Vroege Bronstijd, rond 3000 v.Chr., zijn de eerste sporen van de Kanaänitische cultuur gevonden, met name in opgravingen bij steden als Jericho, Megiddo, Ai en Beth Shean. Gedurende deze periode ontwikkelden zich stedelijke centra en stadstaten, vooral onder invloed van de Kanaänitische cultuur, met migranten zoals de Amorieten en later contacten met Egyptenaren, Hettieten en bewoners van Cyprus en Syrië. Belangrijke steden als Jericho, Megiddo, Hazor, Lachis, Ai en Beth Shean getuigen van deze bloeiende beschaving, zichtbaar in archeologische vondsten als stadsmuren, paleizen, tempels en begraafplaatsen, terwijl schriftelijke bronnen zoals de Amarna-brieven en proto-Kanaänitische inscripties laten zien dat Palestina deel uitmaakte van internationale handels- en diplomatieke netwerken.

Vroege Bronstijd Tijdens de Vroege Bronstijd (ca. 3700–2500 v.Chr.) ontstonden de eerste stedelijke samenlevingen in Palestina, hoewel er geen schriftelijke bronnen uit deze periode zijn en de kennis vooral uit archeologie komt. Deze periode volgde op de Ghassulische dorpscultuur van het laat-chalcolithicum en kende aanvankelijk ongeveer zeshonderd jaar van stabiele, rurale gemeenschappen met mediterrane landbouw. Rond 3100 v.Chr. leidde de opkomst van tempelachtige bouwwerken en intensieve contacten met Egypte tot de vestiging van Egyptische kolonies, zoals Tell es-Sakan nabij Gaza, die als administratief centrum fungeerden. Gedurende het Oude Rijk (2639 v.Chr. tot 2216 v.Chr.) vond op grote schaal vreedzame uitwisseling van goederen en cultuur plaats met Egypte via de steden Asjkelon en Byblos.E. Schott: Das Goldhaus unter König Snofru (Göttinger Miszellen 3), Göttingen 1972 p. 31-36 Tijdens de tweede dynastie (~2853 - ~2707) waren de kuststeden min of meer Egyptische kolonies. Ook met Mesopotamië was er een levendige handel, vooral in metaal.

Na 3100 v.Chr. werden veel nederzettingen verlaten of vernietigd en ontstonden er nieuwe, ommuurde steden in de vlaktes en aan de kust, terwijl de Kanaänitische stadstaten handels- en diplomatieke relaties onderhielden met Egypte en Syrië. Rond 2500 v.Chr. werd een deel van deze stedelijke beschaving verwoest, mogelijk door nomadische invallen, migraties van Amorieten en invloeden uit Syrië, waarna de Intermediate Bronze Age (2500–2000 v.Chr.) begon.

Volksbewegingen en vazalsteden Vanaf 2.500 blijken er in toenemende mate volksbewegingen in en naar de regio op gang gekomen te zijn. Vanuit Egypte werden pogingen gedaan om het gebied en de handelsrelaties voor zichzelf veilig te stellen. Teti, farao van de 6e dynastie van Egypte (2347–2335 v.Chr.), en veel later ook Merenptah en Othoes, stuurden expedities naar Kanaän.

Vanaf 1800 v.Chr. was er sprake van Amorieten die toen deel uit gingen maken van de bevolking in Kanaän.

Tijdens de midden-bronstijd kwamen een aantal stedelijke centra in Kanaän tot bloei. Dit hield vermoedelijk verband met invloeden uit Egypte tijdens het Middenrijk en de periode van de Hyksos. Ook de invloed van Fenicië was groot in deze periode.

Hyksos