Publius Cornelius TacitusDe brieven van Sidonius Apollinaris noemen hem Gaius. Dit praenomen werd naar voren geschoven in , Tacitus' praenomen: the politics of a moderate, in Rivista storica dell’antichità 2 (1972), pp. 169–185.Een van de twee overgebleven manuscripten van zijn werken noemt hem Publius, voor een analyse van dit manuscript, zie: , The First Medicean MS of Tacitus and the Titulature of Ancient Books, in TPAPhA 82 (1951), pp. 232–261.Voor onderzoek naar alle mogelijke praenomina, waaronder Gaius en Publius, maar ook Sextus en Quintus, zie: , The Praenomen of Tacitus, in American Journal of Philology 98 (1977), pp. 64–70. Vergelijk: , Tacitus, I, Oxford, 1958 (=1963²), p. 59 (voetnoot 1). (ca. 56-117) was een Romeins consul, historicus, schrijver en redenaar. Hij wordt vaak gezien als de grootste historicus van Rome, of zelfs van het Romeinse Rijk. Tacitus' sympathie ging duidelijk uit naar een republikeinse staatsvorm, eerder dan naar de willekeur van sommige keizers.Dit is tenminste de overheersende visie sinds de Franse Revolutie: Giuseppe Toffanin onderkent doorheen de geschiedenis twee kampen: de rode tacitisten, die Tacitus aangrijpen om hun republikeinse gevoelens te ventileren en de zwarte tacitisten, die in Tacitus vooral een handleiding zien om een monarchie tot een goed einde te brengen. Vanaf de renaissance, toen Tacitus' geschriften weer werden bestudeerd, tot in de vroege Verlichting vindt men beroemde voorbeelden van beide "kleuren" van Tacitus-aanhangers: Francesco Guicciardini en Diderot kunnen als voorbeelden van het zwarte tacitisme worden genoemd, terwijl men Machiavelli's geschriften dan weer in twee richtingen kan interpreteren: zwart tacitisme in De vorst; rood tacitisme in de Discorsi. Vanwege zijn veelzijdigheid en complexiteit is hij zelfs aangehaald door latere denkers met tegengestelde politieke opvattingen, die met Tacitus toch zo hun standpunt kracht probeerden bij te zetten., Roman Literature, Cambridge, 1954, p. 116, , The Annals of Imperial Rome, Londen, 1996, pp. 23-24. Hij schrijft over keizers en machthebbers met evenveel vanzelfsprekendheid als over personen van minder belang en geeft daarmee inzicht in het leven van zijn tijd.

Biografie Tacitus is waarschijnlijk in 56 geboren in een provinciale familie uit Gallia Narbonensis (Forum Julii (Fréjus) of Vasio Vocontiorum (Vaison-la-Romaine)) of uit Gallia Cisalpina (Patavium ofwel Padua). In 77 trad hij in het huwelijk met de dochter van Gnaeus Julius Agricola, de consul van dat jaar. Agricola werd in 84 teruggeroepen door Domitianus uit Britannia. Agricola verdween naar de achtergrond en overleed in augustus 93, min of meer vergeten. Zijn testament viel echter slecht uit voor Tacitus' echtgenote, want naast haar moeder ontving ook de princeps – hoewel die eerder nog verkondigde geen erfenis te willen aanvaarden van iemand met kinderen – zijn deel met grote gretigheid.

thumb|Fragment van het grafschrift voor Tacitus (Museo delle Terme di Diocleziano, Rome). Tacitus had desondanks een succesvolle politieke carrière. Vermoedelijk was hij enkele jaren na zijn huwelijk al XX-vir (priestercollege bestaand uit twintig mannen) onder Vespasianus. Géza Alföldy stelt dat Tacitus door Titus werd aangeduid als quaestor Augusti. Dit valt op te maken uit een inscriptie in het grafmonument van Tacitus aan de Via Nomentana in Rome., Bricht der Schweigsame sein Schweigen? Eine Grabinschrift aus Rom, in Mitteilungen des deutschen archeologischen Instituts. Römische Abteilung 102 (1995), pp 251-268. CIL VI 41106 = CIL VI 1576 = AE 1995, 92 = AE 2000, 160. Waarschijnlijk oefende hij deze functie uit in 80, 81 of op zijn laatst in 82. Als hij quaestor is geweest in 81, wil dit zeggen dat hij zowel voor Titus als voor diens broer Domitianus woordvoerder was, want Titus stierf op 13 september 81. Toen hij geen quaestor meer was, werd hij in de Senaat opgenomen als homo novus, eerste van een familie die in de Senaat zetelt. Uit de inscriptie kan ook worden opgemaakt dat hij in 84 of 85 de functie van aedilis oversloeg en tot tribunus plebis werd gekozen. In 88 was hij zelfs praetor (functie in de rechtspraak) en lid van het prestigieuze priestercollege van de Vijftien of quindecimviri sacris faciundis. In 89 werd hij voor vier jaar afgevaardigd voor een post in de provincies – waarover weinig bekend is.

Toen Domitianus op 18 september 96 door zijn naaste omgeving werd vermoord, zetelde de ongeveer veertigjarige Tacitus als consul suffectus voor het jaar 97 – vermoedelijk nog aangeduid door Domitianus – in de Senaat. Onder Trajanus behoorde hij als voormalig consul tot de elite van de senatoren en stortte hij zich op de geschiedschrijving. In 112 en 113 was hij een jaar lang gouverneur van de provincie Asia, een felbegeerde post. Hij stierf vermoedelijk rond 117 als gereputeerd redenaar en historicus.

Tacitus had een sterke afkeer van tirannie, na zelf de periode onder Domitianus te hebben meegemaakt. In veel van zijn werken lijkt de onderliggende vraag waarom het principatus van Augustus (63 v.Chr.-14 n.Chr.) is overgegaan naar de tirannie van het dominatio van keizers als Tiberius (42 v.Chr.-37 n.Chr.) tot Domitianus. Tacitus had bewondering voor de geweldloze tegenstand van de stoïcijnen tegen de keizerlijke tirannie, zoals van senator Thrasea (?-66) tegen Nero. Anderzijds zag hij hun martelaarschap als zinloos. Ondanks zijn sterke afkeer van tirannie, sprak hij niet van een recht van opstand. Ook riep hij niet op tot verzet, maar wachtte totdat er betere tijden aanbraken onder de keizers Nerva en Trajanus. In Historiae laat hij generaal Cerialis tegen de Treveri en Lingonen zeggen:

Werken thumb|De titelpagina van een uitgave van Tacitus' werken in een editie van Justus Lipsius uit 1598.

De vita et moribus Iulii Agricolae De vita et moribus Iulii Agricolae of Agricola is een dertig pagina's tellende biografische schets van Gnaius Julius Agricola – zijn schoonvader – door Tacitus uitgegeven in 98, ten tijde van Trajanus.

Toch is het niet een traditionele biografie, want Agricola's levensverhaal wordt gebruikt ter illustratie van Domitianus' tirannieke gedrag en om Nerva en Trajanus lof toe te zingen. Het is onevenwichtig van opbouw door de hem – later – kenmerkende uitvoerige beschrijvingen van veldtochten, redevoeringen tot de soldaten en zijn aandacht voor de etnografie van Britannia en de inwoners daarvan. Ronald Syme meent het werk zelfs een document van Romeinse politieke literatuur te kunnen noemen., Tacitus, 2 delen, Oxford, 1958 (=1963²), p. 125.

Het werk draagt ook sporen van retoriek – wat ook in latere werken is terug te vinden – dat deels eigen is aan het genre dat de laudatio als vast element kent.

De origine et situ Germanorum De origine et situ Germanorum of Germania, dat in datzelfde jaar verschijnt, is een echte etnografie, die grofweg in twee delen uiteenvalt. In het eerste deel worden in algemene termen het land en de bevolking van Germania beschreven. In het tweede deel volgen korte beschrijving van individuele volkeren met hun kenmerkende eigenschappen.

Dit werk is van groot belang omdat het de enige contemporaine beschrijving is van de Germaanse volkeren. Uit archeologisch onderzoek blijkt overigens dat de beschrijvingen die Tacitus geeft tamelijk accuraat zijn.

Het oude thema van contrast tussen het beschreven volk – de Germanen – en de Romeinen van zijn tijd heeft bij Tacitus zowel een moraliserend als informatief doel, want onder Trajanus wordt men nog steeds geconfronteerd met het reële dreigende gevaar dat uitgaat van de Germanen, maar ook met toenemende verstedelijking en, zeker in de ogen van Tacitus, met toenemende decadentie. De vergelijking tussen Romeinen en Germanen, bijvoorbeeld op het gebied van huwelijkse trouw en het heffen van rente, is een terugkerend thema.

Overwinningen die door opeenvolgende keizers verkondigd zijn doet hij af als historisch ongefundeerde propaganda van deze keizers.

Dialogus de oratoribus Dialogus de oratoribus is lange tijd omstreden geweest, maar er is nu toch een algemeen consensus dat het gaat om een werk van Tacitus, dat opgedragen is aan Lucius Fabius Iustus, consul suffectus in 102.

Het heeft de vorm van een gesprek tussen de dichterredenaar Curiatius Maternus, de redenaars Marcus Aper en Julius Secundus en ook Vipstanus Messalla in 75 over het verval van de redekunst. De oorzaken hiervan zijn volgens hem de opvoeding in het algemeen met de retoriek zelf in het bijzonder en de monarchale staatsinrichting die wel goed is als staatsvorm op zichzelf, maar geen aanzet geeft tot de ontwikkeling van grote en grootse redekunst. Hij concludeert dat literair begaafden zich nu nog enkel bezighouden met poëzie.

Historiae Historiae is het eerste van Tacitus' grote en grootse historische werken, die we dankzij de briefwisseling tussen Tacitus en Plinius minor deels kunnen dateren. Zo blijkt dat hij rond 106 over het jaar 79 aan het schrijven is, de beroemde beschrijving die Plinius van de uitbarsting van de Vesuvius geeft, is een verslag aan Tacitus, en dat hij bezig is met Domitianus' regering te behandelen in 109. Hij behandelt in dit werk de geschiedenis van Rome tijdens het vierkeizersjaar 69 en onder de regering van de Flavii. Van de - vermeende - twaalf of veertien boeken zijn alleen de eerste vier en het begin van het vijfde boek bewaard gebleven.

Men meent het werk te kunnen verdelen in twee hexades, namelijk een eerste over de burgeroorlog onder Galba, Otho en Vitellius (I-III) en Vespasianus' regering (IV-VI); en een tweede over de jaren van stabiliteit onder Titus en de eerste jaren onder Domitianus (VII-IX) en ten slotte de duistere periode onder Domitianus van 89 tot 96 (X-XII). Dit alles blijft echter wel steeds speculatie.

In zijn praefatio (voorwoord) wordt de dramatische ontknoping al min of meer aangekondigd en kondigt hij daarbij aan dat – indien de jaren hem gegund zijn – hij nog over Nerva's en Trajanus' bewind wil schrijven.

Ab excessu divi Augusti

Ab excessu divi Augusti, "Vanaf het heengaan van de vergoddelijkte Augustus", of Annales is Tacitus' tweede grotere historische werk dat handelt over de Julisch-Claudische dynastie vanaf de dood van de Vergoddelijkte Augustus, waarvan waarschijnlijk het grootste deel geschreven is onder Hadrianus' regering (117-138) en dus noch over Trajanus gaat, noch over Nerva. Van de vermoedelijke 18 boeken zijn slechts de boeken I tot IV in hun geheel bewaard, V en VI slechts gedeeltelijk, en XI tot XVI zonder hun respectievelijk begin of einde.

De eerste zes zijn opgebouwd als jaarboeken - vandaar de naam Annales, terwijl de laatste zich meer concentreren rond themata of personen. R Syme meent dat deze stilistische wijziging verwijst naar een dieperliggende wijziging, namelijk de evolutie van het principaat naar het dominaat., Tacitus, 2 delen, Oxford, 1958 (=1963²), pp. 269-270.

Bronnen Tacitus' bronnen voor de Agricola zijn grotendeels uit de eerste hand doorgegeven, dus vaak mondeling overgeleverd. Voor Germania heeft hij waarschijnlijk het verloren gegane Bella Germaniae van Plinius maior, die Germania goed kende, Commentarii de bello Gallico van Caesar en Livius' boek CIV als bron gebruikt.

Over de Historia en Annales, waarop Philippe Fabia heeft geprobeerd het Einquellenprinzip toe te passen,, Les sources de Tacite dans les Histoires et les Annales, Parijs, 1893. bestaat er nog geen vaste consensus. We kunnen echter wel aan de hand van de vele moderne auteurs hun visie ons een beeld vormen van welke bronnen Tacitus mogelijk heeft gebruikt.

Tacitus zelf noemt, onder andere, Cluvius Rufus, Fabius Rusticus en Plinius maior (Ann. XIII 20.), maar er zijn er meer: Aufidius Bassus, Servilius Nonianus, Lucius Verginius Rufus, enzovoort.