De strijd om de Maasbruggen in Rotterdam begon in de vroege ochtenduren van 10 mei 1940 en eindigde op 14 mei met de overgave van de stad na het bombardement. Het bezit van deze bruggen was van cruciale betekenis voor de Duitse aanval op Nederland. Tezamen met de bruggen bij Moerdijk en in Dordrecht vormden de Maasbruggen een corridor waardoor de Duitse hoofdmacht, met de 9e Pantserdivisie als kern, het hart van de Vesting Holland zou kunnen binnendringen en zo de strijd definitief in Duits voordeel zou kunnen beslissen. Het veiligstellen van deze corridor was - naast de aanval op Den Haag - opgedragen aan het LuftlandekorpsHet bestaan van deze formatie, ook wel aangeduid als 7e Fliegerkorps, was door de Duitsers, gezien de beoogde strategische verrassing, zorgvuldig geheim gehouden. Voordat de aanval in het Westen losbarstte werden verhullende termen, zoals Flieger, gebezigd voor de aanduiding van de betrokken eenheden. onder bevel van Generalleutnant Student.Het Luftlandekorps maakte deel uit van de Luftwaffe. Maar op de 13e mei werd een wijziging van de bevelsverhoudingen doorgevoerd. De hele aanvalsmacht in Rotterdam, inclusief het Luftlandekorps, werd, als onderdeel van het 18e Leger van General der Artillerie von Küchler, onder bevel geplaatst van General der Panzertruppe Schmidt. Dit legerkorps bestond geheel uit luchtlandingstroepen, inclusief parachutistenHet Luftlandekorps had een sterkte van 19.000 man, wat aanzienlijk minder is dan de sterkte van een regulier legerkorps. Vijfhonderd parachutisten van het Luftlandekorps zouden overigens niet in Nederland, maar op het Belgische strijdtoneel worden ingezet., en had de beschikking over de nodige luchttransportcapaciteit en escorterende gevechtsvliegtuigen. De Duitse luchtlandingstroepen die bij de strijd om de Maasbruggen werden ingezet stonden ter plaatse onder bevel van Oberstleutnant (luitenant-kolonel) Von Choltitz.
10 mei: verrassingsaanval, tegenmaatregelen thumb|left|Vliegveld Waalhaven tijdens de aanval In de vroege ochtenduren van de 10e mei landden aan weerszijden van de Maasbruggen twaalf watervliegtuigen. Hieruit kwamen ongeveer 120 Duitse soldatenDit aantal wordt genoemd in de studie van Kamphuis et al. Goossens houdt het op zijn website Zuidfront Holland 1940 op 80 à 90 man., die zich in rubberbootjes begaven naar strategische punten op en nabij de Maasbruggen. Korte tijd later kregen zij versterking van een peloton van enige tientallen parachutisten die bij het Feijenoordstadion waren neergekomen. Op de noordelijke oever vormden de Duitsers een bruggenhoofd, dat geleidelijk werd uitgebreid tot enige honderden meters vanaf het noordelijke landhoofd van de Willemsbrug (de verkeersbrug over de Nieuwe Maas).Dit bruggenhoofd heeft overigens nooit een aaneengesloten geheel gevormd, maar steeds bestaan uit een aantal geïmproviseerde stellingen die hier en daar vrij ver van elkaar verwijderd lagen. Weer later bereikten luchtlandingstroepen, die op het inmiddels door parachutisten veroverde Vliegveld Waalhaven aan de grond waren gezet, het Noordereiland. Hun opmars naar de bruggen had vertraging opgelopen door verdedigend optreden van Nederlandse troepen in Rotterdam-Zuid. Slechts weinigen wisten uiteindelijk door te dringen tot het noordelijke bruggenhoofd, want inmiddels waren de bruggen onder Nederlands vuur komen te liggen.
In Rotterdam waren ongeveer zevenduizend Nederlandse militairen gelegerd, maar het merendeel hiervan had verzorgende en logistieke taken of was nog in opleiding en had derhalve nauwelijks, respectievelijk beperkte gevechtswaarde. Wat betreft de landmacht was slechts één infanteriebataljon, bestemd voor bewakingstaken, tot op zekere hoogte te beschouwen als bestaande uit geoefende combattanten. Daar kwam bij dat de militaire leiding ter plaatse in het geheel niet was voorbereid op een Duitse aanval in het hart van de stad.
De chaos werd nog vergroot door een onduidelijke bevelstructuur. Zo was in Rotterdam nogal wat marinepersoneel gelegerd, hoofdzakelijk bestaande uit circa 450 mariniers (beroepsmilitairen, en gevechtstroepen bij uitstek), die echter voor het merendeel nog in opleiding waren, en ongeveer evenveel zeemiliciëns (dienstplichtig vlootpersoneel). Deze marinetroepen stonden rechtstreeks onder de minister van Defensie. Hun commandant, kolonel Von Frijtag Drabbe, had opdracht naar bevind van zaken te handelen. Kolonel Scharroo, die het bevel voerde over de landmacht in de stad, had over deze 'maritieme middelen' formeel dus geen enkele zeggenschap. Ondanks dit alles kwamen al vrij spoedig Nederlandse tegenmaatregelen – soms met geïmproviseerde eenheden van gemêleerde samenstelling - van de grond.
De Duitsers in het noordelijke bruggenhoofd werden al kort na hun aankomst door acties van Nederlandse verbanden teruggedrongen tot posities in de onmiddellijke omgeving van het gebouw van de Nationale Levensverzekeringbank, recht tegenover het noordelijke uiteinde van de Willemsbrug.'s Avonds nam het merendeel van de Duitsers hun intrek in dit gebouw Zij leden tijdens die eerste gevechten aanzienlijke verliezen. Hun situatie werd er niet beter op toen Nederlandse militairen van land- en zeemacht wisten door te dringen tot nabijgelegen panden met een goed schootsveld: het Witte Huis en het Maashotel. Uit dat laatste gebouw werden de Nederlanders echter verdreven toen de Duitsers er vanaf het Noordereiland in slaagden het Maashotel in brand te schieten.
De Duitse posities op de Maasbruggen waren eerder op de dag ook onder kanon- en mitrailleurvuur komen te liggen van twee Nederlandse marineschepen (De TM51 en de Z5). Het eerstgenoemde schip werd buiten gevecht gesteld door een Duitse luchtaanval en het andere trok zich later terug nadat het zijn munitie had verschoten. Om substantiëlere steun te kunnen geven wilde de marine nog een zwaardere eenheid in de strijd werpen, namelijk de torpedobootjager Van Galen. Dit schip had echter technische problemen met zijn luchtafweer en dat werd op de Nieuwe Waterweg, die nauwelijks manoeuvreerruimte bood, fataal. De Van Galen werd onderweg naar Rotterdam door Duitse Stuka's tot zinken gebracht.
Ondanks de Nederlandse tegenmaatregelen op de eerste oorlogsdag waren de bruggen nog volledig intact en de Duitsers niet uit het noordelijke bruggenhoofd verdreven, zij het dat zij wel geïsoleerd waren geraakt van hun strijdmakkers op het Noordereiland.
11 en 12 mei: toenemende nervositeit Na de hectische eerste oorlogsdag stabiliseerde zich de militaire situatie in de Maasstad. Wel stuurde het Algemeen Hoofdkwartier, ter versterking van de verdediging, nog 3500 man infanterie naar Rotterdam. De Nederlandse troepen namen over een breed front op de noordelijke oever van de Nieuwe Maas verdedigende posities in om een eventuele Duitse oversteek van de rivier het hoofd te kunnen bieden.
In de stad heerste ondertussen een nerveuze stemming. De vrees voor acties van een vijfde colonne en valse geruchten over Duitse troepenbewegingen in het noordelijk deel van de stad, leidden tot nodeloze activiteit onder de verdedigers. Herhaaldelijk kwam het voor dat Nederlandse militairen elkaar onder vuur namen.
De vijandelijkheden in de omgeving van het Duitse bruggenhoofd en langs de Nieuwe Maas gingen intussen door. Beide partijen bestookten elkaar met mortieren en artillerie.De Duitsers beschikten behalve over pantserafweerkanonnen ook over licht infanteriegeschut. Dat had weliswaar een kleiner kaliber dan de Nederlandse vuurmonden, maar men kon er effectief vuur mee uitbrengen op de Nederlandse posities aan de overzijde van de Nieuwe Maas. Nederlandse bommenwerpers die van Schiphol waren opgestegen vielen op 11 mei de Willemsbrug aan, maar hun bommen troffen geen doel. In plaats daarvan kregen enkele panden op het Noordereiland voltreffers. De volgende dag waren Nederlandse bommenwerpers actief boven Rotterdam-Zuid en werd vliegveld Waalhaven gebombardeerd. Eveneens op de 12e mei voerden de Duitsers een aantal luchtbombardementen uit op specifieke doelen. Als gevolg hiervan ging onder andere de marinierskazerne in vlammen op. De mariniers wisten de kazerne zonder verliezen en met medeneming van uitrusting en munitie te ontruimen.
De burgerbevolking van het Noordereiland had het door de bommen en beschietingen zwaar te verduren. Woonhuizen werden getroffen en hier en daar brak brand uit. Op de westelijke punt van het eiland ging een groot aantal woonhuizen in vlammen op.Er zijn bij dit alles ongetwijfeld burgerslachtoffers gevallen, maar de literatuur geeft hierover geen bijzonderheden. Er ontstond voedselschaarste, en gebrek aan drinkwater door gesprongen leidingen. Verzoeken vanuit de burgerij om het Noordereiland te mogen verlaten en elders een veilig heenkomen te zoeken werden echter door de Duitse militaire leiding afgewezen. Alleen kinderen beneden de tien jaar en hun moeders mochten gaan.Pas op 14 mei, kort voor het bombardement, kregen vrouwen, kinderen en ouderen vanaf 60 jaar toestemming te vertrekken. Dit komt erop neer dat de burgerbevolking op het Noordereiland door de Duitsers werd gebruikt als levend schild.
13 mei: tegenaanval mariniers Op de avond van de 12e mei werd duidelijk dat de tanks van de 9e Pantserdivisie elk moment in Rotterdam zouden kunnen verschijnen. Hoe kon men beletten dat die tanks over de Willemsbrug verder zouden binnendringen in het hart van de Vesting Holland en zo de strijd definitief in Duits voordeel zouden beslissen? Besloten werd om in de vroege ochtend van de 13e mei een tegenaanval te ondernemen. Het infanteriebataljon dat hiervoor werd aangewezen arriveerde echter te laat in de Maasstad, zodat men opnieuw een beroep moest doen op de mariniers, die al vanaf de eerste oorlogsdag vrijwel onafgebroken in gevecht waren geweest. Doel van die tegenaanval was het bezetten van het Noordelijke landhoofd van de Maasbruggen, teneinde die te kunnen opblazen voordat de Duitse hoofdmacht de aanval over de bruggen zou inzetten.
Nederlandse troepen die de tegenaanval zouden uitvoeren konden niet alleen onder vuur worden genomen vanaf het Noordereiland, maar ook vanuit het vijandelijke bruggenhoofd, met name door de circa 50 Duitsers die zich hadden verschanst in en rond het gebouw van de Nationale Levensverzekeringbank, recht tegenover de Willemsbrug. Betrouwbare inlichtingen over de Duitse posities ontbraken echter. Ook de coördinatie van de tegenaanval liet veel te wensen over, en de opdrachten die de betrokken commandanten kregen waren vaag.
De middelen om dit Duitse bruggenhoofd uit te schakelen, dan wel stormrijp te maken, waren wel degelijk beschikbaar. In en om Rotterdam stonden twaalf stukken 10,5 centimeter geschut van een afdeling veldartillerie opgesteld. Die kwam echter niet tijdig in actie, en slaagde er bovendien niet in om accuraat vuur uit te brengen. Voorts waren een compagnie mortieren en twee pantserwagens, elk voorzien van een 37 mm kanon, beschikbaar. Met soortgelijke middelen waren de Duitsers er op de eerste oorlogsdag in geslaagd de Nederlanders uit het Maashotel te verdrijven. De mortieren werden echter in het geheel niet ingezet omdat de betrokken commandant verklaarde dat zijn wapens op het gebouw van de Nationale Levensverzekeringbank onvoldoende uitwerking zouden hebben. Een van de pantserwagens bracht tijdens de aanvalsactie wel vuur uit op dat gebouw, maar werd al spoedig getroffen door Duits antitankgeschut en moest de strijd staken.
De Nederlandse tegenaanval, die het dus moest stellen zonder betrouwbare inlichtingen en zonder adequate vuursteun, werd uitgevoerd door een compagnie mariniers en een compagnie geformeerd uit personeel van het marinedepot in Kralingen, waar zowel mariniers als zeemiliciëns waren gelegerd. De eerstgenoemde compagnie zou vanuit oostelijke en de andere vanuit westelijke richting oprukken. Zij kwamen niet gelijktijdig in actie, maar na elkaar. Dit kwam de effectiviteit van de tegenaanval niet ten goede.