De geschiedenis van Canada begint met de intocht van mensen die vanuit de Beringlandbrug vanuit Azië Noord-Amerika binnentrekken. Over de precieze tijd waarin dit gebeurde is geen zekerheid; de eerste sporen van menselijke aanwezigheid dateren van zo’n 20.000 tot 25.000 jaar geleden. Dit artikel behandelt de geschiedenis van het gebied dat met het huidige Canada samenvalt.
Vóór de komst van de Europeanen Circa 5500 v.Chr. bouwden leden van de nomadische Maritiem-Archaïsche cultuur de grafheuvel van L'Anse Amour aan de kust van het oostelijke schiereiland Labrador. Het is de oudst gekende grafheuvel op het Amerikaanse continent. , "Burials and Bones. A Summary of Burial Patterns and Human Skeletal Research in Newfoundland and Labrador", Newfoundland and Labrador Studies 9, 2 (1993), p. 213-234. Twee gelijkaardige vroeg-Maritiem-Archaïsche grafheuvels uit ca. 5000 v.Chr. werden door archeologen ontdekt op South Aulatsivik Island, een groot eiland voor de kust van Labrador.
Het gebied dat vandaag Canada wordt genoemd werd eeuwenlang bewoond door verschillende inheemse bevolkingsgroepen, zoals de Inuit in het uiterste noorden, de Innu en Mi'kmaq in het oosten en de Beothuk op Newfoundland.
Komst van de Europeanen thumb|Vikingkolonie te L'Anse aux Meadows.
Bijna 500 jaar eerder dan Christoffel Columbus' ontdekking van de Nieuwe Wereld, waren het de Vikingen die Groenland en later ook Noord-Amerika zelf verkenden en zich er trachtten te vestigen. Bij opgravingen in L'Anse aux Meadows op Newfoundland zijn de restanten van een Noorse nederzetting aangetroffen die van rond het jaar 1000 stamt.
Reeds enkele jaren na Columbus' eerste tocht was het John Cabot die in 1497 de oostkust van het huidige Canada verkende en het voor koning Hendrik VII van Engeland claimde. Met zijn schip de Matthew zeilde Cabot langs de kust van Noord-Amerika van Labrador zuidwaarts tot aan de Chesapeake Bay. Het waren echter de Fransen die in de 16e eeuw serieus het achterland van Canada begonnen te verkennen; Jacques Cartier was de eerste in 1534. Frankrijk stichtte in 1605 de eerste nederzettingen in wat nu Port Royal is en in 1608 de stad Québec. De eerste permanente Britse nederzetting in het hedendaagse Canada was de op Newfoundland gelegen plaats Cupids (1610). Baccalieu Tourism, 'Cupids, Site of Cupers Cove. Canada's Oldest British Colony, Founded in 1610'. Gearchiveerde versie van 3 september 2009.
Nieuw-Frankrijk thumb|300px|left|Kaart van Nieuw Frankrijk gemaakt door Samuel de Champlain rond 1612
De eerste Franse pogingen om voet aan de grond te krijgen in Canada verliepen moeizaam en enkele nederzettingen mislukten. De Franse aanwezigheid in Canada (Nieuw-Frankrijk genaamd) groeide echter langzaam in de jaren nadat de eerste permanente nederzettingen waren gesticht en de slechts enkele duizenden pioniers vestigden zich voornamelijk langs de Saint Lawrence en langs de kust. Het was alleen katholieken toegestaan zich in Nieuw-Frankrijk te vestigen, voor anderen was dat verboden.
thumb|’’Voyageurs’’ drijven handel Landbouw en visserij waren aanvankelijk de hoekstenen van de economie en Franse handelaars (Voyageurs) drongen diep het achterland binnen en dreven handel in onder andere beverpelzen. Missionarissen poogden intussen de Indianen die rond de Grote Meren leefden tot het katholieke geloof te bekeren. De Engelsen hadden zich intussen te Newfoundland en het zuiden van Nova Scotia genesteld alsmede rond de in 1610 door Henry Hudson ontdekte Hudsonbaai. Al snel laaiden er conflicten op tussen de Fransen en de Engelsen onderling alsmede tussen de Europese kolonisten en de oorspronkelijke indianenstammen als de Algonquin en de Iroquois. Deze conflicten liepen voor de oorspronkelijke bewoners meestal slecht af en de door de Europese pioniers meegebrachte ziekten eisten eveneens hun slachtoffers onder de Indianen.
Conflicten en neergang left|thumb|Samuel de Champlain, ontdekkingsreiziger en gouverneur van Nieuw-Frankrijk
In 1629 werd Québec door de Engelsen bezet en het duurde tot 1632 voordat Frankrijk weer de controle over Nieuw-Frankrijk verkreeg. In 1663 maakte koning Lodewijk XIV van Frankrijk van Nieuw-Frankrijk een kroonkolonie en provincie van het moederland met een gelijksoortige staatsinrichting als deze van Frankrijk. De in de late 17e eeuw en vroege 18e eeuw woedende oorlogen tussen de Engelsen en de Fransen in Noord-Amerika zoals de King William’s War en de Queen Anne’s War resulteerden in verlies van grondgebied voor Nieuw-Frankrijk. Hoewel Québec behouden bleef voor Frankrijk, vielen Newfoundland en delen van Acadië (nu Nova Scotia) bij de Vrede van Utrecht in 1713 in Britse handen. Frankrijk behield evenwel het strategisch belangrijke Ile-Royale, waar zij het enorme fort Louisbourg bouwden, evenals visserijrechten voor een deel van Newfoundlands kust (de zogenaamde "Franse kust").
De Franstalige bevolking van Acadië weigerde zich te onderwerpen aan de Britten en in 1755 werden 12.000 van hen gedeporteerd. Een groot gedeelte van deze mensen vestigde zich uiteindelijk in Louisiana waar hun nazaten, de Cajun, nu nog wonen.
In 1756 echter brak de Franse en Indiaanse oorlog uit, een conflict dat behalve in de Amerikaanse koloniën ook in Europa zelf werd uitgevochten en daar de Zevenjarige Oorlog werd genoemd. Québec werd vanaf zee belegerd terwijl een Brits leger onder generaal James Wolfe de Fransen een nederlaag te land bezorgde. In september van dat jaar viel Québec ten prooi aan de Engelsen terwijl een jaar later bijna geheel Nieuw-Frankrijk in Engelse handen viel. Op 10 februari 1763 werd de Vrede van Parijs getekend en gaf Frankrijk officieel al zijn gebieden in Noord-Amerika ten gunste van de Britten op, behalve de eilanden Saint-Pierre en Miquelon.
Britse overheersing Na de Britse overwinning in de Franse en Indiaanse Oorlog verkreeg het Verenigd Koninkrijk aldus de controle over ruim 50.000 Franstalige bewoners. In tegenstelling tot de deportaties van 1755 echter werd ditmaal gehoopt dat de Fransen zich in de gemeenschap zouden integreren. Teneinde dit in de hand te werken werd in 1774 middels de Québec Act de provincie Québec gecreëerd en werd tevens het Franse burgerlijk recht en het Rooms-katholieke geloof erkend.
Een jaar later zou de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uitbreken in de Britse koloniën ten zuiden van Canada. Québec werd korte tijd strijdtoneel en de Amerikanen bezetten enige steden in de provincie in de hoop Canada bij de revolutie te betrekken. Uiteindelijk werden zij echter uit Québec verdreven en de provincie bleef trouw aan de Britse Kroon. Vele Québecois meldden zich vrijwillig aan ten zijde van de Amerikanen. Met de Vrede van Parijs (1783) erkenden de Britten de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. Tijdens en vooral na de Amerikaanse Revolutie kreeg Canada te maken met een instroom van Britse loyalisten die de jonge Verenigde Staten ontvluchtten. Zo’n 50.000 van hen vestigden zich in Brits Noord-Amerika. Met de Constitutional Act van 1791 werd het land opgesplitst in Opper-Canada (nu Ontario) en Beneden-Canada (nu Québec).
Oorlog van 1812 thumb|De Slag bij Queenston Heights in 1813 In 1812 brak er opnieuw oorlog uit in Noord-Amerika, tussen het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten en opnieuw werd Canada het strijdtoneel. In 1812 en 1813 vielen Amerikaanse troepen Canada binnen en bezetten onder andere Fort York, het latere Toronto. Tevens verkregen de VS de controle over de Grote Meren na de Slag om het Eriemeer te hebben gewonnen. De Amerikanen hoopten, net zoals bij de Onafhankelijkheidsoorlog een generatie eerder, Canada bij de oorlog te betrekken maar hoewel een deel van de Canadese bevolking de invasie goedgezind was, ontbrak er voldoende steun daar vooral de loyalisten en de Franstaligen geen deel wilden gaan uitmaken van de VS. Omgekeerd vielen de Britten de VS binnen vanuit Canada maar werden op hun beurt teruggedreven. Hoewel de oorlog militair geen overwinnaar kende, was de politieke en morele winnaar de VS, een land dat zijn onafhankelijkheid bekrachtigde en zich definitief van de Britten ontdeed. In Canada echter werd en wordt de oorlog van 1812 gezien als een overwinning tegen een Amerikaanse invasie en is hij nog steeds belangrijk voor de Canadese nationale psyche.
Canada krijgt vorm In de periode na de Oorlog van 1812 ontstond er onder de Canadese bevolking de behoefte aan meer eigen politieke identiteit en een meer onafhankelijke koers, los van het moederland. Er waren twee stromingen die de meeste aanhangers kenden: de ene die zelfbestuur in de interne aangelegenheden wilde verkrijgen en een andere stroming die geheel onafhankelijk wilde worden en een republiek naar Amerikaans of Frans voorbeeld wilde oprichten in Canada.
Een van de meer radicale hervormers was Louis-Joseph Papineau die als lid van de koloniale wetgevende vergadering in Lower Canada hervormingen trachtte door te voeren die door de Britse autoriteiten echter in de wind werden geslagen. In 1837 en 1838 laaiden deze hervormingspogingen op en braken er diverse gewapende opstanden uit in zowel Lower Canada als Upper Canada. Deze opstanden werden snel en bloedig door de Britten neergeslagen en diverse leiders van de opstandelingen, waaronder Papineau, vluchtten naar de Verenigde Staten. Tegelijkertijd trachtten Ierse immigranten tevergeefs het zuidwesten van Upper Canada, het gebied rond het huidige Windsor, Ontario, in te nemen om er een zelfstandige kolonie te vestigen.
In 1838 werd lord Durham aangesteld als de nieuwe gouverneur-generaal in Brits Noord-Amerika en hij kreeg als taak de oorzaak van de opstanden te onderzoeken. Zijn in 1839 opgestelde rapport Report on the Affairs of British North America (Rapport aangaande de toestand van Brits Noord-Amerika) stelde dat in zijn ogen de hoofdoorzaak van de opstanden de wrijving was die er tussen de Franstalige en Engelstalige bevolkingsgroepen bestond en dat een unie tussen de twee de enige oplossing was. Zo kon, zei hij, de achterwaartse Franse gemeenschap in de Engelse integreren waardoor het probleem van conflicterend nationalisme zou kunnen worden opgelost.
Act of Union In 1840 kreeg lord Durhams opvolger, lord Sydenham, de taak om de aanbevelingen in Durhams rapport te implementeren en dit resulteerde in de Act of Union die Upper en Lower Canada samenvoegde om de provincie Canada te vormen. Hoewel beide delen evenveel zeggenschap kregen in de wetgevende vergadering van de verenigde provincie, werd Engels de enige officiële taal en werden er pogingen ondernomen om de Franstalige gemeenschap volledig te verengelsen. Al snel echter werden een aantal van deze maatregelen weer ongedaan gemaakt en werd Frans wederom een van de officiële talen van Canada. Tevens kregen de leiders van de opstanden van 1837/38 amnestie en keerden verscheidenen van hen terug naar Canada.
Onder de Act of Union werden ook de relaties met de Verenigde Staten aangehaald en werden de meeste grenstwisten diplomatiek opgelost via verdragen. In de decennia die volgden, werd echter de roep om meer eenheid en interne zelfstandigheid groter. Tevens was er een wens om westwaarts over het continent uit te breiden in navolging van de Amerikaanse expansie. De grens met de VS in de westelijke gebieden werd vastgesteld langs de 49e breedtegraad, in 1858 werd de kroonkolonie Brits-Columbia opgericht en in 1866 werd deze verenigd met Vancouvereiland.
Confederatie left|thumb|Father of Confederation en eerste minister-president van Canada Sir John A. MacDonald