thumb|Vesting Bourtange thumb|Binnenstad van Winschoten thumb|Cultuurcentrum Van Beresteyn aan Museumplein in Veendam thumb|Wiekeflat en fontein in het centrum van Stadskanaal thumb|Klooster Ter Apel thumb|Vernieuwing winkelcentrum Oude Pekela in 2019 thumb|Haven en woningen in Blauwestad Oost-Groningen, ook wel Oostelijk Groningen, is een geografische regio in de Nederlandse provincie Groningen met 138.753 inwoners (1 september 2022), grofweg bestaande uit de landstreken Oldambt, Westerwolde en delen van de Veenkoloniën. Hiertoe behoren de gemeenten Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam en Westerwolde. Tot 2018 werden ook Menterwolde en tot 2010 Termunten hiertoe gerekend. Het gebied wordt vaak – samen met Zuidoost-Drenthe – geassocieerd met regionale sociaaleconomische achterstanden, lage besteedbare inkomens, hoge werkloosheid en sterke vergrijzing.
De regio ligt ingeklemd tussen Eems en Dollard, de Duitse deelstaat Nedersaksen en de provincie Drenthe. Het gebied viel in de 17e en 18e eeuw onder de stadsjurisdicties van Groningen en werd in de Franse tijd samengevoegd tot het arrondissement Winschoten. Voor wat betreft sociaalpolitieke geschiedenis, mentaliteit en dialect zijn er veel overeenkomsten en historische banden met Midden-Groningen, en met name met Hoogezand-Sappemeer.
Oost-Groningen is sinds 1971 een van de veertig COROP-gebieden in Nederland (nummer 01) – een indeling die wordt gebruikt door de rijksoverheid voor verwerking van statistische gegevens.
De naam is vooral ingeburgerd geraakt door de Streekraad Oost-Groningen, een intergemeentelijk samenwerkingsverband van 17 gemeenten en sinds 1990 8 gemeenten dat van 1971 tot 2011 heeft bestaan. Voorloper daarvan was het Industrieschap Oost-Groningen uit 1952, dat in 1962 opging in de Raad voor de Welvaartsbevordering "Opbouw Oost-Groningen".In het ontwikkelingsgebied Oostelijk Groningen werden drie industrieschappen opgericht: Oost-Groningen te Winschoten (1952), De Kanaalstreek (1953), en De Centrale Veenkoloniën te Veendam (1955). , Regionale Kracht: Economisch beleid in Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland, 1945-2000, diss., Amsterdam 2010, p. 67-68.
Landschap en infrastructuur werden vanaf 1974 grondig vernieuwd in het kader van de Herinrichting Oostelijk Groningen. In 1979 werd de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën van kracht, die vanaf 1980 versneld werd uitgevoerd.
Plannen in maart 2013 voor een het samengaan van de voormalige streekraadgemeenten tot twee nieuwe supergemeenten – Oost-Groningen en De Compagnie – vonden geen instemming. Bellingwedde en Vlagtwedde fuseerden in 2018 tot Westerwolde. Menterwolde ging op in Midden-Groningen. Oldambt, Pekela, Stadskanaal en Veendam bleven zelfstandig.
Oost-Groningen nam deel aan een flink aantal regionale stimuleringsprogramma's. Gerichte staatssteun voor bedrijven maakte echter in de laatste decennia plaats voor maatschappelijje structuurversterking. Het samenwerkingsprogramma Regio Deal Oost-Groningen uit 2020 heeft tot doel de brede welvaart in de regio binnen één generatie te verbeteren en door te laten groeien naar het landelijke gemiddelde rond 2055.
Oost-Groningen speelt vanouds een belangrijke rol in de Eems Dollard Regio, een grensoverschrijdend openbaar lichaam dat sinds 1977 de wederzijdse contacten en Europese projecten coördineert en bevordert.
Verwante termen zijn Noordoost- en Zuidoost-Groningen. Met Noordoost-Groningen worden gewoonlijk de kleistreken van het Oldambt en rond Delfzijl (Eemsdelta) bedoeld. Onder Zuidoost-Groningen worden de zand- en veenstreken van Westerwolde en de oostelijke Veenkoloniën verstaan, al dan niet met de zuidrand van het Oldambt. thumb|Oost-Groningen vergeleken met Nederland wat betreft werkloosheid (2007) en besteedbaar inkomen (2004). Gegevens gebaseerd op de cijfers van Centrum voor Arbeid en Beleid te Groningen. Geschiedenis De term Oostelijk of Oost-Groningen dateert uit de laatste decennia van de 19e eeuw. Armoede, seizoenswerkloosheid en sociale strijd werden vroegtijdig geassocieerd met deze streek.
De streeknaam kreeg pas een bestuurlijke en politieke lading na de Tweede Wereldoorlog, toen het gebied een van de landelijke bolwerken van de Partij van de Arbeid en in mindere mate de CPN werd. Bestuurders en activisten van deze partijen zetten het thema van de regionale ontwikkeling op de agenda.
Grote delen van het gebied – met name het Oldambt en de Veenkoloniën – kenmerken zich vanouds door sterke sociale tegenstellingen. Dit was zowel het geval in de landbouw en de veenderijen als in de strokarton- en aardappelmeelfabrieken. Veel arbeiders waren afhankelijk van seizoenswerk. Het gebied was relatief onkerkelijk, waardoor de socialistische arbeidersbeweging sinds de jaren 1890 voet aan de grond kreeg. Vooral in de Rode Driehoek (rond Beerta en Finsterwolde) en in Oude Pekela kreeg de Communistische Partij van Nederland (CPN) veel aanhang. Zowel hier als in Hoogezand-Sappemeer bleef daarnaast het vrije socialisme populair. In het grootste deel van het gebied werd rond 1920 de SDAP de grootste partij en na 1945 trok de PvdA doorgaans meer dan 40 of 50% van de stemmen.
De identiteit van Oost-Groningen raakte in de jaren vijftig sterk verbonden met gevoelens van regionale achterstand. Met name de linkse partijen PvdA, CPN en PSP maakten dit tot thema. Er werd studie gedaan naar de regionale problematiek en de hoge werkloosheidscijfers, die samenhingen met de uitstoot van arbeidskrachten in de landbouw en de vervening. Maart 1950 vergaderden zes gemeenten uit de Kanaalstreek samen met ondernemersverengingen over de problemen van de regio en over de mogelijkheden voor industrialisatie. Soortgelijke ontwikkelingen waren er in het Oldambt.
Mei 1953 organiseerde de PvdA een streekcongres 'Arbeid voor Oost-Groningen' te Winschoten, waar de regering werd gevraagd snel iets te doen aan de tekortschietende werkgelegenheidssituatie. In het Rijksbeleid gold Oostelijk Groningen sinds 1952 als een van de negen ontwikkelingsgebieden binnen Nederland, waar de economie versneld geherstructureerd dienden te worden.Tot het Ontwikkelingsgebied Oostelijk Groningen behoorden de gemeenten Beerta, Bellingwolde, Finsterwolde, Midwolda, Nieuwe-Pekela, Nieuweschans, Nieuwolda, Onstwedde, Oude-Pekela, Scheemda, Vlagtwedde, Wedde, Wildervank (gedeeltelijk) en Winschoten, samen met delen van de Drentse gemeenten Borger en Gasselte. Veendam viel er dus buiten. (red.), De Nederlandse Ontwikkelingsgebieden. Schets van de sociale problematiek, Den Haag 1960, p. 141., De ontwikkeling van het regionaal beleid in Nederland 1949-1977: een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van overheidsingrijpen in de ruimtelijke struktuur, Tilburg 1983, p. 44-46. , Regionale Kracht, p. 47-49. Daarnaast probeerde de overheid de migratie naar het westen van het land te bevorderen. Dat leidde in Westerwolde tot felle protesten; raadsleden in Vlagtwedde spraken over "deportatie" door een "Hitler-regime"., De weg naar het westen. Migratiemotieven en migratiebeleid, Assen 1957. p. 173. Otto S. Knottnerus, 'Omstreden doorbraak', in: Piet Hoekman e.a. (red.), Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen, 1885-1985, Groningen 1986, p. 210-226, aldaar p. 224.
De problematiek van Oost-Groningen en de politieke weerslag daarvan had grote overeenkomsten met die in Zuidoost-Drenthe, waar de seizoenswerkloosheid nog massaler en de armoede schrijnender waren.
Streekraad Oost-Groningen Aan de Raad voor de Welvaartsbevordering "Opbouw Oost-Groningen" uit 1962 namen twaalf gemeente deel. Op 15 oktober 1965 vergaderden negentien burgemeesters uit de regio in Hotel Dommering te Winschoten over de toekomst van Oostelijk Groningen. Dit op uitnodiging van het Nieuwsblad van het Noorden. Openlijk spraken ze over intergemeentelijke samenwerking en mogelijke herindeling, teneinde het bestuur meer slagkracht te geven.
Alle zeventien betrokken gemeenten (twee waren inmiddels met anderen gefuseerd) sloten zich in 1971 aaneen tot de Streekraad Oost-Groningen.Oprichters van de Streekraad Oost-Groningen in 1971 waren de gemeenten Beerta, Bellingwedde, Finsterwolde, Meeden, Midwolda, Muntendam, Nieuwe Pekela, Nieuweschans, Nieuwolda, Onstwedde, Oosterbroek, Oude Pekela, Scheemda, Termunten, Veendam, Vlagtwedde en Winschoten. Daartoe behoorde ook de gemeente Termunten, die in 2010 opging in Delfzijl. Ten tijde van de opheffing in 2011 bestond de Streekraad uit negen gemeenten. Het kantoor van de streekraad bevond zich sinds 1977 in de Wedderborg te Wedde.
De regionale problematiek verscherpte zich rond 1970 door de snelle uitstoot van arbeidskrachten uit de landbouw en de teloorgang van de traditionele agrarische industrie (aardappelmeel- en strokartonfabrieken).Marijn Molema, 'Teleurgestelde verwachtingen. Karton in Oost-Groningen 1950-2000', in: Veenkoloniale Volksalmanak 21 (2009), p. 121-130. De rijksoverheid stimuleerde de vestiging van nieuwe bedrijfsvestigingen als Philips te Stadskanaal (1955), Akzo (1957) en Aldel (1973) te Delfzijl, vanaf 1974 ook in de Eemshaven. Speciale werkgelegenheidsprogramma's moesten de overbodig geworden landarbeiders opvangen. Infrastructurele maatregelen werden versneld uitgevoerd. Welzijns- en opbouwwerk dienden de leefbaarheid op het platteland te vergroten. Het woningbestand werd grotendeels vernieuwd, waarbij het zwaartepunt verschoof naar sociale woningbouw in grotere plaatsen als Stadskanaal, Veendam en Winschoten.
Noodklok Oost-Groningen De stagnerende werkloosheidscijfers en de achterblijvende loonstijging bleven een steen des aanstoots. De verwachting dat Oost-Groninger deel zou nemen aan de stijgende welvaart, leek niet uit te komen. Tijdens de strokartonstaking van oktober 1969 – geleid door het CPN-Kamerlid Fré Meis – kwamen de onlustgevoelens voor het eerst naar buiten. "Groningers voelen zich achtergesteld", berichtten de kranten.
Een gezamenlijk initiatief van alle betrokkenen in de regio – maar georganiseerd door een onafhankelijk comité – was het luiden van de Noodklok Oost-Groningen. Dit was een massale protestactie tijdens het bezoek van een 28-tal Tweede Kamerleden aan Winschoten op 14 januari 1971. De Kamerleden werden ontvangen door 6.000 mensen en onthaald op een fluitconcert, boe-geroep en klokgelui, maar ze kregen ook mini-noodklokjes omgehangen. Bij het protest waren spandoeken te zien met de leuzen als Groningen wingewest, Den Haag vergeet ons, Plan Kikkert – vloek voor Westerwolde, maar ook: Geen welvaart voor het Noorden, dan geen gas voor het Westen! Veel Oost-Groningers, verklaarde PvdA-burgemeester Wim Verkruisen van Muntendam, ervaren hun streek als "een verwaarloosd, vergeten, teleurgesteld en perspectiefloos stukje Nederland". Ook Fré Meis schoof bij het diner aan: "Zorg dat hier industrie komt, dan zullen wij daarin werken”, stelde hij tegenover PvdA-Kamerlid Gerard Nederhorst. Vier dagen later werd de Noodklok nogmaals in de Tweede Kamer geluid, toen driehonderd inwoners – waaronder vijftien burgemeesters en tientallen wethouders – hun opwachting maakten bij de Kamercommissie van Economische en Sociale Zaken. De regering stelde daarop een stuurgroep in die nadere plannen moest uitwerken.