Gigantoraptor is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Oviraptorosauria, dat tijdens het Late Krijt in het gebied van het huidige Binnen-Mongolië voorkwam.

Het fossiel van Gigantoraptor werd in 2005 bij toeval gevonden tijdens televisieopnamen van een opgraving. Het dier kreeg in 2007 zijn naam, die "gigantische rover" betekent, toen de typesoort Gigantoraptor erlianensis benoemd werd. Er is maar één gedeeltelijk skelet van de soort opgegraven en daarvan ontbrak de schedel. Daarom is het niet duidelijk of Gigantoraptor tot de Oviraptoridae of de Caenagnathidae behoort.

Gigantoraptor was een reusachtig dier en de grootste bekende oviraptorosauriër. Hij had een lengte van ruim acht meter en een gewicht van een kleine twee ton. Gigantoraptor leek veel op een vogel. Hij liep op zijn achterpoten, was warmbloedig en had een verenkleed met een soort vleugels. Met zijn korte bevederde staart en korte tandeloze kop, voorzien van een snavel, aan het uiteinde van een lange hals had hij wel iets van een gigantisch hoen weg. Vermoedelijk was Gigantoraptor, ondanks zijn naam, een planteneter maar het is niet bekend waaruit zijn voedsel precies bestond.

Vondst en naamgeving In april 2005 bezocht een Japanse televisieploeg een groeve bij Saihangaobi, in de regio Sonid Zuoqi, waar sinds 2001 talrijke resten van de titanosaurische sauropode Sonidosaurus werden opgedolven. Men vroeg de paleontoloog Xu Xing voor het oog van de camera de eerste vondst van een bot uit de vindplaats na te spelen. Xu stemde hierin toe en begon een fossiel op te graven. Toen hij ermee klaar was, bekeek hij het nieuwe fragment wat nauwkeuriger en kwam tot de conclusie dat voor het eerst in vier jaar beenderen van een andere gewervelde dan de sauropode aan het licht gebracht waren: het fossiel, een dijbeen, vertegenwoordigde een nog onbekende soort, een reusachtige theropode die in grootte met Sonidosaurus overeenkwam.

De typesoort Gigantoraptor erlianensis is in 2007 beschreven door Xu, Tan Qingwei, Wang Jianmin, Zhao Xijin en Tan Lin. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse giganteus, "reusachtig" en raptor, "rover". De soortaanduiding verwijst naar de herkomst nabij de stad Erlian en uit het Erlianbekken.

Het holotype LH V0011, werd eerst gezien als afkomstig uit lagen van de Erlianformatie die vermoedelijk dateert uit het Santonien-Campanien, ruwweg 85 miljoen jaar geleden, maar is later herijkt tot de jongere Iren Dabasoe-formatie die dateert uit het Campanien-Maastrichtien, ongeveer zeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit fragmenten van een enkel skelet zonder schedel maar met onderkaken. Bewaard zijn gebleven: de mandibula; een wervelboog van een achterste halswervel; acht stukken ruggenwervel; verschillende ribben; buikribben; het sacrum; zevenentwintig staartwervels; veertien chevrons; een stuk rechterschouderblad; een vorkbeen; een borstbeen; een opperarmbeen; een ellepijp; een spaakbeen; een radiale; een halvemaanvormig carpale; een hand; een stuk darmbeen; beide schaambeenderen; een dijbeen; een scheenbeen, een kuitbeen en een voet. Het specimen maakt deel uit van de collectie van het Long Hao Geologic and Paleontological Research Center.

De benoeming van Gigantoraptor kreeg veel aandacht van de internationale pers. Vanwege het bizarre uiterlijk is het dier bij het grote publiek van de vele honderden dinosauriërsoorten die in de eenentwintigste eeuw ontdekt zijn een van de bekendste geworden.

In 2017 werd de onderkaak in detail beschreven.

Beschrijving left|thumb|300px|Een groottevergelijking met een mens samen met een Macroelongatoolithus-ei

Algemene bouw en grootte Gigantoraptor is een gigantische oviraptorosauriër: met een lengte van acht meter, een rughoogte van drie meter en een geschat gewicht van 1400 kilogram, is hij verreweg het grootst bekende lid van de groep, waarvan de andere ontdekte leden vrij kleine dieren waren, sommigen driehonderd keer lager in massa. In 2010 schatte Gregory S. Paul het gewicht zelfs op twee ton; de schatting van Xu was namelijk gebaseerd geweest op een extrapolatie van de omtrek van het dijbeen, 349 millimeter, de formule van John F. Anderson toepassend: , welke verhouding echter afgeleid was van een groot aantal gewervelden waarbij natuurlijk geen rekening gehouden kon worden met het feit dat het dijbeen van Gigantoraptor relatief dun was ten opzichte van het lichaam als geheel. Groeilijnen van de botten van het holotype duiden op een leeftijd van slechts elf jaar zodat het gevonden exemplaar een subadult was die volwassen zelfs nog iets groter had kunnen worden. Xu stelde in 2007 dat Gigantoraptor het grootste bekende lid van de Maniraptora was, inclusief de vogels, maar liet daarbij de op basis van fragmentarische resten beschreven Therizinosaurus buiten beschouwing die vermoedelijk nog eens drie maal groter is. Ook overschatte hij de rughoogte op drieënhalve meter doordat de achterpoot te gestrekt gereconstrueerd werd. In 2017 sloot Xu zich aan bij Pauls gewichtschatting.

Ondanks de enorme afmetingen, zijn de proporties van het dier niet heel verschillend van die van zijn verwanten, met een korte staart, zeer lange poten en armen en een gedrongen schedel gedragen door een lange nek.

Onderscheidende kenmerken thumb|370px|Een reconstructie van het skelet Omdat het benoemende artikel in het blad Nature gepubliceerd werd, dat sterke beperkingen oplegt aan de lengte ervan, bevatte het geen zeer grondige beschrijving. In het kader van een fylogenetische analyse codeerden de beschrijvers echter wel een groot aantal onderscheidende kenmerken en die somden ze in het artikel op als een diagnose. De onderkaak heeft minder dan 45% van de lengte van het dijbeen. Het buitenste oppervlak van het dentarium heeft een groeve die tot bijna aan de punt doorloopt; deze groeve wordt overhangen door een richel die tot iets voor en boven de buitenste zijopening van de onderkaak reikt. De onderste achterste tak van het dentarium is zeer lang en loopt tot onder het middenkaakgewricht. Het articulare heeft een achterste uitsteeksel dat naar achteren toe versmalt en veel hoger is dan breed. De voorste staartwervels zijn opisthocoel: van voren bol en van achter hol; de achterste staartwervels zijn daarentegen juist procoel: van voren hol en van achteren bol. De voorste staartwervels hebben op het zijoppervlak een paar boven elkaar liggende pneumatische openingen. De voorste en middelste staartwervels hebben op de onderkant een grote pneumatische opening. De voorste staartwervels hebben hoge doornuitsteeksels, ongeveer drie maal hoger dan de basis lang is, en robuuste en staafvormige zijuitsteeksels die tamelijk ver achteraan geplaatst zijn. De voorste staartwervels hebben een onderste achterrand die aanzienlijk uitsteekt en zijn voorzien van een complex systeem van zes richels op hun zijwanden. De middelste staartwervels hebben voorste gewrichtsuitsteeksels die zo lang zijn dat hun verticale gewrichtsfacetten nog meer vooraan liggen dan de achterkant van de voorste uitsteeksels van de voorliggende wervel. Het schouderblad heeft op het buitenste oppervlak een opvallende bolling onder de processus acromialis. Het opperarmbeen is naar buiten gebogen en heeft een opvallende bolvormige kop. De deltopectorale kam is sterk naar de binnenkant van het opperarmbeen gedraaid en over de achterrand van de bovenste helft van de schacht loopt een dikke richel die middenin vernauwt. De ellepijp heeft een min of meer cirkelvormig bol bovenste gewrichtsoppervlak. Het spaakbeen heeft een bolvormig onderste uiteinde. Het eerste middenhandsbeen heeft aan het onderste uiteinde een enigszins bolle rand aan de zijde die naar het lichaam gekeerd is; de gewrichtsknobbel aan die kant is drie keer zo hoog als breed en steekt veel verder naar onderen uit dan de gewrichtsknobbel aan de andere zijde. Het tweede middenhandsbeen heeft aan het boveneind een opvallende verhoging aan de bovenste zijkant die van het lichaam af gericht is en een lengtegroeve op de onderrand van het bovenste derde deel van de schacht. De handklauwen hebben zijgroeven die een driehoek vormen. Het schaambeen is zijdelings samengedrukt. Het dijbeen heeft een rechte schacht en een vernauwde nek terwijl de bolle kop naar het midden en iets naar achteren gedraaid is. De kam van de trochanter is van voor naar achteren breed, robuust en van voren hoger dan van achteren met een nauwe groeve aan de zijde van het lichaam die doorloopt tot aan de achterrand van de dijbeenschacht. Op het midden van de onderste voorkant van het dijbeen bevindt zich een groeve. Het sprongbeen is zo breed dat het het calcaneum aan de voorzijde helemaal bedekt. De onderkant van het vierde middenvoetsbeen heeft op de buitenste zijkant een naar boven gericht uitsteeksel. Het derde middenvoetsbeen heeft onderaan een scharniergewricht. De teenklauwen hebben twee zijgroeven en een toegeknepen bovenste gewrichtsvlak.

Skelet Onderkaken De eigenlijke schedel is volledig onbekend. Uitgaande van gedachte dat het een oviraptoride betrof, toonden de meeste reconstructies een bolle kop met een vooraan geplaatste kam. Die werd voorzichtigheidshalve vrij laag aangegeven, maar sommige oviraptoriden hadden zeer hoge schedelkammen. Latere fylogenetische analyses geven aan dat Gigantoraptor ook tot de Caenagnathidae behoord kan hebben: in dat geval is het aannemelijker dat de kam meer naar achteren op de schedel stond. De onderkaken zijn tandeloos en dat zal ook voor de bovenkaken gegolden hebben; het dier was hoogstwaarschijnlijk uitgerust met een hoornsnavel. De kaken zijn een halve meter lang, vormen met elkaar van boven bezien een haast rechthoekige mandibula en tonen de typische bolle kaakrand die impliceert dat ook de schedel gekromd zal zijn, in dit geval hol. De onderkaken zijn ook erg hoog, vooral vooraan waar een massief dentarium gevormd wordt met vooraan zowel een opstekende kaakpunt als onderaan een "kin". Dit os dentale is in absolute zin het hoogste van de Oviraptorosauria en relatief het hoogste van alle bekende Caenagnathidae. Het buitenoppervlak van het dentarium vormt geen vlakke maalplaat: net boven de kin bevindt zich een diepe opening; daar schuin boven en achter gaat de omgevende uitholling daarvan over in een zich verbredende trogvormige groeve die tot aan de bovenste kaakrand doorloopt. De bovenrand van die trog is ook nog eens verdikt tot een opvallende richel. De buitenste zijopening van de onderkaak, de fenestra mandibularis externa, ligt tamelijk achteraan en is relatief klein en langwerpig met een holle bovenrand; er steekt geen punt van het surangulare in uit. Het dentarium vult zo een belangrijk deel van de bolling op, wat de onderkaak versterkt; het naar achteren doorlopen van de onderste tak van het dentarium immobiliseert het middengewricht en verstijft zo de constructie nog verder. Daarbij is het kaakgewricht zwaargebouwd, hol en zeer breed waarbij de beide gewrichten elkaar bijna in het midden raken. Het geheel lijkt een aanpassing te zijn aan een krachtige kauwfunctie.