300 px|thumb|De Universiteit van Berlijn (foto uit 1900), de eerste universiteit die - met Hegel - geschiedfilosofie in haar aanbod opnam. Geschiedfilosofie, of wijsbegeerte der geschiedenis, is de tak van de filosofie die zich zowel bezighoudt met de betekenis, die mogelijk kan worden toegekend aan de menselijke geschiedenis, als met het analyseren van de praktijk van de geschiedschrijving. De klassieke geschiedfilosofie speculeert bovendien over een mogelijk achterliggend teleologisch principe in de menselijke ontwikkeling. Daarbij stelt men zich de vraag of er een ontwerp is, een doel, een richtinggevend beginsel dat de menselijke geschiedenis beheerst.
Voltaire was de eerste die de term "la philosophie de l'histoire" gebruikte in zijn Essai sur les Mœurs et L'Esprit des Nations.
Onderscheid met verwante begrippen Geschiedfilosofie mag niet verward worden met de historiografie, die zich als academische discipline bezint op de te gebruiken methodes en werkwijzen van de geschiedschrijving. Evenmin is ze gelijk aan de filosofiegeschiedenis, die de evolutie bestudeert van filosofische ideeën als zodanig.
De grens tussen geschiedfilosofie en historiografie is niet altijd even scherp, omdat geschiedschrijving meer is dan alleen de feiten chronologisch rangschikken: er vindt een proces van selectie - en vervolgens interpretatie - plaats van vermeldenswaardig geachte historische feiten.
Historici die geschiedkundige feiten interpreteren vanuit een raamwerk van een of ander 'groter plan' - hetzij theologisch, teleologisch of wat dan ook - houden zich duidelijk wel bezig met geschiedfilosofie.
Een ander typerend kenmerk van de geschiedfilosoof is dat hij op zoek gaat naar 'wetmatigheden', die hij in gebeurtenissen uit het verleden meent waar te nemen. Een historicus die een objectieve geschiedenis van een regio in kaart brengt houdt zich daarentegen duidelijk niet bezig met geschiedenisfilosofie.
Twee soorten geschiedfilosofie De term 'geschiedenis' verwijst zowel naar de gebeurtenissen in het verleden, als naar het wetenschappelijk vakgebied dat deze gebeurtenissen bestudeert. Navenant bestaan er twee soorten geschiedfilosofie: de substantieve of speculatieve geschiedfilosofie de kritische of analytische geschiedfilosofie
De speculatieve variant richt zich op de maalstroom van gebeurtenissen uit het verleden, en tracht daarin patronen te ontdekken, en zomogelijk bovendien een bepaalde zin en richting.
De analytische variant richt zich op praktijk en theorie van de geschiedschrijving zelf.
Speculatieve geschiedfilosofie Geschiedschrijvers uit de oudheid trachtten wat bekend was uit het verleden in zijn totaal te overzien. Door het historisch proces te bestuderen hoopten zij de richting waarin geschiedenis zich bewoog te achterhalen, en mogelijk te voorspellen wat er ging komen. Enkele voorbeelden van speculatieve theorieën zijn: de teleologische theorie: het idee van een (goddelijk) plan, waarin de gebeurtenissen - hoe vreselijk ze ook mogen zijn - zin zouden hebben. Beroemd is de mijmering van Augustinus van Hippo (in De Civitate Dei, Over de stad Gods) hoe het kwam dat het heidense Romeinse Rijk zo succesvol was terwijl het in de christelijke tijd in verval geraakte. de cyclustheorie: de theorie van de cyclische herhaling van gebeurtenissen. Zo sprak Plato bijvoorbeeld over 'Het Grote Jaar', waarbij na een periode van ca. 10.000 jaar (afhankelijk van de bronnen) Zon, Maan en planeten eerst vernietigd worden, terug verschijnen op de oorspronkelijke positie en de geschiedenis zich vervolgens op dezelfde manier herhaalt.
In het algemeen stelt de speculatieve geschiedfilosoof zich typische vragen als: Wat is het studieobject van deze discipline: het individu? De polis (stad)? Het soeverein territorium? De beschaving of de cultuur? Of de gehele menselijke soort? Zijn er binnen die menselijke geschiedenis ruime patronen te herkennen? Is er bijvoorbeeld sprake van een patroon van vooruitgang? Of cycli? Of zijn er helemaal geen patronen of cycli, en verloopt de menselijke geschiedenis dus willekeurig en verstoken van om het even welke betekenis? Aangenomen dat geschiedenis een doel heeft, wat is dan wel precies dat doel? Gaat het in een positieve of negatieve richting? En wie of wat zit daar dan achter als drijvende kracht?
De speculatieve geschiedfilosofie, de 'klassieke' variant dus, zou tot de opkomst van de natuurwetenschappen in de 16e eeuw de theorievorming rond geschiedenis blijven beheersen. Nog in 1822 begon Georg Hegel aan een reeks lezingen over geschiedfilosofie waarin hij de loop van de geschiedenis beschreef in teleologische zin. Door een dialectisch proces van these, antithese en synthese bereikte de menselijke beschaving een steeds hoger niveau. De geschiedenis is een geleidelijke ontwikkeling van menselijke vrijheid. Niet een god, maar geist, de geest van het volk (dat zich wil verheffen), is hierbij de stuwende kracht van de geschiedenis.
Varianten van een cyclische opvatting bleven tot in de 20e eeuw populair met auteurs als Oswald Spengler, die in 1918 in zijn pessimistische De ondergang van het Avondland beschavingen vergeleek met de levensloop van een individu: groei, volwassenheid en (onvermijdelijk) verval. Gelijkaardige pogingen tot een betekenisgerichte geschiedschrijving zijn ondernomen door Arnold Toynbee (1889-1975), auteur van een 12-delig werk Study of History.
Analytische geschiedfilosofie
Analytische (of kritische) geschiedfilosofie is te beschouwen als de epistemologie van de historische kennis. Zij ontstond in de late 19e eeuw en werd voornamelijk bepaald door het paradigma van de natuurwetenschappen. De positivistische traditie navolgend werd getracht om de gebeurtenissen uit het verleden causaal te verklaren, met toepassing van psychologische, sociale en andere 'wetten '. Onder meer Wilhelm Dilthey kwam hiertegen in opstand door te stellen dat geschiedenis, net als alle andere humanistische wetenschappen, behoort tot de zogenaamde geesteswetenschappen, waar andere regels van kracht zijn en niet wordt getracht te verklaren maar te begrijpen (verstehn).
In de 20e eeuw werd dit debat nieuw leven ingeblazen. Filosofen als Carl Gustav Hempel en Morton White werkten met het concept van causaliteit in de geschiedenis, terwijl R. G. Collingwood en William Dray hun aandacht richtten op wat de historische actoren bedoelden, dus de redenen die hen tot actie hadden aangezet. Dit debat staat ook bekend als het dispuut tussen reductionisten en anti-reductionisten, waarbij deze laatsten de mens niet tot wetenschappelijk en causaal verklaarbaar object wilden reduceren.
In de niet-reductionistische traditie hebben historici steeds het narratieve karakter van geschiedenis benadrukt: een historicus moest trachten een zo coherent mogelijk verhaal samen te stellen van hoe het zou kunnen geweest zijn. Daardoor wordt geschiedenis echter geen sciencefiction: het verhaal wordt aangewend als narratief instrument (Louis Mink: "narrative instrument"). Hiermee bedoelt Mink dat de constructie van een 'verhaal' net zo nuttig is voor de historicus als de constructie van een theorie dat voor de wetenschap is.
De moderne academische geschiedschrijving keert zich sedert de publicaties van de Franse historicus Fernand Braudel meer en meer af van de politieke geschiedschrijving - het verhaal van koningen, pausen en generaals - omdat ze deze personages en 'snelle' gebeurtenissen slechts opvat als oppervlakkige uitingen van 'tragere' stromingen zoals economische en sociale veranderingen. Volgens deze opvatting moet de historicus (in plaats van verhalen te vertellen) gebruikmaken van de methoden en concepten uit de sociale wetenschappen. Het debat heeft nu wat van zijn scherpte verloren, maar sommige historici zoals Simon Schama (BBC reeks A History of Britain) en Tom Holland (Rubicon. The Triumph and Tragedy of the Roman Republic) bewijzen dat de narratieve geschiedschrijving nog springlevend is en zelfs een ware comeback lijkt te maken. Uiteindelijk, zo stelt de Franse filosoof Paul Ricoeur, bevat zelfs de meest ostentatieve niet-narratieve geschiedschrijving onvermijdelijk narratieve kenmerken.
Ontwikkeling van de geschiedfilosofie Bij de studie van geschiedfilosofie wordt het duidelijk dat verschillende levensbeschouwelijke achtergronden leiden tot verschillende vormen van geschiedfilosofie: zo zijn er theologische, materialistische, idealistische, naturalistische en positivistische opvattingen van geschiedenis, al naargelang de filosofische positie waarvan wordt uitgegaan.
Grieks-Romeinse oudheid In de 8e eeuw voor onze tijdrekening gaf de Griekse geschiedschrijver Hesiodus nog een poëtisch, mythisch verslag van het ontstaan van goden en mensen. Vanaf de Ionische filosofen zoals Thales is er een kentering merkbaar in het Griekse denken over de wereld en zichzelf. Deze school zocht de oorsprong en de verklaringen van gebeurtenissen niet meer in de acties van de goden, maar trachtte ze via rationele theorieën te duiden. Bekend is bijvoorbeeld het zoeken naar het oerbeginsel (aarde, vuur, water) waaruit alles is ontstaan. Latere materialisten als Democritus en de Romein Lucretius spraken nog steeds over 'de goden' maar betrokken hen niet meer in hun verklaringen van natuur en mens. Dit 'keerpunt' kwam er dus op neer dat deze filosofen een standpunt innamen waarbij ze zichzelf als kennend subject uit de hen omringende objectieve wereld losmaakten. Ze waren er immers van overtuigd dat deze wereld intelligibel was (slechts door het verstand kenbaar), zodat ze de werking van de natuur en de logica ervan konden doorgronden met hun rationele geest.
Het mythische concept van de tijd is niet lineair maar cyclisch. Een voorbeeld hiervan is de oude leer van de 'eeuwige herhaling', die reeds bestond in het oude Egypte, dharma religies of bij de Grieken, de pythagoreeërs en de stoïcijnen. Hesiodus (in Werken en Dagen) beschrijft de vijf leeftijden van de mens: het Gouden tijdperk, het Zilveren tijdperk, de Bronstijd, de Heroïsche tijd en de IJzertijd, te beginnen met de invasie van de Doriërs. Ook Plato schrijft over de mythe van het Gouden Tijdperk. Oude Grieken hadden ook een cyclische opvatting van de staatsvormen, waarbij elk corrupt geworden systeem ten val komt. Aristocratie, democratie enmonarchie werden gezonde staatsvormen geacht, terwijl oligarchie, demagogie en tirannie als corrupt werden beoordeeld.
Herodotus, door sommigen beschouwd als de eerste systematische historicus, en later Plutarchus, verzonnen vrijuit indrukwekkende toespraken voor hun historische figuren. Ze kozen hun onderwerpen ook uit met het oog op morele verbetering van de lezer. Geschiedenis moest dan ook goede voorbeelden laten zien, waardoor ze het met de historische waarheid waarschijnlijk niet zo nauw namen.
Tijdens het Romeinse Keizerrijk, dat met de Pax Romana een lange periode van stabiliteit kende, werd gespeculeerd over de plaats van Rome in de geschiedenis. In sommige versies was Rome 'het vierde koninkrijk', na Babylon (of Assyrië), Perzië en Griekenland, die elk op hun beurt een onvermijdelijk verval hadden meegemaakt. Rome zou, zo dachten sommigen, het vierde en laatste grote rijk zijn en eeuwig bestaan. Anderen zagen Rome dan weer de weg van zijn voorgangers opgaan, waarna een vijfde, eeuwig rijk zou opbloeien. Alvast één schrijver, Dionysius, duidde Rome aan als dat vijfde rijk, maar veroordeelde het toch tot uiteindelijke ondergang. Deze visie op geschiedenis was uiteraard ook een variant van de historische cycli.
Christelijke heilsleer