De Association of Southeast Asian Nations (ASEAN) en Japan hebben sedert de stichting van de organisatie nauwe betrekkingen. Deze betrekkingen kunnen in drie grote periodes ingedeeld worden. Ze variëren van institutionalisme en substantiële verwezenlijkingen tot regionalisme. Met name de drie grote Japanse doctrines speelden een grote rol in dit proces. Maar ook de voorgeschiedenis en de actualiteit mogen niet uit het oog verloren worden. thumb|300px|Japan-ASEAN-relaties
Historische context Japantowns en Sakoku Japan en Zuidoost-Azië hebben samen een lange geschiedenis. Tijdens de Japanse Middeleeuwen had Japan reeds handel met insulaire gebieden als Taiwan, ook met Laos, enz... Deze lucratieve handel met Zuidoost-Azië is bekend als de Shuin Sen-handel. De interactie werd versterkt met behulp van Japanse nederzettingen in Zuidoost-Azië. De Nihonmachi (日本町), of Japantowns, voerden voornamelijk handel met de plaatselijke bevolking. Zuidoost-Azië was namelijk - en is nog steeds - een gebied rijk aan natuurlijke grondstoffen en mineralen. De Japanse emigranten verbleven lang in het buitenland en door te trouwen werden ze geassimileerd in de plaatselijke bevolking. Er verbleven echter nooit zeer veel buitenlanders in Japan. right|250px|thumb|Japantowns in Zuidoost-Azië tijdens 16e-17e eeuw Echter, tijdens de 17e eeuw sloot Tokugawa Japan haar deuren en isoleerde het zichzelf. De tijd van het Sakoku ("gehuld in kettingen") was aangebroken. Met de isolatie riep het shōgunaat ook de geëmigreerde Japanners terug naar hun moederland. Zij die niet terugkwamen, konden nooit nog aanspraak maken op een terugkeer. De isolatie betekende dat de handel tussen Zuidoost-Azië en Japan bijna volledig tot stilstand kwam. De grote uitzonderingen waren Nederland en in beperkte mate China.
Opening van Japan en emigratie Japan zou slechts twee eeuwen later terug geopend worden onder druk van de Amerikanen. Met de opening kwam er ook een verschuiving van de macht in Japan. Het Tokugawa-shōgunaat werd afgeschaft ten voordele van de Meiji-restauratie. Deze restauratie van de keizer hield in feite in dat er uiteindelijk een democratische basis kwam in Japan onder de vorm van een parlement. Japan richtte zijn blik nu ook op het gekoloniseerde Azië en kwam in conflict met China (Eerste Sino-Japanse Oorlog) en later ook Rusland (Russisch-Japanse Oorlog). Uit beide conflicten kwam het als grote overwinnaar tevoorschijn en werd het een grote koloniale macht in Azië. Ook vond er een grote emigratie plaats in het dichtbevolkte Japan. Vele Japanners emigreerden naar Zuid-Amerika en Azië. Een voorbeeld hiervan zijn de talrijke boeren uit Zuid-Kyushu die onder impuls van de overheid en met goedkeuring van de andere koloniale machten emigreerden naar Zuidoost-Azië. Verder zagen we opnieuw handelaars uitwijken die in Zuidoost-Azië goedkope producten verkochten zoals keramieken borden. Zelfs Japanse prostituees waren succesvol in het buitenland. Ze verdienden er wat geld waarmee ze uiteindelijk zelf een zaakje konden opstarten in de insulaire gebieden. Het is langs deze handelszaakjes dat Japanse bedrijven in de Shōwa-periode hun producten verkochten in het buitenland. In de koloniale gebieden van Zuidoost-Azië werden Japanse bedrijven dankzij hun expertise ook vaak aangewend voor ontginning.
De koloniale machten keken deze actieve economische activiteit met argusogen aan. In de jaren 20 en 30 werden deze Japanse activiteiten dan ook aan banden gelegd door de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Zij vreesden een te sterke monopoliepositie van de Japanners en richtten spionageapparaten op om de Japanners in de kolonies in de gaten te houden. Zo werd er al eens lachend beweerd dat achter iedere Japanner een Nederlandse spion zat.
De Tweede Wereldoorlog Uiteindelijk breekt de Tweede Wereldoorlog uit voor Japan met diens aanval op het Amerikaanse Pearl Harbor. Zuidoost-Azië was van groot belang voor het Japanse oorlogsapparaat. Het gebied was rijk aan grondstoffen en beschikte over cruciale zeelijnen voor die grondstoffen. Met dat doel voor ogen vielen de Japanners de Filipijnen en Indonesië aan en verkregen in korte tijd controle over de talloze eilandjes. Thailand zag de grote kracht van de Japanners en verleende toegang tot hun grondgebied voor onder meer troepentransport. Japan richtte de Greater East Asia Co-Prosperity Sphere op. Dat diende zogezegd als een blok van Aziatische landen om Azië te bevrijden van de Westerse koloniale machten. Toch een zeer belangrijke nuance is het feit dat de bezetting van Zuidoost-Azië door Japan slechts drie jaren heeft geduurd. Dit staat sterk in contrast met de bezetting in China en Korea, waardoor de oorlog een minder geladen onderwerp is in Zuidoost-Azië. De duur van de bezetting was niet de enige oorzaak. In Zuidoost-Azië woonden ook vele geëmigreerde Chinezen, een zeer impopulaire bevolkingsgroep. De Japanners maakten zich populair door de Chinezen te vervolgen. Ook het afwerpen van het koloniale juk van onder meer Nederland werd positief ontvangen. Vele plaatselijke handelaars konden zo economisch meeprofiteren van de Japanse 'bevrijder'. De Nederlanders werden in interneringskampen geplaatst, en ervoeren de Japanners natuurlijk niet als bevrijder. Dit gold in feite voor heel Zuidoost-Azië, waar de meningen over de Japanners verschilden van regio tot regio. De plaatselijke bevolking werd geregeld blootgesteld aan inhumane omstandigheden en de opinie over de Japanners sloeg al snel om. Met het einde van de oorlog en van de Japanse bezetting werden vele Japanners, die nog steeds in Zuidoost-Azië zaten, gewroken door de plaatselijke bevolking. Vele Japanners keerden uiteindelijk terug naar het land van de rijzende zon en lieten een breuklijn met Zuidoost-Azië achter.
De naoorlogse Yoshidadoctrine De buitenlandse politiek van Japan tijdens de naoorlogse periode tot de jaren 60 werden gekarakteriseerd door het nastreven van economische ontwikkeling en het onderhouden van een underdog rol op internationaal vlak binnen de Amerikaanse hegemonie over Japan Dit waren ook de twee voornaamste pilaren van de Yoshidadoctrine.Yoshida was de eerst verkozen naoorlogse premier van Japan. Deze doctrine was van strategisch belang om het verwoeste land terug op te bouwen tijdens de Koude Oorlog. De economische heropbouw stond centraal. Door de sterke afhankelijkheid vis-à-vis Amerika werd de Japanse Oost-Azië politiek sterk beïnvloed door de Amerikaanse Koude Oorlog strategieën. Pas in de jaren 50 wierp Japan terug een blik op Azië. In 1957 werden in het eerste blauwboek van het Japanse Ministerie van Buitenlandse Zaken (MOFA) drie principes naar voren gebracht. toenadering tot Azië toenadering tot het Westen Verenigde Naties-centrisme De reden hiervoor kan gevonden worden bij de Amerikaanse invloed op de Japanse buitenlandse politiek. De regering-Truman in Amerika vreesde de groeiende isolatie van Japan in Azië. De Amerikanen stonden erop dat Japan terug banden aan zou knopen met niet-communistisch Azië om zo 'het werkpaard van Azië' te worden. Yoshida erkende dat de ontwikkeling van de regio een economisch voordeel voor de Japanse industrie kon zijn. Japan zou vanaf nu steeds de gulden middenweg trachten te vinden tussen aan de ene kant het Westen en aan de andere kant Azië. Japan begon met Zuidoost-Azië te onderhandelen over herstelbetalingen in de vorm van economische bijstand. Dit zou echter niet in de vorm van cash geld zijn, maar door middel van diensten en producten van Japanse bedrijven. Zo werd de economische bijstand onrechtstreeks een bijstand voor Zuidoost-Azië als voor Japan. De Japanse bedrijven verkregen namelijk een nieuwe afzetmarkt in Zuidoost-Azië. In deze context moet de rol van de ZaikaiGrote financiële groeperingen binnen Japan. niet onderschat worden. Het waren zij die geregeld het initiatief namen en soms zelfs de Japanse overheid vertegenwoordigde tijdens gesprekken. Verscheidene personen van onder andere de FTA (Foreign Trade Association) en van de fameuze keidanrenFederatie van economische organisaties. hebben geregeld onderhandelingen met specifieke landen geleid.Mendl, Wolf. Japan's Asia Policy: regional security and global interests. London: Routledge, 1995. p. 98 Dit soort bijstand werd voortgezet onder premier Kishi. Hij hechtte nog meer belang aan Zuidoost-Azië dan Yoshida. Hij was de eerste premier die Zuidoost-Azië bezocht na de Tweede Wereldoorlog. In 1957 stelde hij een South Asia Development Fund (SADF) voor, maar werd tegengewerkt door de Verenigde Staten. Dit voorval illustreerde de moeilijke balans van een blik op het Westen en Azië.
Wantrouwen in Zuidoost-Azië Japan streefde een goed ontwikkeld en economisch stabiel Zuidoost-Azië na. De redenen zijn ondertussen al genoemd: de eis van de Amerikanen dat Japan een grotere internationale verantwoordelijkheid zou innemen en economisch voordeel voor Japan. Er was echter ook een politiek voordeel. Tijdens de jaren 60 was de Japanse politiek er steevast van overtuigd dat een politiek en economisch instabiel Zuidoost-Azië een groot gevaar zou kunnen betekenen voor de Japanse veiligheid. Vandaar de nood aan economische samenwerking met Zuidoost-Azië, maar met de nodige voorzichtigheid. Een mooi voorbeeld van die voorzichtigheid is de oprichting van de Asian Development Bank (ADB). Eerste Minister Sato interesseerde zich enorm in het project, want het was de uitgelezen manier om de rol van Japan op regionaal en internationaal vlak te versterken. Maar toen bleek dat Japan de grootste financier van het project zou zijn, krabbelden de Japanners terug. Japan wilde wel helpen in Azië, maar wilde niet de grote last alleen dragen. Vandaar dat Japan pas bijdraaide toen de Verenigde Staten ook steun toezegden. De hoofdzetel zou in Tokio komen en Japan zou daarbij het voorzitterschap op zich nemen. Hoe goed de bedoelingen van de Japanners ook waren, Zuidoost-Azië vertrouwde het niet helemaal. De economische bijstand werd in hun ogen enkel verleend omdat Japan er profijt uit haalde. Bovendien voelden de Aziatische landen zich behoorlijk in het zak gezet nu hun oude bezetter weer zo snel aan het opklimmen was. De hoofdzetel van de ADB kwam door middel van compromis in Manilla, maar Japan zou als grootste financier het voorzitterschap bekleden.
Wijziging in de aanpak door Japan Japan voelde dat er iets fout zat in het Zuidoost-Aziatische sentiment en probeerde in 1966 een betere verstandhouding te bereiken met het houden van de Ministerial Conference for Economic Development in Southeast Asia (MEDSEA). Dit was de eerste naoorlogse conferentie georganiseerd door Japan. De nadruk kwam te liggen op betere economische bijstand. Zuidoost-Azië was echter nooit geheel overtuigd van de Japanse voorstellen op de conferentie. De vergadering kwam jaarlijks bijeen tot 1974. In hetzelfde jaar dat MEDSEA werd opgericht, probeerde Japan ook positief bij te dragen aan de Asia Pacific Council.De Asia Pacific Council was een voorstel van de Zuid-Koreaanse president. Deze organisatie was sterk gekant tegen het communisme, China en was pro-Zuid-Vietnam en dus pro-Amerikaans. Deze organisatie verloor echter alle betekenis in de jaren 70 met de Nixon-schok en werd bijgevolg opgeheven. Japan zag in dat een prestigieus beleid in Zuidoost-Azië op veel argwaan werd onthaald. De politieke leiders in Japan concludeerden dat het beter was om een laag profiel te hanteren op internationaal vlak. Japan kon volgens hun beter deelnemen aan initiatieven van Zuidoost-Azië dan er zelf eentje te propaganderen.Shigeko, Hayashi. Japan and East Asian Monetary Regionalism. Londen: Routledge, 2006. p. 21-32
Pril regionalisme in Zuidoost-Azië