De huisvlieg of kamervlieg (Musca domestica) is een tweevleugelig insect dat behoort tot de familie van de echte vliegen (Muscidae). De huisvlieg is een van de bekendste soorten vliegen en door haar kosmopolitische verspreiding wellicht ook een van de bekendste insecten.
Iedere vlieg kan per ongeluk een huis binnenvliegen, maar de naam huisvlieg is gebonden aan de soort Musca domestica, die in dit artikel beschreven wordt. De wetenschappelijke naam betekent letterlijk vlieg van het huis. De huisvlieg is van de meeste andere vliegen te onderscheiden door de relatief grote lichaamslengte en de drie donkere lengtestrepen op de bovenzijde van het borststuk. Een soort die gemakkelijk verward wordt met de huisvlieg is de kleine kamervlieg (Fannia canicularis), deze soort blijft echter kleiner. Andere soorten vliegen die met de huisvlieg verward kunnen worden, zijn beschreven onder het kopje Onderscheid met andere soorten. Van sommige getoonde afbeeldingen is niet bekend of het specifiek de hier besproken soort Musca domestica betreft of een verwante soort, de beschrijving van dergelijke afbeeldingen is steeds voorzien van een asterisk (*).
Verspreiding De huisvlieg komt over vrijwel de gehele wereld voor, maar is in drogere of koudere gebieden wel afhankelijk van de mens om zich te kunnen handhaven. De vlieg is dan ook net als muizen en ratten een typische cultuurvolger. Men ziet de huisvlieg vaak in de buurt van afval of vee. Vaak treft men daar ook hun larven, de maden, in groten getale aan.
Men vermoedt dat het oorspronkelijk leefgebied van huisvliegen het zuidelijke palearctisch gebied was, en dan met name Noordoost-Afrika en het Midden-Oosten. In de voetsporen van de mens heeft de vlieg zich over vrijwel de gehele wereld verspreid. Alleen in heel droge gebieden zoals woestijnen en heel koude gebieden zoals de polen komen geen huisvliegen voor.
Uiterlijke kenmerken thumb|Etende huisvlieg
De huisvlieg is een vrij klein insect en bereikt een lichaamslengte van 6 tot 8 millimeter. De mannetjes blijven gemiddeld wat kleiner dan de vrouwtjes. Het lichaam van de huisvlieg is net als alle insecten ingedeeld in drie hoofdsegmenten, de kop of cephalon, het borststuk of thorax en het achterlijf of abdomen. Deze segmenten zijn zelf ook weer onderverdeeld in deelsegmenten of somieten en dragen verschillende aanhangsels. De kop draagt de gespecialiseerde zintuiglijke organen en de monddelen, het borststuk draagt drie paar poten en een paar vleugels. Het achterste vleugelpaar is net als alle tweevleugeligen omgevormd tot een paar kleine stompjes, de halters.
De huisvlieg is overwegend zwart. De bovenzijde van het achterste deel van zowel de kop als het borststuk zijn zwart, terwijl het borststuk lichtere lengtestrepen aan de bovenzijde heeft. Ook uitsteeksels zoals antennes en poten zijn zwart en hetzelfde geldt voor de lichaamsbeharing. De uiteinden van de poten of tarsen zijn lichter tot geel van kleur.
De grote ogen en het achterlijf van de vlieg zijn niet zwart en hieraan is de huisvlieg van veel andere vliegen te onderscheiden. De ogen zijn duidelijk roodbruin, het achterlijf is grotendeels geelbruin met uitzondering van een brede band in het midden van de bovenzijde, die donkerbruin tot zwart is. Opvallend zijn de lichtere plekjes aan de vleugelbasis, kleine flapjes of calyptra.
De huisvlieg is een veel gebruikt modelorganisme en de uiterlijke kenmerken van het insect zijn tot in detail beschreven en benoemd. De huisvlieg wordt op grote schaal gekweekt in laboratoria voor verschillende doeleinden.
thumb|500px|center|Schema van de belangrijkste lichaamsdelen
Kop De kop A van de huisvlieg is direct te herkennen aan de twee grote, vermiljoenrode ogen, elk bestaande uit een groot aantal kleinere suboogjes. De ogen worden daarom ook samengestelde ogen of facetogen 1 genoemd. De facetogen bestaan uit ongeveer 4000 kleine individuele oogjes die de ommatidiën worden genoemd. Ze zijn zeshoekig en hebben ieder een lensje. In het midden van de bovenzijde van de kop zijn drie kleine, enkelvoudige oogjes gelegen. Deze ocelli hebben een ondergeschikte visuele functie. Aan de voorzijde van de kop zijn de antennen 2 gelegen, die een zintuiglijke functie hebben. De antenne draagt een geveerd uitsteeksel genaamd de antenneborstel of arista 3.
Aan de onderzijde van de kop zijn de monddelen gelegen, die de opname van het voedsel verzorgen en het voedsel daarnaast in een verteerbare staat brengen. De monddelen van de huisvlieg zijn sterk verlengd, maar zijn in rust tegen de kop gevouwen, zodat ze slechts deels te zien zijn. De monddelen worden blootgesteld als de vlieg voedsel opneemt, dan worden de monddelen uitgeklapt en zijn de verschillende delen zichtbaar. Het geheel is de proboscis of slurf.
De huisvlieg heeft sterk verlengde monddelen, de bovenlip of labrum 5 en het labellum 6 zijn duidelijk zichtbaar. Het labrum draagt twee maxillaire palpen 4 die voorzien zijn van kleine setae. Het uiteinde wordt gevormd door de onderlip of labium 7 met aan de onderzijde de pseudotracheae 8. De pseudotracheae bestaan uit een aantal kleine buisvormige structuren die het voedsel opzuigen door capillaire werking. Zodra contact wordt gemaakt met vloeibaar voedsel wordt dit opgezogen zonder dat de vlieg actief voedsel zuigt. Zie voor de werking van de monddelen onder voedsel.
Borststuk Het borststuk B van de huisvlieg bestaat uit drie delen, elk deel heeft een beschermende plaat aan zowel de bovenzijde, de zijkanten en de onderzijde. De platen die aan de bovenzijde gelegen zijn worden de scuta genoemd en bestaan van voor naar achter uit het prescutum 9, het scutum 11 en het scutellum 14. De platen aan de zijkanten worden de pleura genoemd en bestaan uit het propleuron 17, het mesopleuron 19 en het metapleuron 21. Aan de onderzijde zijn de sterna gelegen, vooraan het poststernum 18, in het midden het mesosternum 20 en aan de achterzijde het metasternum 22. Het borststuk van de huisvlieg bevat ook de ademopeningen of stigmata, ze bestaan uit een voorste ademopening 10 en een achterste ademopening 29 aan beide zijden van het lichaam.
Het borststuk van de huisvlieg draagt net als bij alle insecten drie paar poten en twee paar vleugels. De voorvleugel 15 is met het lichaam verbonden door de vleugelbasis of basicosta 12. De vleugels van de huisvlieg hebben een vleugeladering 16 die bij vliegen een soortspecifiek patroon hebben.
Het achterste paar vleugels is sterk gedegenereerd en is omgevormd tot kleine halters 28. De halters zijn langwerpig en eindigen in een knotsje, de halters zijn erg klein en nauwelijks te zien. Ze spelen een cruciale rol bij het vliegen en de functie is vergelijkbaar met een gyroscoop, het zijn de evenwichtsorganen van de vlieg. De halters zijn verantwoordelijk voor de snelle wendingen die een vlieg kan maken om vijanden en vliegenmeppers razendsnel te vermijden. Als een halter verloren gaat of wordt verwijderd, is de vlieg niet meer in staat om te vliegen.
thumb|De tarsus of voet van de vlieg* Aan de vleugelbasis zijn de calyptra 13 gelegen, dit zijn kleine flapjes aan het borststuk. Aan iedere zijde zijn de bovenste en onderste calyptra aanwezig. De calyptra worden soms wel aangezien voor de gedegenereerde vleugels, aangezien ze op een verkleinde versie van een vleugel lijken. De huisvlieg bezit overigens inderdaad twee verkleinde vleugels, de eerder genoemde halters, en de calyptra dienen ter bescherming van deze halters. De vorm en aanwezigheid van de calyptra zijn binnen de groep van vliegen een belangrijke determinatiesleutel; bij sommige vliegen ontbreken deze structuren.
De huisvlieg kan een snelheid bereiken van ongeveer 2 meter per seconde, waarbij de vleugels tot 200 maal per seconde worden bewogen. De huisvlieg hoeft de borstspieren maar een klein beetje te bewegen om de vleugels op en neer te laten gaan. Dit komt doordat de vleugels of omhoog of omlaag staan, een tussenpositie is niet mogelijk. De vleugels schieten door de elasticiteit van het borststuk bij een kleine spierbeweging vanzelf door naar een van de twee posities. Dit wordt wel het klikmechanisme genoemd, waardoor de vleugels tot 600 maal efficiënter kunnen worden bewogen.
De poten van de vlieg bestaan uit gesegmenteerde delen, respectievelijk de heup of coxa 23, de dij of femur 24, de scheen of tibia 25 en ten slotte de voet of tarsus 27. De poten van de vlieg zijn zwart van kleur en zijn net als de rest van het lichaam voorzien van haartjes, de sporen 26. De voet bestaat uit verschillende segmenten, aan het uiteinde zijn twee kleine zuignap-achtige structuren aanwezig waarmee de vlieg zich aan gladde oppervlakken kan hechten. Ook draagt de poot twee kleine haakjes. Deze klauwtjes hebben een functie bij het hechten aan het substraat. De poten bevatten ten slotte chemosensorische haartjes waarmee de vlieg zijn voedsel proeft. Zodra de vlieg ergens op landt, weet het dier direct of de ondergrond eetbaar is of niet. Vliegen poetsen vaak hun pootjes, ze doen dit om de haartjes schoon te houden, zodat ze goed kunnen blijven proeven.
Achterlijf Het achterlijf C bestaat bij de huisvlieg uit vier zichtbare segmenten. Er zijn er echter meer aan de achterzijde, deze dragen de geslachtsorganen en de anus. Aan de voorzijde van het achterlijf had de oervorm van de huisvlieg vroeger meer segmenten, het eerste segment is volledig verdwenen, het tweede segment is alleen zichtbaar als twee kleine flapjes aan de voorzijde en het derde en vierde segment zijn met elkaar vergroeid.
Het achterlijf van de vlieg bevat alle inwendige organen, zoals het spijsverteringsstelsel en de bloedsomloop. Vliegen moeten voedingsstoffen naar de spieren voeren waarvoor het bloed als medium wordt gebruikt. Bij de ademhaling speelt de bloedsomloop geen rol, net als bij andere insecten wordt het lichaam van zuurstof voorzien door kleine kanaaltjes die aan de buitenzijde uitmonden in de ademopeningen of stigmata op het borststuk. Het spijsverteringsstelsel van de vlieg is vergelijkbaar met andere vliegen, er wordt vloeibaar voedsel omgezet in kleine pallet-achtige droge korrels.
Het achterlijf draagt duidelijke rijen setae die dienen als mechanoreceptor en kleine luchtwervelingen kunnen waarnemen. Aan de bovenzijde wordt het achterlijf beschermd door de rugplaten of tergieten, aan de onderzijde door de buikplaten of sternieten. In vergelijking met andere insecten zijn de platen relatief dun.
Zintuigen thumb|SEM-opname van de kop van een vlieg*, met aan weerszijden de samengestelde ogen, in het midden drie ocelli en ook de kleine haartjes of setae zijn duidelijk zichtbaar. Vergroting: 40x ware grootte Net als andere insecten zijn vliegen bedekt met een groot aantal zintuiglijke structuren. De kleine haartjes of setae zijn het meest geprononceerd en komen over het gehele lichaam voor. Deze haartjes hebben een tastzintuiglijke functie, het zijn mechanoreceptoren die directe aanrakingen, maar ook kleine veranderingen zoals luchtwervelingen kunnen waarnemen.
De samengestelde ogen van de vlieg zijn het belangrijkste visuele zintuig, maar ondanks de duizenden oogjes kan de vlieg geen gedetailleerd beeld vormen zoals het oog van zoogdieren. Vliegen zijn wel in staat om bewegende objecten waar te nemen en hierop te anticiperen door er hun vlucht op aan te passen. Vliegen kunnen slechts een beperkt aantal kleuren onderscheiden. De ocelli op de bovenzijde van de kop zijn eveneens lichtgevoelig (fotoreceptorisch), maar spelen een ondergeschikte rol. Ze kunnen waarschijnlijk alleen grove lichtverschuivingen waarnemen.
Een van de belangrijkste zintuigen zijn de chemoreceptoren in de poten die kunnen proeven zodat de vlieg kan bepalen of iets eetbaar is of niet. Dit komt ook wel voor bij andere insecten zoals vlinders.